Bijvoeglijk naamwoord
Het bijv. n.w. kan in ’t Esperanto zoowel vóór als achter het zelfst. n.w. geplaatst worden. Men kan dus evengoed zeggen:
La viro batas la knabon malfeliĉan, als
La viro batas la malfeliĉan knabon.
Het bijvoeglijk n.w. volgt het zelfst. n.w. in getal en naamval en noemt men zoo’n bijv. n.w. attributief gebruikt.
Het bijv. n.w. kan ook praedicatief gebruikt worden en dan krijgt het wel den meervouds-, doch niet den 4en naamvalsuitgang. Het wordt dan altijd achter het zelfst. n.w. geplaatst, bijv.:
La viro batas la knabon malfeliĉa = De man slaat den jongen ongelukkig (d.w.z. dat hij ongelukkig wordt).
Men krijgt dus de twee volgende vormen:
Mi trovas la vinon bonan = ik vind den goeden wijn.
Mi trovas la vinon bona = ik vind den wijn goed (dat de wijn goed is).
Wanneer een praedicatief gebruikt bijv. n.w. geen betrekking heeft op een zelfst. n.w. of een pers. v.n.w., doch op een werkwoord in de onbepaalde wijs of op een geheelen volzin, dan wordt het in ’t Esperanto vertaald door een bijwoord, bijv.:
Hier te staan is zeer gevaarlijk.
Stari tie ĉi estas tre danĝere.
Het is goed dat gij komt.
Estas bone, ke vi venas.