4
Ik heb onder die menschen alles verdeeld, wat ik bezat. Oude menschen zijn zeer veranderlijk; zij willen nu eens dit, dan weer dat. De zieke was gedurende den geheelen dag omgeven door de geheele familie. Hoe minder geld hij heeft, hoe minder hij drinkt. Deze menschen wonen reeds drie jaar in een huis van steen. Heeft hij geen gelijk? Neen? In hoeverre heeft hij ongelijk? Van wien is deze beurs? Van niemand of van ieder? Voor den misdadiger staan overal netten, maar de hoofdzaak (ĉefafero) is, hem er in te vangen. Het glas brak in vier stukken. Dat paard zal niet vlugger loopen, hoeveel gij het ook slaat. Evenals ik, heeft ook hij zijne gebreken, maar zij zijn niet te zien; evenwel zij zijn niet te wenschen. Wat ’n reus! Zóó groot ben ik niet. Dat is niet wenschelijk. Ik vrees, dat een of ander ongeluk hem overkomen is. Eenige uren geleden zag ik iemand op de straat; nu zie ik niemand meer. Bij slecht weêr zou men thuis moeten blijven, doch een politieagent kan dat niet doen. Dat is ongelukkig genoeg, want daardoor vatten zij dikwijls kou. Het hoofd van onze school is een zeer streng mensch, doch hij heeft goede eigenschappen en dat is te prijzen. Deze scheepskapitein drinkt veel brandewijn; hij houdt niet van koffie. Leer deze heele les van buiten. Ik eisch, dat gij vroeger naar uw werk gaat. Geef mij s.v.p. een geldstuk, opdat ik brood kan koopen en geen honger behoef te lijden. Ik gaf hem een korf vol mooie peren. Ik zal het hem zeggen, zoodra ik hem zie. Er valt een zandkorrel in mijn oog; met een beetje water kan hij er uit.