Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks

Het Esperanto in Twintig Lessen

by A. Blok

53 of 118 · Contents · Download EPUB

Tiende Les

Deelwoorden

Deelwoorden zijn van werkwoorden afgeleid en stellen de werking voor als een voorbijgaande eigenschap of toestand.

De Nederlandsche taal heeft 2 deelwoorden en wel het tegenwoordig deelwoord, dat de werking of handeling voorstelt als nog voortdurende en het verleden deelwoord, dat de werking voorstelt als afgeloopen.

Het tegenw. deelwoord eindigt in ’t Nederlandsch op d en het verl. deelwoord begint meestal met ge, als: loopen, loopend, geloopen; leeren, leerend, geleerd; slaan, slaand, geslagen; zien, ziend, gezien; vernemen, vernemend, vernomen; begeeren, begeerend, begeerd.

’t Esperanto nu heeft, behalve een tegenw. en een verl. deelwoord, ook nog een toekomend deelwoord, wat wij omschrijven met het woord zullende vóór het werkwoord, bijv.: zullende loopen, zullende leeren, zullende slaan enz.

Verder worden deze 3 deelwoorden onderscheiden in bedrijvende en lijdende deelwoorden.

Bedrijvende deelwoorden hebben altijd betrekking op den persoon, die de werking verricht en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:

voor den tegenw. tijd de uitgang anta;
voor den verl. tijd de uitgang inta;
voor den toek. tijd de uitgang onta.

Lijdende deelwoorden hebben altijd betrekking op den persoon of de zaak, die de handeling lijdt of ondergaat en worden gevormd van de werkwoorden, door achter den stam te voegen:

voor den tegenw. tijd de uitgang ata;
voor den verl. tijd de uitgang ita;
voor den toek. tijd de uitgang ota.

Let wel op de overeenkomst van de uitgangen der deelwoorden met die van de reeds geleerde uitgangen der werkwoorden, n.l.:

tegenw. tijd uitg. as, tegenw. deelw. uitg. anta of ata;
verl. tijd uitg. is, verl. deelw. uitg. inta of ita;
toek. tijd uitg. os, toek. deelw. uitg. onta of ota.

Hieronder volgen de verschillende deelwoorden van het werkwoord bati met de Nederlandsche beteekenis:

bati= slaan;
batanta= slaande;
batinta= geslagen hebbende;
batonta= zullende slaan;
batata= geslagen wordende;
batita= geslagen zijnde;
batota= zullende geslagen worden.

Deelwoorden hebben den bijvoeglijken uitgang a als ze op zelfst. n.w. of voornaamwoorden betrekking hebben, bijv.:

la falanta ŝtono= de vallende steen;
la falinta ŝtono= de gevallen steen;
la falonta ŝtono= de steen, die vallen zal;
la batata knabo= de geslagen wordende jongen (de jongen, die geslagen wordt);
la batita knabo= de geslagen zijnde jongen (de jongen, die geslagen werd);
la batota knabo= de jongen, die geslagen zal worden.

Deelwoorden kunnen ook zelfst n.w. worden en krijgen dan den uitgang o. Deze zelfst. n.w. duiden tevens aan of de persoon, die genoemd wordt, bezig is de handeling te verrichten (anto), of hij de handeling reeds verricht heeft (into) of dat hij deze nog verrichten moet (onto). Voor den lijdenden vorm zijn deze uitgangen resp. ato, ito en oto, bijv.:

savanto= iemand die redt, dus ’n redder;
savinto= iemand die gered heeft;
savonto= iemand die zal redden;
savato= iemand die gered wordt;
savito= iemand die gered is;
savoto= iemand die gered zal worden.

Aanmerking: Men verwarre de beteekenis van den uitgang anto niet met dien van het achtervoegsel isto. Waar isto een beroep of een ambacht te kennen geeft, duidt anto slechts een persoon aan, die een werking of handeling verricht, zonder daarvan een beroep te maken.

Vergelijk: skribisto = beroepsschrijver, skribanto = iemand die schrijft; kantisto = beroepszanger, kantanto = iemand die zingt; hakisto = (hout)hakker van beroep, hakanto = iemand die hakt.

Verder kunnen deelwoorden bijwoordelijk gebruikt worden (met uitgang e) als ze te kennen moeten geven, dat de handeling, die ze uitdrukken, een andere handeling vergezelde, voorafging of volgde, bijv.:

La virino laboras kantante = de vrouw werkt (al) zingende (terwijl zij zingt).

Trovinte pomon, mi ĝin manĝis = Een appel gevonden hebbend, at ik hem op.

Skribonte mi prenis mian plumingon = Zullende schrijven nam ik mijn penhouder.

Vokate, la knabo estis en la ĝardeno = De knaap, geroepen wordende, was in den tuin. (Toen de knaap geroepen werd, was hij in den tuin).

Vokite, la knabo tuj venis = geroepen geworden zijnde, kwam de knaap dadelijk. (Toen de knaap geroepen geworden was, kwam hij dadelijk).

Vokote, la knabo estis jam en la ĉambro = Geroepen zullende worden, was de knaap reeds in de kamer. (Toen de knaap geroepen zou worden, was hij reeds in de kamer).

Wanneer achter de w.w. zien, hooren, voelen, vinden enz. (waarnemingswerkwoorden) in denzelfden volzin een ander werkwoord volgt, dat in den Nederl. zin in de onbepaalde wijs staat, moet dit in ’t Esperanto als deelwoord gebruikt worden, bijv.:

Ik zag het paard vallen= Mi vidis la ĉevalon falantan.
Wij hoorden hem spreken= Ni aŭdis lin parolantan.
Ik voel den regen vallen= Mi sentas la pluvon falantan.

Het brengt eenige moeilijkheid mede of achter dit deelwoord een n geplaatst moet worden of niet.

Neemt men nu eens het voorbeeld:

Ik zag het paard vallen.

Legt men nu den klemtoon op zàg, dan wil het zeggen:

Ik zàg het paard, dat viel.

Legt men den klemtoon op vàllen, dan wil het zeggen:

Ik zag dat het paard viél.

In de eerste beteekenis wordt het vertaald met een n, dus: Mi vidis la ĉevalon falantan, in de tweede beteekenis zonder n, dus: Mi vidis la ĉevalon falanta.

Zooals men dus ziet, wordt het deelwoord gebruikt met een n, wanneer het aangeeft den toestand, waarin, of de omstandigheid, waaronder de persoon of zaak verkeert. Zonder n, wanneer men speciaal de werking aan wil duiden, die de persoon of zaak verricht. Inplaats van het deelwoord zonder n mag men ook de onbepaalde wijs gebruiken. Bijv.: Ik zag hem loopen = Mi vidis lin kuranta, of Mi vidis lin kuri.

De beteekenis is dan dus: ik zag, dat hij liép.

← Back to Het Esperanto in Twintig Lessen

Scroll to Top