Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks

Het Esperanto in Twintig Lessen

by A. Blok

74 of 118 · Contents · Download EPUB

Vijftiende Les

Korelativoj op ial en iam

Korelativoj op ial duiden reden of oorzaak aan.

Ial = ergens om, om de een of andere reden, bijv.:

Li ne povis veni ial = Hij kon om de een of andere reden niet komen.

Kial = waarom, om welke reden, bijv.:

Kial li estis en la urbo? = Waarom was hij in de stad?

Tial = daarom, om die reden, bijv.:

Tial mi venis = Daarom kwam ik.

Ĉial = overal om, om elke reden, bijv.:

La knabo ridis ĉial = De jongen lachte overal om.

Nenial = nergens om, om geen enkele reden, bijv.:

Mi iras hejmen nenial = Ik ga nergens om naar huis.

Korelativoj op iam hebben betrekking op den tijd.

Iam = eens, ooit, op zekeren tijd, op een of anderen tijd, bijv.:

Mi venos vidi iam = ik zal eens komen zien.

Kiam = wanneer, op welken tijd, bijv.:

Kiam vi venos? = Wanneer komt gij?

Kiam = toen, in de beteekenis van als, wanneer, zoodra, bijv.:

Kiam li venis, li estis bonvena = Toen hij kwam, was hij welkom.

Ni estis elirontaj, kiam li alvenis = Wij zouden uitgaan, toen hij kwam.

Tiam = dan, toen, op dien tijd, destijds, bijv.:

Tiam estis tempo por foriri = Dan was het tijd om te vertrekken.

Ĉiam = altijd, ten allen tijde, steeds, bijv.:

Li laboras ĉiam = Hij werkt altijd.

Neniam = nooit, nimmer, op geen enkel oogenblik, bijv.:

Li venas neniam = Hij komt nooit.

← Back to Het Esperanto in Twintig Lessen

Scroll to Top