Het Bijwoord
Zooals een bijv. n.w. een bijzonderheid aanduidt van een zelfst. n.w., zoo duidt een bijwoord ’n bijzonderheid aan van ’n werkwoord en gaat altijd uit op e.
Het heeft niet, zooals een bijv. n.w., een meervoudsuitgang, bijv.: kanti = zingen, bele kanti = mooi zingen, kuri = loopen, rapide kuri = vlug loopen.
Een bijwoord kan ook een bepaling zijn van ’n bijv. n.w. of van een ander bijwoord, doch nooit van ’n zelfst. n.w., bijv.; even mooi zingen = same bele kanti.