Achtervoegsels ing en uj
Ing(o) duidt het voorwerp aan, waarin men gewoonlijk de zaak, door het grondwoord uitgedrukt, steekt of plaatst. Woorden op ingo vormen die voorwerpen, welke slechts één ding tegelijk, en dan nog maar voor een gedeelte, kunnen bevatten, bijv.: plumo = pen, plumingo = penhouder; kandelo = kaars, kandelingo = blaker, kandelaar; fingro = vinger, fingringo = vingerhoed.
Uj(o) duidt het voorwerp aan, dat datgene inhoudt of draagt, door het stamwoord uitgedrukt, bijv.: sukero = suiker, sukerujo = suikerpot; plumo = pen, plumujo = pennedoosje; pomo = appel, pomujo = appelboom; Belgo = Belg, Belgujo = België.
Aanmerking: Bij namen van boomen gebruikt men ook wel het woord arbo, bijv.: appelboom = pomujo of pomarbo; pereboom = pirujo of pirarbo.
Bij de vorming van landsnamen gebruikt men ook veel het woord lando, bijv.: België = Belgujo of Belglando; Frankrijk = Francujo of Franclando.
Alléén Holland, Groenland, IJsland en Finland moeten worden vertaald Holando, Grenlando, Islando en Finlando, en daarom ook Hollander, Groenlander, IJslander en Finlander door Holandano, Grenlandano, Islandano en Finlandano.