Vertaal in Esperanto
Iets ligt op de tafel. Hij hoorde iets. Een kat liep in de kamer. Een of andere vogel zat op den toren. Wat schoon is moet eenvoudig zijn. Dat, wat gebeurde, was goed. De arme knapen konden niets geven aan den armen grijsaard. Welke (wat voor soort) kant hebt gij aan uwe japon? Wat zegt gij? Welk meisje is ongelukkig? Dat is niet waar. Welke noten eet gij? Hij kent geen enkele soort menschen. In allerlei (soort) steden bevinden zich dergelijke menschen. Welken ouderdom hebt gij? Ik had iets gezien, maar ik wist niet wat. Ik zou dit gelezen hebben, maar ik had geen tijd. Neem de zeep uit het zeepbakje en wasch uwe handen. De ketting was van goud en de borstspeld van zilver. De gouden borstspeld is mooier dan de zilveren. Leg de borstel in de kast en knoop je jas toe.