Achtervoegsels ul en ad
Ul(o) duidt personen aan die het kenmerk bezitten door het grondwoord uitgedrukt, bijv.:
juna = jong, junulo = jongeling.
maljuna = oud, maljunulo = grijsaard,
kontraŭ = tegen, kontraŭulo = tegenstander.
Somtijds heeft ulo ook betrekking op dieren en heel zelden op voorwerpen, bijv.:
piedo = voet, kvarpiedulo = viervoetig dier.
korno = hoorn, kornulo = hoorndier.
masto = mast, dumastulo = tweemaster.
Ad(i of o) drukt uit dat de werking niet als een voorbijgaande, maar als een voortdurende handeling of als een toestand moet worden gedacht, bijv.: paroli = spreken, paroladi = voortdurend spreken (redeneeren), parolado = redevoering; movi = bewegen, movadi = voortdurend bewegen, movado = beweging; progresi = vorderen, progresadi = voortdurend vorderen, progresado = vooruitgang.
Wanneer de onbepaalde wijs van een werkwoord in ’t Nederl. als een zelfst. n.w. gebruikt wordt, dan wordt dit gewoonlijk in ’t Esperanto vertaald door achter den stam van het werkwoord ado te plaatsen, bijv.: Het drinken van zuiver water is gezond = La trinkado de pura akvo estas saniga.