Vertaal in Esperanto
Zij zette de flesch en het glas op de tafel. Deze tafel is grooter dan die van mijn broeder. Dit gebouw is hoog, de kerk is hooger, maar de toren is het hoogst. Van mijne broeders ben ik de grootste. Wat loopt het snelst? Ik verlangde den hamer en hij gaf mij de tang. Zoudt gij mij uw mes willen geven, want het is scherper dan het mijne. Het weêr was zoo slecht, dat ik niet kon komen. Zij schrijft mooi, uw zuster schrijft minder mooi, maar uwe vriendin schrijft het minst mooi. Gij loopt vlugger dan uw zuster. De jager ging in den vroegen morgen het bosch in. Ik heb mijn geldbeurs verloren. Ik schroefde het deksel van de kist. Gisteren was het weder schooner dan nu. Geef mij dien vingerhoed. Ik heb hem niet gezien. Hij ging in de houtloods en nam hout mee om het fornuis aan te maken. Ik waschte mijn handen beter dan gij. Het paard loopt het vlugst. Wanneer hebben wij den laatsten dag van de maand?