Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergHet Esperanto in Twintig LessenHet voorvoegsel fi en het achtervoegsel aĉ · 85 of 118Contents›

Het Esperanto in Twintig Lessen

by A. Blok

85 of 118 · Contents · Download EPUB

Het voorvoegsel fi en het achtervoegsel aĉ

Deze geven beiden een minachtende beteekenis aan het stamwoord, waarvan fi op de innerlijke en aĉ op de uiterlijke eigenschap doelt, bijv.:

fiĉevalo = paard met streken,ĉevalaĉo = knol.
fiviro = man met slechte eigenschappen,viraĉo = vent, kerel.
fivirino = vrouw met slechte eigenschappen,virinaĉo = wijf.

Het achtervoegsel ĉj(o) dient om verkleinende, liefkoozende mannelijke persoonsnamen te vormen; men voegt den uitgang na den 2en tot den 5en letter van den naam, bijv.: Miĥaelo = Michiel, Miĉjo = Michieltje.

Petro = Pieter, Peĉjo = Pietje.

Het achtervoegsel nj(o) wordt gebruikt op dezelfde wijze als ĉj(o), doch dient voor vrouwelijke persoonsnamen, bijv.:

Mario = Marie, Manjo = Marietje.

Emilino = Emilia, Eminjo = Emilietje.

De uitdrukking Moŝto is een beleefdheidstitel, die dient voor alle Nederlandsche titels, als: Majesteit, Heiligheid, Excellentie, WelEdele, WelEdelGestrenge, Hoogedelgeboren, enz. Wanneer de waardigheid van den te noemen persoon het woord Moŝto voorafgaat, dan neemt die waardigheid den vorm van het bijv. n.w. aan, bijv.:

Zijne Majesteit de Koning = Lia reĝa Moŝto.

Zijne Excellentie Graaf.... = Lia grafa Moŝto....

Zijne Heiligheid de Paus = Lia papa Moŝto.

← Back to Het Esperanto in Twintig Lessen

Scroll to Top