Het voorvoegsel fi en het achtervoegsel aĉ
Deze geven beiden een minachtende beteekenis aan het stamwoord, waarvan fi op de innerlijke en aĉ op de uiterlijke eigenschap doelt, bijv.:
| fiĉevalo = paard met streken, | ĉevalaĉo = knol. |
| fiviro = man met slechte eigenschappen, | viraĉo = vent, kerel. |
| fivirino = vrouw met slechte eigenschappen, | virinaĉo = wijf. |
Het achtervoegsel ĉj(o) dient om verkleinende, liefkoozende mannelijke persoonsnamen te vormen; men voegt den uitgang na den 2en tot den 5en letter van den naam, bijv.: Miĥaelo = Michiel, Miĉjo = Michieltje.
Petro = Pieter, Peĉjo = Pietje.
Het achtervoegsel nj(o) wordt gebruikt op dezelfde wijze als ĉj(o), doch dient voor vrouwelijke persoonsnamen, bijv.:
Mario = Marie, Manjo = Marietje.
Emilino = Emilia, Eminjo = Emilietje.
De uitdrukking Moŝto is een beleefdheidstitel, die dient voor alle Nederlandsche titels, als: Majesteit, Heiligheid, Excellentie, WelEdele, WelEdelGestrenge, Hoogedelgeboren, enz. Wanneer de waardigheid van den te noemen persoon het woord Moŝto voorafgaat, dan neemt die waardigheid den vorm van het bijv. n.w. aan, bijv.:
Zijne Majesteit de Koning = Lia reĝa Moŝto.
Zijne Excellentie Graaf.... = Lia grafa Moŝto....
Zijne Heiligheid de Paus = Lia papa Moŝto.