Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks

Het Esperanto in Twintig Lessen

by A. Blok

44 of 118 · Contents · Download EPUB

Achtste Les

Voorzetsels

De voorzetsels drukken verschillende betrekkingen uit tusschen twee zelfstandigheden. Dit kunnen betrekkingen zijn van tijd, plaats, oorzaak, bezit, enz.

De voornaamste voorzetsels zijn:

alnaar, aan
enin
eluit
eksterbuiten
superboven
surop
subonder
antaŭvóór
postna, achter
apudbij (in de nabijheid)
ĉebij (ten huize van)
intertusschen, onder
cirkaŭrondom, omstreeks
kontraŭtegen, tegenover
anstataŭin plaats van
kunmet, mede, te zamen met
senzonder
perdoor, door middel van, met behulp van, met
prinopens, over, met betrekking tot
porvoor (doel), ten behoeve van, om te
provoor (reden), wegens, ter wille van
devan
davan
laŭvolgens, naar
malgraŭniettegenstaande
dumgedurende, terwijl
pretervoorbij
kromuitgezonderd, behalve
ĝistot
tradoor, dwarsdoor
transover, aan gene zijde van
ponaar verhouding van, per stuk
jeverschillende beteekenis

Woorden door een voorzetsel vooraf gegaan, krijgen geen n zoo ze geen richting uitdrukken.

Indien het moeielijk valt het juist vereischte voorzetsel te kiezen, bezigt men het voorzetsel je, dat een onbepaalde beteekenis heeft. De voorzetsels worden in ’t Esperanto niet zooals in ’t Nederlandsch met onjuiste beteekenis gebruikt. ’t Esperanto gebruikt slechts de voorzetsels in de beteekenis welke ze werkelijk hebben.

De uitdrukking op Maandag mag dus niet vertaald worden door sur lundo, maar door je lundo. Evenzoo om zes uur wordt je la sesa horo.

Na een hoeveelheid gebruikt men het voorzetsel da, bijv.: botelo da vino = een flesch wijn; kilogramo da viando = een kilogram vleesch.

Men lette op het verschil tusschen botelo da vino en botelo de vino. Het eerste beteekent een flesch wijn en het tweede beteekent een wijnflesch.

Wanneer het Nederl. voorzetsel van de beteekenis heeft van uit, dan wordt dit in ’t Esperanto vertaald door el, bijv.: Eén van mijn broeders = Unu el miaj fratoj. Indien het aanduidt uit welke stof iets gemaakt is, of uit welke stof iets bestaat dan wordt het eveneens vertaald door el, bijv.: Het huis is van steen = La domo estas el ŝtono.

Achtervoegsels estr, ist en il.

Estr(o) duidt dengene aan die het hoofd, de chef of de leider is van hetgeen het grondwoord uitdrukt, bijv.:

ŝipo = schip, ŝipestro = schipper of kapitein.
lernejo = school, lernejestro = hoofd der school.
urbo = stad, urbestro = burgemeester (van een stad).
vilaĝo = dorp, vilaĝestro = burgemeester (van een dorp).

Ist(o) duidt den persoon aan, die het beroep, het ambacht of de dagelijksche bezigheid uitoefent, door het grondwoord bedoeld, bijv.:

boto = laars, botisto = laarzenmaker.
instrui = onderwijzen, instruisto = onderwijzer.
pordo = deur, pordisto = portier.
porti = dragen, portisto = drager.

Il(o) duidt het werktuig aan waarmede men datgene doet, wat het grondwoord uitdrukt, bijv.:

haki = hakken, hakilo = hakmes, bijl.
tranĉi = snijden, tranĉilo = mes.
flugi = vliegen, flugilo = vleugel.

← Back to Het Esperanto in Twintig Lessen

Scroll to Top