Korelativoj op ia en io
Korelativoj op ia zijn bijvoeglijk en bepalen iets omtrent de hoedanigheid of de soort.
Ia = de een of andere, een zekere, eenigerlei, bijv.:
Ian tagon mi donos al vi la monon = De een of andere dag zal ik u het geld geven.
Li aĉetis iajn nuksojn = Hij kocht de een of andere soort noten.
Kia = welke, wat voor een, welke soort van, bijv.:
Kiajn nuksojn vi preferas? = Welke (soort van) noten verkiest gij?
Tia = zoodanig, dusdanig, dergelijk, zulk een, zulk een soort, bijv.:
Tia ĉapelo kostas kvin guldenojn = Zoo’n (zulk een) hoed kost vijf gulden.
Ĉia = elke soort van, iedere soort, elk, ieder, bijv.:
Ĉia persono bezonas monon = Elk mensch heeft geld noodig.
Nenia = geen enkele soort van, geen enkel, bijv.:
Li konas nenian floron = Hij kent geen enkele (soort van) bloem.
Korelativoj op io zijn zelfstandig en worden alleen voor zaken gebruikt. Ze hebben dan ook nooit een zelfst. n.w. achter zich.
Io = iets, het een of ander, bijv.:
Io kuŝis sur la tablo = Iets lag op de tafel.
Mi vidis ion = Ik zag iets.
Kio = wat? (vragend voornaamwoord) bijv.:
Kio povas manĝi? = Wat kan eten?
Kion vi vidas? = Wat ziet gij?
Tio = dat.
Tio estas bela = Dat is mooi.
Mi vidis tion = Ik zag dat.
Tio ĉi of ĉi tio = dit (in de nabijheid) bijv.:
Tio ĉi devas esti bona = Dit moet goed zijn.
Mi portos tion ĉi = Ik zal dit dragen.
Ĉio = alles, alle, elk ding, bijv.:
Ĉio estas en la butiko = Alles is in den winkel.
Li scias ĉion = Hij weet alles.
Nenio = niets, niet een enkel ding, bijv.:
Nenio falis = Niets viel.
Mi aŭdis nenion = Ik hoorde niets.