Woordvorming
Het Esperanto bestaat uit ± 2000 stamwoorden, welke voor het meerendeel zijn genomen uit de moderne talen, en waarvan de andere woorden gevormd worden.
Voor de woordvorming bedient men zich in ’t Esperanto van voor- en achtervoegsels. In iedere les zullen hiervan een paar behandeld worden. Als eersten volgen hier:
Het voorvoegsel mal- en het achtervoegsel -in.
Mal drukt uit het tegenovergestelde van wat het stamwoord zegt, bijv.: bona = goed, malbona = slecht; bela = mooi, malbela = leelijk; juna = jong, maljuna = oud; amiko = vriend, malamiko = vijand.
In(o) duidt het vrouwelijk geslacht aan van het stamwoord, bijv.: patro = vader, patrino = moeder, frato = broeder, fratino = zuster.