Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks

Het Esperanto in Twintig Lessen

by A. Blok

79 of 118 · Contents · Download EPUB

Zestiende Les

Korelativoj op iel en iom

Korelativoj op iel duiden de manier of wijze aan.

Iel = op de een of andere wijze, bijv.:

Iel li devis trovi laboron = Op de een of andere manier moest hij werk vinden.

Kiel = hoe, op welke manier (vragend), bijv.:

Kiel vi fartas? = Hoe vaart u?

Kiel = als, zooals (betrekkelijk), bijv.:

Diru ĝin, kiel vi volas = Zeg het, zooals gij wilt.

Tiel = zoo, op die manier, derwijze, bijv.:

Tiel vi devas uzi la plumon = Zoo moet gij de pen gebruiken.

Ĉiel = op elke manier of wijze, bijv.:

Li povas skribi ĉiel = Hij kan op elke manier schrijven.

Neniel = geenszins, op geen enkele manier, in ’t geheel niet, bijv.:

Mi povis skribi al li neniel = Ik kon hem op geen enkele manier (in ’t geheel niet) schrijven.

Korelativoj op iom hebben betrekking op de hoeveelheid en worden gevolgd door da indien zij een zelfst-n.w. voorafgaan.

Iom = wat, een beetje, een weinig, bijv.:

Pruntu al mi iom da mono = Leen mij een weinig geld.

Kiom = hoeveel, welke hoeveelheid (vragend), bijv.:

Kiom da mono vi havas? = Hoeveel geld hebt gij?

Kiom = als (betrekkelijk), bijv.:

Diru al mi tiom, kiom vi scias = Zeg mij zooveel, als gij weet.

Tiom = zooveel, zulk een hoeveelheid, bijv.:

Li havas tiom da mono = Hij heeft zooveel geld.

Ĉiom = alles, de gansche hoeveelheid, bijv.:

Li donis ĉiom = Hij gaf alles (van hetgeen hij had).

Neniom = niets, niemendal, bijv.:

Estis neniom de la meblaro en la domo = Er was niets van de meubelen in huis.

← Back to Het Esperanto in Twintig Lessen

Scroll to Top