Achtervoegsels aĵ en ec
Aĵ(o) duidt concrete zaken aan, die de eigenschap bezitten door het grondwoord uitgedrukt.
Concreet is datgene wat door de zintuigen kan worden waargenomen, bijv.: mola = zacht, molaĵo = zachtheid (zachte deel van fruit bijv.); amiko = vriend, amikaĵo = vriendschapsbetuiging.
In ’t algemeen kan men dit achtervoegsel omschrijven door het Nederlandsche iets dat.... is, bijv.: bela = schoon, belaĵo = iets dat schoon is; kreski = groeien, kreskaĵo = iets dat gegroeid is (gewas, plant).
Ec(o) vormt abstracte woorden, die de eigenschap bedoelen door het grondwoord uitgedrukt.
Abstract is datgene, dat niet met de zintuigen kan worden waargenomen, bijv.: frato = broeder, frateco = broederschap; sana = gezond, saneco = gezondheid.
De meeste woorden op ec gaan in ’t Nederlandsch op heid of schap uit, doch geen enkele heeft een meervoudsvorm.