Wederkeerige of Terugwerkende Werkwoorden
Dit zijn werkwoorden, die een wederkeerigheid of terugwerking aanduiden en waarbij het onderwerp van den zin tevens het voorwerp der handeling is.
Deze werkwoorden worden in ’t Esperanto in 3 groepen verdeeld, n.l.:
1e. Werkwoorden, die de wederkeerigheid in zich sluiten,
bijv.: ĝoji = zich verheugen, mi ĝojas = ik verheug mij.
enui = zich vervelen, mi enuas = ik verveel mij.
kutimi = zich gewennen, mi kutimas = ik gewen mij.
imagi = zich verbeelden, mi imagas = ik verbeeld mij.
erari = zich vergissen, mi eraras = ik vergis mij.
venĝi = zich wreken, mi venĝas = ik wreek mij.
konduti = zich gedragen, mi kondutas = ik gedraag mij.
memori = zich herinneren, mi memoras = ik herinner mij.
2e. Werkwoorden, die een handeling uitdrukken, die men zichzelf of een ander kan doen ondergaan, bijv.: lavi = wasschen (men kan zichzelf en een ander wasschen).
De wederkeerigheid wordt uitgedrukt door de pers. voornaamwoorden in den lijdenden vorm, dus met n, bijv.:
mi lavas min = ik wasch mij.
li lavas sin = hij wascht zich (vergelijk 4e les).
ni lavas nin = wij wasschen ons.
3e. Werkwoorden, waarbij het onderwerp door de werking, die het werkwoord voorstelt, in een bepaalden toestand komt, dat het wordt (iĝas) wat het grondwoord te kennen geeft. In dit geval gebruikt men het achtervoegsel iĝ, bijv.:
zich nederzetten = sidiĝi (in zittenden toestand komen).
zich nederleggen = kuŝiĝi (in liggenden toestand komen).
zich buigen = kliniĝi (in gebogen toestand komen).