Achtervoegsels ar, er en ej
Ar(o) vormt verzamelwoorden, d.w.z. woorden, die een verzameling uitdrukken van een aantal gelijknamige voorwerpen, die tezamen een nieuwe eenheid vormen, bijv.: arbo = boom, arbaro = woud, bosch; homo = mensch, homaro = menschdom, menigte; monto = berg, montaro = gebergte.
Er(o) duidt het kleinste samenstellende deel van een eenheid aan, bijv.: sablo = zand, sablero = zandkorrel; fajro = vuur, fajrero = vonk; polvo = stof, polvero = stofdeeltje.
Ej(o) duidt aan de plaats, die bestemd is voor datgene, wat door het grondwoord uitgedrukt wordt, bijv.: kuiri = koken, kuirejo = keuken (plaats waar gekookt wordt); baki = bakken, bakejo = bakkerij (plaats waar gebakken wordt); preĝi = bidden, preĝejo = kerk (plaats waar gebeden wordt); lerni = leeren, lernejo = school (plaats waar geleerd wordt).