Esperanto-Examens 11 October 1916
Opgave Examen A.
Ter vertaling:
1. Als de kat ziek was, zou ze niet eten.
2. Uw huis is zeer oud, verkoop het.
3. Een viertal musschen zat op het dak.
4. Zij zeide het haar tweemaal.
5. In den herfst is het niet meer zoo warm als in den zomer.
6. Gij moet dat zoo goed mogelijk doen.
7. De soldaten marcheerden zingende door het dorp.
8. Vele gewonden sterven, verlaten op het veld.
9. Een mes snijdt goed als het scherp is.
10. Maria is de oudste van zijne zusters.
11. Des morgens verschijnt de zon opnieuw.
12. Ik herinner mij den naam van die bloem niet.
13. De kat sprong van den stoel op de tafel.
14. Wij reden (te paard) door een bosch waar de takken voortdurend onze schouders raakten en de vogeltjes voortdurend zongen tusschen de groene bladeren.
15. Mijn dochtertje had een gulden gespaard.
16. Te veel zout bederft het eten.
17. Het geheugen verzwakt als men oud wordt.
18. Die daad is zeer te betreuren.
19. Zijn slecht schrift is niet te lezen.
20. Hare voorouders leefden in Engeland.