IX Modern Dutch of Holland
Mark, Chap. I.
1. Het begin des Evangelies van Jezus Christus, den Zoon van God.
2. Gelijk geschreven is in de Profeten: ziet, Ik zend mijnen Engel voor uw aangezigt, die uwen weg voor u heen bereiden zal.
3. De stem des roependen in de woestijn: bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden regt!
4. Johannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden.
5. En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jerûzalem; en werden allen van hem gedoopt in the rivier de Jordaan, belijdende hunne zonden.
6. En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen lederen gordel om zijne lendenen, en at sprinkhannen en wilden honig.
7. En hij predikte, zeggende: na mij komt, die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem zijner schoenen te ontbinden.
8. Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal u doopen met den Heiligen Geest.
9. En het geschiedde in diezelve dagen, dat Jezus kwam van Názareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
10. En terstond, als hij uit het water opklom, zag bij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk eene duive, op hem nederdalen.
11. En er geschiedde eene stem nit de hemelen: gij zijt mijn geliefde Zoon, in denwelken Ik mijn welbehagen heb!
12. En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn.
13. En hij was aldaar in de woestijn vertig dagen, verzocht van den Satan; en was bij de wilde gedierten; en de Engelen dienden hem.
14. En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koningrijk Gods,
15. En zeggende: de tijd is vervuld, en het Koningrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
16. En wandelende bij de Galilésche zee, zag hij Simon en Andréas, zijnen broeder, werpende het net in de zee (want zij waren visschers);
17 En Jezus zeide tot hen: volgt mij na, en ik zal maken, dat gij visschers der menschen zult worden.
18. En zij, terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd.
19. En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus, den zoon van Zebedéüs, en Johannes, zijnen broeder, en dezelve in het schip hunne netten vermakende.
20. En terstond riep hij hen; en zij, latende hunnen vader Zebedéüs in het schip, met de huurlingen, zijn hem nagevolgd.
21. En zij kwamen binnen Kapernaüm; en terstond op den Sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde hij.
22. En zij versloegen zich over zijne leer: want hij leerde hen, als magt hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.
23. En er was in hunne Synagoge een mensch, met eenen onreinen geest, en hij riep uit,
24. Zeggende: laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazaréner! zijt gij gekomen, om ons to verderven? Ik ken u, wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
25. En Jezus bestrafte hem, zeggende: zwijg stil, en ga nit van hem.
26. En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met eene groote stem, ging uit van hem.
27. En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: wat is dit? wat nieuwe leer is deze, dat hij met magt ook den onreineen geesten gebiedt, en zig hem gehoorzaam zijn!
28. En zijn gerucht ging terstond uit, in het geheel omliggen land van Galiléa.
29. En van stonde aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andréas, met Jacobus en Johannes.
30. En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar.
31. En hij, tot haar gaande, vattede hare hand, en rigtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.
32. Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, bragten zij tot hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.
33. En de geheele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.
34. En hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierpe vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden.
35. En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging hij uit, en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar.
36. En Simon, en die met hem waren, zijn hem nagevolgd.
37. En zij hem gevonden hebbende, zeiden tot hem: zig zoeken u allen.
38. En hij zeide tot hen: laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat ik ook daar predike: want daartoe ben ik uitgegaan.
39. En hij predikte in hunne Synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.
40. En tot hem kwam een melaatsche, biddende hem, en vallende voor hem op de knieën, en tothem zeggende: indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.
41. En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: ik wil, word gereinigd.
42. En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond van hem, en hy werd gereinigd.
43. En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond van zich gaan;
44. En zeide tot hem: zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon u zelven den Priester, en offer voor uwe reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis.
45. Maar hij vitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot hem van alle kanten.