D Over de beteekenis van onze Nederlandsche nationale kleederdrachten uit een ethisch en aesthetisch oogpunt
Het ware zeer verkeerd onze nationale volks-kleederdrachten de maatstaf van een hooger schoonheidsbeginsel aan te leggen. Zij behooren, als een van de vele monumenten van oude geschiedenis en kunst, geheel gelijk gesteld te worden met de kleinkunst, de gebruikskunst, die uit het volk, uit zijn aard, zeden en gewoonten voortkwam, zonder in wezenlijk of direct verband met de hoogste intellectueele waarde en geestelijke idealen van dat (ons) volk te staan.
En omdat ons Nederlandsche volk zich in haar kunstuitingen, zelfs in die van haar beste perioden, steeds meer een volk van particulariseerend gevoel dan van veralgemeenende verstandelijkheid heeft betoond, moet het ook niet verwonderen dat haar volks-kunst, waaronder onze nationale kleederdrachten te rekenen zijn, nooit belangrijker wordt dan wat met wat goede maar boertige smaak, veel werk-kracht en een vroolijke maar oppervlakkige levensbeschouwing bereikt kon worden.
Verheffend schoon zijn daarom onze nationale kleederdrachten niet, maar ze zijn levensvol, soms rijk, soms fijn, maar over ’t algemeen meer aardig, merkwaardig en typeerend dan inspireerend. Zij behooren, gelijk zoovele opmerkelijke maar anders geen hoogere princiepen uitdrukkende meubelkunst en klein-architecteur, tot dat zelfde soort monumenten van onze groote voorgeschiedenis gerekend te worden, waarvan de overblijfselen nog voor een deel in enkele streken van ons land te vinden zijn is in oude buurtjes en grachtjes, huisjes en hoekjes. Als zoodanig hebben zij dus in het werkelijke hedendaagsche leven van ons volk geen beteekenis meer dan die van “curieuse bezienswaardigheid”. Slechts in die gedeelten van ons land waar nog oude of ouderwetsche zeden en gewoonten heerschen, hebben en behouden zij echter alleszins hun reden van bestaan, en.... zijn zij nog de dragers van het levende volks-ideaal.
De schoonste van deze drachten zijn voornamelijk die welke door den Frieschen stam gedragen worden, te weten de costumes in Friesland, Urk, Volendam en in Zeeland. Bij deze alle moet een verfijning van vorm en kleurenkeus geconstateerd worden, die op iets hoogers dan het gemiddelde volks-ideaal wijst, die meer geestelijke ontwikkeling en aspiraties verraadt. Ook de meerdere voortreffelijkheid en schoonheid van dit ras boven de andere bewoners van Nederland verklaart de meerdere belangrijkheid en grooter schoonheid van deze drachten boven de andere.
Behalve de aristocratische allure die vooral het Friesche costume haar draagsters geeft, het bijzonder groot-burgerlijke van de Hindelooperdracht, de levens-volheid en natuurkracht, waarvan de Urker en Volendammer kleedij getuigt, wordt in deze het toppunt van evenwichtigheid bereikt in het Zeeuwsche costume, dat meer natuurlijk dan zoovele andere drachten (bijv. Marken, Staphorst enz.) alle voordeelen van de eigenheid van het volk, van het ras, op zijn best en het schoonst tot uiting brengt en als onderstreept.
In de Zeeuwsche drachten (vooral die van Zuid-Beveland en van Walcheren) komt den wil zich van anderen te onderscheiden, hoogere, meer intellectueele idealen uit te drukken, dieper levenskijk te hebben zoo volmaakt en zoo harmonieus tot zijn recht in een even smaakvolle als stijlvolle kleedij, die als geïnspireerd en gecomponeerd schijnt op de bijzondere lichamelijke schoonheid van dit zeeuwsch-friesche ras, dat ongetwijfeld het schoonste, en naar den bouw van het lichaam het meest algemeen-menschelijk-normale deel van het nederlandsche volk is.
Werkt den aanblik van het Nederlandsche nationale costume dan niet altijd verheffend, is het in zich zelf niet altijd even hygiënisch, lijkt het soms meer vreemd en gezocht dan origineel, soms meer bont dan kleur-rijk, soms meer merkwaardig dan mooi, het geeft in zijn groote verscheidenheid een zeer juisten blik op de Nederlandsche volkspsyche. De klein-burgerlijkheid, die een hoofdkenmerk van ons volk is, en die dikwijls tot boerschheid wordt, komt in enkele van die drachten ten zeerste uit, zooals die van Marken, Gelderland en Noord-Brabant. Aan den anderen kant echter zijn er elementen in die volks-kleedij, die zich bijna boven de groot-burgerlijkheid tot een soort regenten-aristocratie verheffen, zooals de provinciale (oude) dracht in Friesland en Zeeland, waar door verfijnden smaak in kleuren en vormen iets hoogers bereikt wordt, al wordt die meer aesthetische werking van deze drachten dan voor een groot deel veroorzaakt door de grootere rasschoonheid van de dragers, en—speciaal van de draagsters.
Wil men deze historische drachten, en wat er thans nog van over is, op deze wijze beschouwen, dan blijken ze even waardevol voor de kennis van de Nederlandsche volks-ziel als de oude meubelen, architectuur en het allergrootste deel van onze nationale schilderschool. Ze zullen altijd hun waarde aan hun oprechtheid en waarheidszin blijven ontleenen, zoowel aesthetisch als ethisch, ze zullen aldoor als een werkelijke afspiegeling van den geest en de idealen van ons volk moeten worden erkend.
En.... staan zij in dat opzicht lager, of zijn zij minder belangrijke of minder “hooge” kunst dan al het andere, wat ons van het voorgeslacht bleef? Ik betwijfel het. De beste uitingen van onzen Nederlandschen volksaard, op het gebied van welke kunst van het verleden of van het heden men het dan ook neme, zijn en blijven, voorzoover het specifiek Hollandsche wat er aan is, toch immers niets anders dan uitingen van “boeren, burgers en buitenlui.”
En onze nationale kleederdrachten behooren werkelijk niet tot de minst-belangrijke van die uitingen van “boeren-kunst”!—