I. Inleiding
A. Over kleederdrachten in het algemeen
Het moet als een door de anthropologie en de cultuurgeschiedenis bewezen waarheid gelden dat de redenen, waarom zich den mensch kleedt, niet gevonden moeten worden in climatologische of zedekundige gronden, maar in den wil om zich te onderscheiden. Versiering is de eerste grondgedachte van de primitieve menschelijke kleedij geweest, versiering van zijn eigen lijfelijke persoonlijkheid om zich van zijn mede-menschen te onderscheiden, versiering als middel om zijn eigen plaats onder de menschen in te nemen, als middel dus tot zelfbestaan. De koningsmantel is de uiterste consequentie van deze eenvoudige grondgedachte.
Later, toen den mensch zich meer en meer van de natuurstaat verwijderde en de geheele aardbol ging bewonen, hebben zich de wisseling in temperatuur, de bodemgesteldheid en allerlei andere omstandigheden, die met de geologie en geographie in verband stonden, den aard van de kleeding in de verschillende landen bepaald. Rassen-eigenaardigheden, godsdienstige opvattingen en ten slotte nationale en politieke oorzaken hebben daarna invloed op den vorm, de kleur en het algemeen aspect van de kleeding gehad. En zoo ontstonden de nationale kleederdrachten, die in hun grondgedachte niet anders bedoelen dan de dragers reeds dadelijk, door hun kleeding, als uit dit of dat land afkomstig, als bij dit of dat volk behoorende, te doen kennen.... door onderscheiding.
Opmerkelijk is daarbij, dat eenzelfde soort kleedingstuk in verschillende landen, in bijna gelijken vorm voorkomt, omdat het zijn reden in dezelfde climatologische of gebruiks-gronden vindt. Waar dan de hoofdvorm overal dezelfde is, zelfs de stof waaruit zoo’n kleedingstuk in de verschillende landen is gemaakt, dezelfde blijft, is de kleur en vooral de versiering voor ieder land of streek verschillend, zoodat het nationale, het eigene, het onderscheidende nog zeer duidelijk op den voorgrond treedt, ondanks de algeheele overeenkomst in het wezen en den vorm van zoo’n stuk kleedij.
Als voorbeeld moge de veel gesmade, veel uitgelachen wijde broek van onze Volendammers gelden, welk oer-type van beenbekleeding voor mannen in bijna iedere Europeesche, West-Aziatische en Noord-Afrikaansche volksdracht—ja zelfs in de Chineesche—terug te vinden is. Toch zal in ieder land dit kleedingstuk, om de eigenaardige kleur of bijzondere versiering, zijn zeer eigen cachet hebben en den drager al dadelijk van zijn mede-menschen doen onderscheiden, hem als uit dit of dat land afkomstig doen kennen.
En zoo is het met ieder onderdeel van de menschelijke kleedij, omdat ieder dezer deelen tot een paar hoofd-typen terug te voeren zouden zijn, die overal terug komen, alléén in ieder land op zeer kenmerkende, onderscheidende wijze vervormd en versierd.