Zeeland
Men kan gerust zeggen, dat de Nederlander, die Zeeland nooit bezocht heeft, niet alleen het mooiste, maar ook het merkwaardigste deel van zijn land niet kent.
Daar waait in dit eilanden-domijn een heel andere wind dan in het overige deel van Nederland. Het is alsof men daar in een heel andere cultuur-staat verplaatst wordt, het is anders dan heel het overige Holland bij elkaar, het is meer algemeen menschelijk, meer natuurvol, meer inspireerend, meer tot “den mensch” sprekend dan al het andere, wat in het feitelijke Holland en in de andere provinciën het eigenlijke Hollandsche van Holland maakt.
Dat komt door het land, den bodem, door het menschen-ras en door de kleeding, die alle drie, deze buitengewone sfeer scheppen, die niet alleen eenig is voor Nederland, maar ook in dit deel van Europa zijns gelijke niet heeft. Zeeland is nog het Natuur-land in het overigens geheel “ver-civiliseerde” Holland, het is de tuin van Nederland. En de bloem uit dien tuin is Walcheren.
A. Walcheren
Welk een schoonheid. Schoonheid van land, bouwland, parken, bosschen, duinen en zee, schoonheid van oude steden, oude architectuur, schamele resten van een cultuur, zóó eigen als in geen van de andere deelen van Holland gevonden wordt, en die nog werkelijk voortleeft, ondanks de moderne tijden, ondanks dat dwars door dit eilandenrijk het wereldverkeer voortijlt. Dat is het merkwaardige van Walcheren, dat is zijn pracht, omdat het zuiver-menschelijk en natuurlijk-volmaakte wat daar te zien is, tot het gevoel van het hart, en tot het begrip van de objectieve schoonheid spreekt. En dat natuur-schoon van land en ras spiegelt zich daar in de kleedij, of omgekeerd, de bevolking componeerde zich een kleedij, waardoor zijn eigendommelijke rassenschoon zoozeer uit komt en geäccentueerd wordt.
En dat geldt niet alleen voor de vrouwen en meisjes met hun prachtige bouw, hun mooie lichaams-lijnen en fijn besneden gezichten, de donkere oogen, de prachtige armen en de mooie halzen. Maar dat geldt ook voor de mannen, die typen te zien geven vol van wereldwijsheid en menschenkennis, alsof een cultuur van geslachten oud al deze gewone boeren, die in hoofdzaak de landbouw bedrijven, hun interessante gezichten geteekend heeft.
En de kleedij is er juist op berekend om den opmerker dat alles nog meer te doen beseffen. Want zoowel de mannen-als de vrouwen-kleeding op Walcheren is hoogst eenvoudig. Moge ze vroeger rijker, kleuriger geweest zijn, zooals een paar zeer fraaie voorbeelden in het museum van Middelburg getuigen, ze was toen toch reeds wat ze nu was, niet anders dan dat wat een goede, rationeele kleeding uit haar wezen zijn moet, het middel om de persoonlijke schoonheid van het individu nog meer te doen uitkomen, te doen opmerken. En waar zou dat meer gerechtvaardigd zijn, tot mooier geheel hebben kunnen voeren dan juist op Walcheren.
De vrouwen-dracht is voor de kinderen en de volwassenen hetzelfde. Zij bestaat uit de gewone onderkleeding en een aantal rokken, waarvan de bovenste, zooals ook het van voren met een “coeurtje” uitgesneden lijfje, van zwarte stof is. Deze werd in de laatste tijden steeds dunner, zoodat de figuren van de draagsters slanker werden. Zelfs werd het corset te hulp genomen om de natuurlijke fraaie lichaamsbouw nog meer te doen uitkomen. Vroeger werd dit corset natuurlijk niet gedragen. De armen zijn bloot tot boven den elleboog. Van voren en van achter iets minder, komt de witte “beuk”, het Zeeuwsche kleedingstuk par excellence, te zien.
Deze is op Walcheren meestal wit, soms met kant en plooien, welke laatste “verfraaiïngen” toevoegsels en veranderingen van den nieuweren tijd zijn. (Zie bl. 34.)
De hoofdbedekking bestaat uit een witte ondermuts en witte boven- of trekmuts, vrij eenvoudig van model, maar bijzonder gemaakt door de eigenaardige veelvuldige kleine plooitjes, en door de gouden sieraden die aan de slapen, naast en bijna voor de oogen hangen. Het haar is op zeer bijzondere wijze gekruld, zóó, dat het van voren met een zeer regelmatige wrong (of krul) onder de muts uitkomt. (Zie bl. 34, 35, 36, 37, 38.) Om den hals, die dikwijls (vooral in den zomer) vrij laag geheel bloot is, (als de beuk wat meer naar beneden is getrokken) wordt een bloedkoralen ketting gedragen van rijen kralen, met een dikwijls zeer mooi gouden slot (van oude bewerking) van voren.
De schoenen zijn lage muilen, op het land draagt men klompen.
In den winter trotseert de gezonde Zeeuwsche de barre koude, ondanks haar steeds bloote armen, (die dan echter met zwart-wollen pols-mouwen zijn bekleed) alléén met een (meest zwart) wollen omslagdoekje van betrekkelijk zeer geringe afmeting.
Op het hoofd wordt een klein wit strooien hoedje gedragen, geboord met een kleurig (meest blauw) of zwart lint, dat in zeer bijzondere plooiïng, van achter, tot een soort roset wordt. Dit lint hangt bij de vrouwen, uit het Middelburger Ambacht, langs het hoofd, naar voren, over de borst neer. Dit hoedje verdwijnt echter hoe langer hoe meer, zooals de groote platte hoeden, die men tot voor een geslacht terug nog droeg, en die reeds geheel verdwenen zijn.
De kinderen op Walcheren, dragen aan de muts lange kanten stukken, die tot op den rug afhangen.
Dat is de kindermuts, zooals die op heel Walcheren voorkomt. Ze is ook de dracht van de vrouwen uit het Middelburger Ambacht, dat is de streek direct om de stad Middelburg heen. Deze muts is veel eenvoudiger van vorm dan de trek-muts, die de gewone Walcherensche dracht is. Ze is niet zoo fijn geplooid—kost dus veel minder van “opdoen”, maar heeft een afhangende strook van achter (zie bl. 38)—die bij de kinderen, vooral als ze klein zijn, soms tot aan het middel valt. (Zie bl. 37.)
De Middelburger-ambacht-muts wordt daarom ook door vele vrouwen uit het volk gedragen, omdat ze minder kostbaar is. (Zie bl. 38.)
Dit costume wordt op Walcheren nog zeer veel gedragen, zelfs in de steden, behalve Vlissingen, waar alle herinnering aan het oude, door de zegeningen (?) van de moderne industrie, zijn gedood.
Niets merkwaardiger dan een marktdag op Donderdag in Middelburg, voor het mooie Stadhuis of op de schilderachtige Botermarkt, waar men een gekrioel van de meest verscheidene Zeeuwsche drachten waar kan nemen. Dit is een werkelijk eenig schouwspel in dit gedeelte van Europa, omdat het niet alléén zoo bijzonder eigendommelijk is, maar tegelijk werkelijke schoonheid te zien geeft, schoonheid van menschen-ras, en buitengewone aesthetische kleedij. (Zie bl. 26.)
Vooral de kinderen zijn een lust der oogen.
Nergens ziet men kinderen met zoo mooi gevormde gestalte, zoo fijn besneden gezichtjes, zoo stijl-volle allure als op dit merkwaardige eiland. En waar men, op een of ander afgelegen dorp een school ziet uitgaan, moet het treffen, dat vele van deze kleintjes, (vooral de meisjes) een verschijnen hebben alsof het “aangekleede stadskinderen” zouden zijn, als men die qualificatie althans als een omschrijving van beschaafdheid zou willen doen gelden. Maar die “boeren” kindertjes van het platteland van Walcheren, hebben meer “cultuur” dan de stads-kinderen, want ze zijn natuurlijker. Bij hen is de mooie houding, de vriendelijkheid en de liefheid niet een gevolg van aangeleerdheid, maar ze zit in het ras, zooals ook hun geheel on-boersche schoonheid uit hun ras voortkomt. Het zijn gecultiveerde-natuur-menschen.
Walcheren bestaat eigenlijk uit twee deelen, die in de laatste eeuwen echter slechts één eiland vormen. Het land van Arnemuiden en Nieuwland, dat ten oosten van het kanaal van Walcheren ligt, heeft daarom ook een eigen kleederdracht. Deze lijkt in veel opzicht, wat de vorm aangaat, op de Zuid-Bevelandsche, en sluit zich bij deze aan.
Maar het verschil zit in de muts. (Zie bl. 40, 41.) Die kap is anders dan de Zuid-Bevelandsche en anders dan de Walcherensche. Ze is niet zoo groot als de eerste, en grooter dan de laatste, maar van achter is ze anders geplooid dan een van deze kappen, ook om den hals zit ze anders. Ze is echter buitengewoon fraai van model, zelfs voor de kinderen, die haar niet van kant, maar van battist of neteldoek dragen. (Zie bl. 42.)
Wat de kleedij van de Walcherensche boeren betreft, deze is, zooals die van de andere deelen van Zeeland nog wel eigenaardig, maar, op een paar blinkende Zeeuwsche knoopen na, en een beetje eigenaardige snit, niet veel anders dan alle boeren-drachten. Het merkwaardige ligt meer in den drager dan in zijn costume, en, door het bijzondere uiterlijk—den niet te omschrijven wereld-wijzen kop van den Zeeuwschen boer—verkrijgt zijn heele verschijning iets zeer aparts, dat toch maar voor een zeer klein deel door het costume veroorzaakt wordt.
B. Zuid-Beveland
Het Zuid-Bevelandsche costume is het rijkste van alle Zeeuwsche drachten, ofschoon het Axelsche (uit Zeeuwsch-Vlaanderen) het meest eigenaardige en bijzondere is. Het Walcherensche is ongetwijfeld het meest natuurlijke en menschelijkste.
Zeer opmerkelijk is het nogal belangrijke onderscheid dat er tusschen de Roomsche en Protestantsche drachten op het eiland bestaat, (zie bl. 44, 45), welk onderscheid het meest uit de kleedij van de vrouwen spreekt. En in hoofdzaak ligt het verschil in de muts.
De Protestanten dragen een ronde muts, d.w.z. eene waarvan de groote vleugels links en rechts van het hoofd regelmatig rond ombuigen, en zich van achter in den hals vereenigen. Daardoor moet het slot van de halsketting van voren gedragen worden.
De Roomsche vrouwen hebben daarentegen een muts, die meer vierkant van model is, althans van achter op zeer bijzondere wijze in rechthoekigen vorm bijeen is gebracht. De zij-kanten langs het hoofd vallen niet naar achter, maar in naar onder recht (vierkant) afgewerkte vleugels naar voren, zoodat den nek vrij komt en aldaar het gouden slot van de halsketting gedragen wordt. (Zie bl. 46, 47.)
Bovendien is de beuk, “hèt” beroemde Zeeuwsche kleedingstuk, bij de Roomschen rondom den hals versierd met een randje kant en kralen. De Protestanten hebben dat niet, de beuk is niet versierd. (Vergelijk bl. 46, 47, 48 met bl. 50, 51.) Een Zuid-Bevelandsch costume kan alsdus worden omschreven. (Zie bl. 43 tot en met 51.)
Over het algemeen draagt men drie rokken. De rok heet op z’n zeeuwsch “keus”, zoodat er gesproken wordt van een lief-keus, (lijf-rok), dat is een rok waaraan een lijfje vast is, en van een rand-keus, een rok waaraan, van onder, een rand bevestigd is.
Die rokken zijn ’s winters en ’s zomers verschillend van stof en van kleur.
Over die rokken komt een dof-blinkend zwart schort, van zijde of satinet.
De rokken sluiten aan den zij-kant, met haken en oogen, de plooiïngen vallen aan den zij-kant en van achter. Van voren zijn geen plooien.
Over het bovenlijf een wit katoenen hemd, daarover een hemd-rok met korten mouwen, van voren sluitend.
Daarover dragen de Protestantsche vrouwen een corset, de Roomsche daarentegen niet. De Protestantsche dragen bovendien een broek, de Roomsche vrouwen niet.
Over dit hemd-rok komt de beuk.
Dit zoo beroemde en belangrijke kleedingstuk bestaat uit twee bijna vierkante lappen, ongeveer 35 bij 45 cm. groot. Ze zijn aan den eenen kant aaneen gehecht, met een uitschulping, om den hals door te laten. Die twee vierkante stukken bedekken dus, de eene de borst, de andere den rug, ze worden vastgehouden, op de eene schouder met haakjes en oogen, van onder met banden.
De “beuk” is een kleedingstuk dat in bijna alle Nederlandsche nationale drachten een voorname rol speelt. In Zeeland heet het de “beuk”, maar in de andere deelen van Nederland waar het voorkomt, Volendam, Spakenburg, op de Veluwe, Staphorst enz., enz., heet ditzelfde kleedingstuk de krap-lap of kra-lap of krop-lap. De vorm wijzigt zich soms zeer, (zooals te Spakenburg), maar de idee en de bedoeling blijft steeds dezelfde.
Deze beuk wordt van gebloemd katoen of zijde gemaakt, ieder jaar van een andere stof, naar “de mode” en de nieuwe smaak, dat aangeeft, en deze wordt op den Paaschdag vertoont. Paaschen is de mode-datum.... en.... niet alléén in Zeeland.
De rijkdom van menig zeeuwsch meisje wordt ook naar het aantal verschillende beuken en doeken die zij heeft, afgemeten, (afgezien nog van de kap, de “stukken” en de halsketting.) Maar menige zeeuwsche schoone heeft kasten vol beuken en doeken, (soms 30 stuks en meer) waarvan erbij zijn van zeer groote kostbaarheid, omdat de duurste zijde er voor gebruikt wordt.
De kleur van deze beuken is niet te bepalen. Alle kleuren worden gebruikt, en bij de Roomschen wordt het effect nog verhoogd door de kanten en kraaltjes om den hals. (Zie bl. 46, 47, 48.)
De doek is een vierkante lap (doek), van ongeveer 1.50 meter lengte en een 1 meter breedte, die diagonaals-gewijze gevouwen wordt, zeer zorgvuldig wordt geplooid, welke plooien door spelden in bedwang gehouden worden. Deze doek wordt om de schouders omgeslagen, van voren over elkaar gelegd, en in de taille wordt ze (met spelden) vastgemaakt. Deze doek is van allerlei stof en kleur, dikwijls zelfs van fluweel, soms van zijde, door de week ook wel van katoen. (Zie bl. 46, 47, 48, 49, 50, 51.)
Aan de voeten draagt men lage schoenen van leer.
De hoofdbedekking is zeer ingewikkeld. Het haar wordt meestal kort geknipt, behalve van voren om “de krul” te maken, de haarkrul die van voren onder de muts uit, te zien komt. De kinderen dragen ponny, genaamd: “de bles”. (Zie bl. 43.) Over het haar gaat de gouden beugel van zeer bijzonderen vorm, die in twee vierkante bladen eindigt, die van voren met lijn-ornament zijn begraveerd, van achter glad. Die heele versiering heet “de stukken” en ze is altijd geheel van goud. Daarover komt de tip-muts, een wit mutsje met een plooi-kantje ringsom, een bol, en met een bandje op het hoofd gehouden. Van voren een klein kantje.
Over deze tip-muts dragen de Roomsche vrouwen een blauw-zijden-mutsje, dat alleen den bol van het hoofd bedekt. (Zie bl. 48.)
De Protestantsche hebben dit niet. Daar is dit mutsje wit, of, in den rouw, zwart.
Daarover komt dan de boven-muts, bij Roomschen zoowel als bij Protestanten. De vorm is het best op de photographie te zien. (Zie bl. 46, 51.)
De mutsen der Roomschen worden ietwat met blauwsel gestreken, die van de Protestantschen zijn wit. De eersten strijken en maken hun mutsen niet zelf, dat doet de “mutsen-opdoenster”. De laatsten strijken de mutsen zelf.
Naast de stukken, die nu onder de boven-muts uitkomen en door “de draai” in de gouden spang die hen vasthoudt, naar links en rechts van het voorhoofd uitstaan, zijn de cantille-spelden in de tip-muts gestoken. (Zie bl. 46.) Daarboven steekt men de boven-spelden, kleiner, massiever van vorm dan de opengewerkte cantille-spelden.
Dan komt daar nog de bloedkoralen halsketting en het gouden slot bij. Men draagt vijf rijen vrij groote koralen, ’s zondags zelfs zes rijen. Het slot (bij de Roomschen van achter, bij de Protestanten van voren) heeft door de week drie “oogen”, ’s zondags vijf. (Zie bl. 46, 47, 48 en bl. 50, 51.)
Al deze sieraden vertegenwoordigen dikwijls een heele waarde, zoodat het begrijpelijk is, dat zij, die eenmaal deze dracht hebben, ze in eere houden, zij die ze niet hebben, haar niet gemakkelijk aanschaffen. Maar de meeste Zuid-Bevelandsche vrouwen, zoowel Protestantschen als Roomschen, blijven die nationale kleedij tot nogtoe zeer getrouw, wat vooral bewezen wordt door het feit dat zij de jeugd, zelfs het kleinste kindje, dagelijks in die dracht tooien. (Zie bl. 43.) En dat zegt wat, als de jeugd er nog aan hecht de nationale dracht te dragen!... Dan is het voortbestaan van die dracht vooreerst gewaarborgd.
De bloote armen worden in den winter, zoowel op Walcheren als op Zuid-Beveland, tegen de koude beschermd door pols-mouwen of mitaines, die de merkwaardige naam van “Labedisten” dragen, afkomstig van den godsdienstigen dweper Jean de la Badie, die in 1666 te Middelburg predikaties hield tegen de in zijn oogen onzedige gewoonte van de vrouwen, om de armen bloot te dragen.
Zooals gezegd, wordt de Zuid-Bevelandsche dracht reeds door de zeer jonge kinderen gedragen, ook door de jongentjes. Bij de meisjes zijn dan de schorten meestal van zoogenaamd friesch bont—(met blauwe ruiten geweven katoen.) (Zie bl. 43.)
In den rouw zijn alle onderdeelen van deze kleedij, ook bij de kinderen, zwart, de vorm echter blijft steeds hetzelfde.
Ook nog is een zeer bijzondere vrouwen-dracht in Zeeland opmerkelijk, die in de oester-putten bij Ierseke gedragen wordt. Het costume bestaat dan, voor het bovenlijf en het hoofd geheel uit de gewone dracht, alléén de rokken zijn vervangen door een hooge, wijde, leeren broek met waterlaarzen. Aesthetisch werkt over ’t algemeen deze dracht niet, maar ze ontstond uit de behoeften van het bedrijf. Ze behoort dus meer tot de beroeps-drachten dan tot de nationale kleeding.
C. Zeeuwsch-Vlaanderen
In Zeeuwsch-Vlaanderen is een streek, die zich tusschen Axel, Zaamslag en Hulst uitstrekt, waar het Axelsche costume gedragen wordt. Geen meer bizarre, meer on-Hollandsche dracht dan deze, niettegenstaande haar eigenlijke constructieve deelen zeer klaarblijkelijk van zuiver Hollandsch-Zeeuwsche afkomst zijn.
Maar er zijn eenige details dermate in overdreven en geëccentueerd dat het geheel, op het eerste gezicht, zeer exotisch aandoet, en wellicht (als ik deze onderstelling wagen mag) is ontstaan onder den invloed van de madonna-beelden met hun (zie bl. 54, 55) versieringen zooals die in het nabije Vlaanderen-land in de Roomsche kerken, moge zijn opgemerkt. Zooveel is zeker, dat den indruk die deze dracht maakt, vooral als ze door kinderen en half-volwassenen gedragen wordt, die van een uitheemsch-afgodbeeld maakt, wonderlijk van vorm en kleur, maar in zeer hooge mate eigendommelijk en zeer zeker van bijzondere werking op de aesthetische verbeelding.
Deze dracht wordt in die streek nog zeer veel gedragen. De mannen-dracht is tot de gebruikelijke zwarte boeren-kleedij teruggebracht, maar die der vrouwen en kinderen is des te rijker. De algemeene constructie van dit costume komt overeen met het Zuid-Bevelandsche, dat is, het bestaat uit eenige rokken, (keuzen) waarvan de onderste twee van baai zijn, dan één van moiré, en daarover een van zwart satijn of fransch merinos.
Het bovenlijf is gekleed in het mouw-lijfje, waarvan de korte, even boven de ellebogen eindigende mouwen, geboord zijn met kant.
Dan volgt de bekende beuk en de doek.
De bijzonderheid bij deze dracht ligt hoofdzakelijk in de zeer rijke koralen-versiering aan den hals, die op de beuk, zoowel van voren als van achter is aangebracht. (Zie bl. 54, 55, 56.) Bovendien is de doek, die steeds van gebloemde, gekleurde zijde is, op zeer eigenaardige wijze met groote punten op de schouders opgeplooid. Deze punten, die naast het hoofd naar boven steken, worden in de doek gehouden door stijfpapieren opvulsels. Daarbij komt, dat de boezelaar eveneens van kleurige gebloemde zijde is, en bovendien van voren in de taille een groote strik van breede zijden linten, rijk met kleurige bloemen versierd, gedragen wordt. (Zie bl. 54, 56.)
Voeg daarbij de koralen ketting met gouden slot (van voren) en eenige gouden kettingen en broches (spelden) waarvan de voornaamste de groote zijden strik in de taille vasthecht. Het geheel krijgt daardoor dat zeer rijke, kleurige en zonderlinge uiterlijk wat de Axelsche dracht van alle andere nederlandsche drachten onderscheidt, zoowel door vorm als door kleur. (Zie bl. 54, 55, 56.) Opmerkelijk is, dat de hoofdbedekking bij zooveel rijkdom van de lichaams-kleeding, zeer eenvoudig is. Niets dan een witte onder-muts en een kanten over (trek) muts, en lange gouden spelden en krullen, alles vrij nauw aan het hoofd aansluitend.
De tegenstelling in deze met het Zuid-Bevelandsche costume is zeer groot, waar de aandacht vooral getrokken wordt door de groote kanten kappen, zij het dan ook dat de afmeting van die kappen in de laatste kwart eeuw aanmerkelijk is toegenomen. Het Axelsche costume wordt in dit deel van Zeeuwsch-Vlaanderen slechts door de Protestanten gedragen; de Roomschen gaan in gewone burger-dracht, d.w.z. niet in nationaal costume.
In het westelijk deel van Zeeuwsch-Vlaanderen, vindt men nog een merkwaardige rest van een oude dracht, te Breskens, tegenover Vlissingen. Daar bestaat het costume (van de vrouwen) in een soort cornet-muts met ornament van bijzonderen aard (roset-vorming). De rest van het costume is een ouderwetsch jak, dat tot aan de knieën rijkt, over een zeer wijd geplooide rok en schort. Dit jak, rok en schort zijn (meest) allen van dezelfde kleur—bruin, grijs of zwart—en van een (meest) glimmende stof (zijden, satijn, satinet) of van katoen.
Het geheel van dit costume maakt meer een ouderwetsche (Overijselsche) indruk, uit de periode 1830–60, dan van een werkelijk nationale Zeeuwsche dracht.
In de nabije en oud-tijds zoo belangrijke vestingstad Sluis zijn wel een paar zeer mooie oude gebouwen uit de vervlogen glorie-tijd overgebleven, maar van een nationale kleedij is er geen spoor.
D. Noord-Beveland
Ten slotte bieden de Noord-Zeeuwsche eilanden een bijzonder type van nationale dracht in het Noord-Bevelander costume, dat ook op Tholen, Schouwen, Duiveland en de Zuid-Hollandsche eilanden nog gedragen wordt, ofschoon in eenigszins anderen vorm.
De mannen hebben op die eilanden geen eigen dracht meer, en voor de vrouwen bestaat dat alléén uit een zeer omvangrijke en lange flodder-muts, die over een witte onder-muts, soms ook zonder deze, gedragen wordt, met de bekende gouden kurke-trekkers (krullen) aan de slapen, en een zeer bijzondere wijze van haar-dracht over het voorhoofd. Twee kunstig gedraaide krullen komen onder de muts uit, in een vorm, die doet denken aan een slakkenhuis. Deze muts rijkt, in Noord-Beveland, op den rug, tot in de taille, en plooit direct aan de slapen breed uit. Ze is voor het grootste deel van zeer fijne tule of kant, met een breeden geornamenteerden rand.
De mutsen op de andere eilanden hebben ongeveer denzelfden vorm, maar zijn kleiner. (Zie Zuid-Holland.)