F. Wat werd en wordt er voor de instandhouding, de belangen en de kennis van de Nederlandsche nationale kleederdrachten gedaan
Ten laatste moge hier nog een korte beschouwing volgen over wat er voor onze zoo beroemde Nederlandsche volksdrachten gedaan werd.
In de meeste landen waar eveneens zoo’n belangrijk monument uit het verleden, als wij in onze nationale drachten hebben, is overgebleven, en dat bovendien een monument is, in zich zelf zoo merkwaardig, en dat zóóveel tot de waardeering van ons Hollandsche land, vooral bij den vreemdeling, heeft bijgedragen, wordt van overheidswege alles in het werk gesteld om die volkseigenheid te bestudeeren, te doen voortduren, en ze op allerlei wijze te beschermen.
In Nederland evenwel, de liberale leuze getrouw van “laisser faire, laisser aller”, een land, waar tengevolge van die idee kunst geen regeeringszaak is en dus niet beschermd wordt, werd en wordt “officieel” nog niets voor die nationale kleedij gedaan. Alle pogingen in deze ten goede, gingen en gaan uit van particulieren.
De verzameling poppen, die tot September 1916 in het Rijks Museum op zijn eigenlijke plaats was, werd door particulier initiatief, door particulier geld bijeengebracht. Ook was het zoo met de verzamelingen in de provinciën, waar zich particulieren, vereenigingen of genootschappen te werk stelden. En deze laatsten hebben zeer goed werk gedaan. Maar de regeering deed niets. Ook dat moge een van de vele factoren zijn, dat de nationale drachten in Nederland, om ’t zoo te zeggen, aan zich zelf overgelaten, zoodanig vervormd, veranderd en “gehavend” werden, en per slot geheel zullen verdwijnen, omdat het dragen er van niet van hooger hand werd aangemoedigd, of op een of andere wijze beloond. De pogingen die in dezen van privé-personen en vereenigingen uitgaan, kunnen echter nooit dat gezag en die overtuigende ernst hebben, die een lands-bestuur aan zijn verordeningen of wenschen geven kan. En al deed en doet de vereeniging Nehilennia in Middelburg ook nog zoo haar best (in een streek trouwens waar ’t nog niet zoo heel erg noodig is) deze en dergelijke vereenigingen zullen toch niet bij machte zijn met goed gevolg tegen de wassende wansmaak en vooroordeelen van de zoogenaamde stads-beschaving te strijden.
Een van de beste middelen in deze echter, wordt wel door die Zeeuwsche vereeniging toegepast. Zij speculeert op de ijdelheid van de dragers (meer speciaal van de draagsters) van het nationaal costume. Geen beter middel had zij kunnen bedenken, dan eenige personen in nationale dracht, en daarna diezelfde personen (eenige kinderen) in stads-kleedij te laten photographeeren, Het onderscheid is zóó sterk, dat het de meest van smaak ontbloote mensch treffen moet. Het is, om ’t zoo te noemen, een afschrikwekkend voorbeeld. Zoo aardig en zoo geheel met een eigen cachet als die kinderen er uit zien in hun nationale dracht, zoo leelijk, zoo on-eigen, zoo onbeschaafd zien zij er uit in het “stadsch”. Waarlijk, de boerschheid komt in die kinderen dan eerst werkelijk uit als ze zoogenaamd “beschaafd”, dat is: op zijn stadsch, gekleed zijn, terwijl ze er in hun nationale dracht er heel wat minder boerachtig, minder onbeschaafd uitzien. Met het veranderen van kleeding wordt dus door de boerenbevolking juist het tegenovergestelde bereikt van wat zij bedoelt.
En dàt is het wat van overheidswege aan den volke had moeten en kunnen gedemonstreerd worden, dat het niet vernederend of verachtelijk is om de nationale kleedij te dragen, dat ze niet leelijk, niet onbeschaafd is en niet “achterlijk” maakt, maar dat juist het on-oordeelkundig en smakeloos dragen van de moderne stads-kleedij de dragers en draagsters belachelijk en leelijk maakt. Indien dit aan het volk gedemonstreerd was geworden, zou dit aanschouwelijk onderricht van zeer veel invloed op de nationale drachten gebleken zijn.
Want, vooral bij de vrouwen is de indruk, die zij in hun costuum maken, toch nog maar altijd de hoofdzaak. En die ijdelheidsfactor komt de nationale dracht ten goede. Vooral de mooiste, natuurlijkste en meest rationeele drachten, zooals de Friesche en de Zeeuwsche. Zoolang de vrouwen zelf zullen blijven inzien dat die kappen en mutsen van kant, die gouden sieraden, die keurig geplooide doeken en kleurige beuken, die korte mouwen en lage-halsjes-dracht haar goed kleedt, flatteert;.... en zoolang er mannen zullen zijn, die deze schoonheid zullen opmerken.... en het de vrouwen zullen zeggen.... zal de nationale dracht in eere blijven.
Het bewijs wordt immers reeds door de praktijk geleverd. Geen dame die in Middelburg of Goes gaat logeeren verzuimt het zich in de “zoo flatteerende” Zeeuwsche dracht te doen photographeeren. En, indien een Friesch meisje al de fijnheid en de ingeboren aristocratische allure van haar ras op het voordeeligst wil doen uitkomen.... dan zet ze een oorijzer op, met een fijne kap en de diamanten speld op het voorhoofd, dan doet ze kleurigzijden jurken aan, het prachtige kanten schortje voor, en witte kousen met lage schoentjes aan.
De nationale dracht vindt op die wijze een beschermster in zich zelf en in “de vrouw.”
Maar wat haar het meest ten nadeel komt, is dat ze kunstmatig in het leven wordt gehouden ten bate van het vreemdelingenverkeer. Dan verlaagt ze zich in haar dragers en draagsters tot bedelende comedianten.
En, omdat dit door buitenlanders reeds zeer duidelijk is opgemerkt, heeft dit soort propaganda van de nationale kleedij, die nationale drachten zelf, haar dragers en ook heel Nederland, in het buitenland zeer veel kwaad gedaan. Er zou van overheidswege tegen geageerd moeten worden.
Want met de gebruikelijke onkunde omtrent de Nederlandsche geschiedenis en aardrijkskunde, die in het buitenland zelfs onder de meest ontwikkelde standen heerscht, heeft deze verkeerde “reclame” tot de meest onwelwillende uitleggingen aanleiding gegeven.
Zoo werd mij in Amerika’s hoofdstad, Washington D. C., door een dame, een kunst-kritieken-schrijfster, verweten, dat het Nederlandsche volk het bedel-eiland Marken, tot een schande voor heel de Hollandsche natie “in stand hield”. Volgens haar was dat eiland, met huizen, bewoners en kleedij en al, opzettelijk gemaakt om het den vreemdelingen lastig te maken met bedelarijen. Men moge, in Nederland, zeggen dat die dame niet zeer goed op de hoogte was, maar dat verhelpt de zaak niet. Dat exploiteeren van de nationale kleederdracht als vreemdelingen trekkende curiositeit kan niet anders dan tot misbruiken, en tot de daarbij behoorende misvattingen bij den vreemdeling, leiden. En op die wijze zouden de nationale kleederdrachten een middel worden om Nederland in het buitenland, evenals Italië, den naam te bezorgen, dat het zijn oude monumenten alléén exploiteert als middel om “te bedelen”.
Maar er is iets anders. Dat wat het meest voor de nationale kleederdrachten noodig was, nog steeds het meest noodig is, zoowel voor tijdgenooten, landgenooten, en vreemdelingen, voor heden en vooral voor de toekomst, dat is een volledige afbeelding en beschrijving van die drachten. En het blijkt, dat een particulier zich daar niet toe zetten kan, tenzij hij een klein fortuin en een belangrijk aantal jaren en zeer veel moeiten aan deze inventariseering ten koste legt. Waar de regeering, de gemeenschap in dezen niet het initiatief neemt en royaal (dat is de eenige goede en mogelijke manier) dit werk zelf ter hand neemt of aan een persoon opdraagt, daar zullen de nationale drachten tevergeefs op den rijken, maar tegelijk kundigen dolenden ridder wachten, die zijn geld, tijd en inzicht geven wil om de schoonheid van deze stervende princes.... zooals men met een beetje goeden wil de nationale kleederdrachten van Nederland metaphorisch noemen kan, in woord en beeld aan het nageslacht over te dragen....
Of zal die officieele en particuliere belangstelling en dat initiatief.... echt Hollandsch, ook weer zoo lang op zich laten wachten, totdat het te boek stellen van al die gegevens..... niet meer mogelijk zal zijn!....