Utrecht
In Utrecht is alléén iets van de nationale kleedij over, in de streken die aan het Gooi en Gelderland grenzen. De groote streek waar nog de nationale dracht in eere is, en die zich langs de kust van de Zuiderzee van Staphorst tot Huizen uitstrekt, gaat ook over de noord-oostelijke hoek van de provincie Utrecht. Daar vindt men dan ook in Soest en omgeving, Hoogeland, en vooral in Spakenburg en Bunschoten nog zeer belangrijke resten van de oude kleedij.
Soest en Hoogeland (zie bl. 25) sluiten zich bij Laren aan, en vormen een groep apart, waar de zoogenaamde vierkante muts (zie bl. 26) het voornaamste kenmerk van is. Overigens is de kleedij met omslagdoeken in (soms) kleurige zijden, en de gouden (kruize) kettingen ongeveer gelijk aan wat men in Laren ziet. Maar opmerkelijk en zeer bijzonder is de dracht in Spakenburg.
Spakenburg
Die twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, liggen als een eiland in een wijd plat uitgestrekte landstreek, bijna zonder boomen, zich tusschen Nijkerk en Eemnes uitstrekkend, de Eem-vlakte, ten noorden begrensd door de zee, ten zuiden door het land en de bosschen van Baarn, links door het Gooi en rechts door de zandgronden van Gelderland. In die kale uitgestrektheid, tegen den zeedijk, ligt het oude visscherdorp Spakenburg, waar de traditie van de oude kleederdracht nog zoo fraai is bewaard gebleven.
In hoofdzaak zijn het wèliswaar de vrouwen en kinderen wier kleeding belangrijk is, maar toch ook hebben de mannen nog niet geheel hun oude dracht vergeten, welke—wat zeer begrijpelijk is—zeer aan die van Marken, Urk en Volendam doet denken, ofschoon veel minder dan de dracht die de mannen van Huizen dragen.
De vrouwen-kleeding geeft, op het eerste gezicht, het meest den indruk van die van Marken, voornamelijk omdat ze zoo kleurig is. Maar het blijkt dat ze, wat constructie betreft, zich toch geheel bij de drachten van de Zuiderzee-kust aansluit, zoowel wat de lijfs-kleeding als de muts aangaat.
Opgemerkt dient, dat de twee dorpen, Bunschoten en Spakenburg, één geheel vormen, en dat de drachten en de huizen daar volkomen gelijk zijn. Spakenburg is het visschersdorp dat met een kanaaltje van een paar honderd meter met Bunschoten, dat meer in het land ligt, verbonden is.
De dracht van een Spakenburgsche (of Bunschotensche) kan aldus omschreven worden: (Zie bl. 27, 28, 29.)
Het haar wordt opgestoken, met een zwart bandje vastgebonden, dat van boven het voorhoofd tot onder het achterhoofd gaat. Daarover komt de zwarte ondermuts, daarover de witte gehaakte of gebreide ondermuts, die plat tegen het hoofd aanligt, en niet uitsteekt. (Zie bl. 28, 29.) Daarover de witte kanten muts, die ietwat naar voren steekt, een randje van kant heeft, en van onder een weinig wordt omgebogen. (Zie bl. 27 en 29.) Dit soort muts lijkt op de (oorijzer) mutsen van Huizen, (zie aldaar) maar is veel kleiner, en ze lijkt eveneens op de muts van Harderwijk en Nunspeet, maar iets grooter. Het type is bijna hetzelfde. Oorijzer en belletjes worden niet gedragen. (Zie bl. 27 en 29.)
De lijfs-kleeding bestaat uit een hemd met korte mouwen, een hemdrok van zelf-gereide stof, (zie Staphorst) zwart met blauwe voering, rijkend tot het middel. Daarover den slippen-kolder, een soort buis met schootjes, geen mouwen. Onder deze kolder een witte onderdoek, om den hals. De hemdrok is voorzien van half lange mouwen, die van friesch (rood) bont zijn, en te zien blijven als de kleeding geheel voltooid is. (Zie bl. 27, 28, 29.) Daarover komt de krap-lap, in Bunschoten die van zeer bijzonder model is. Ze is korter dan gewoonlijk, gaat niet tot de taille, zooals gewoon, maar slechts tot halverwege de borst, maar ze is zeer breed, zoodat ze buiten de schouders uitsteekt, en daardoor als het ware kappen om de schouders vormt, die het geheele figuur breed en vierkant maken, en het bijzondere van de geheele dracht vormen, omdat er de aandacht zoo dadelijk door getrokken wordt. (Zie bl. 27.) Over die krap-lap, die van witte stof, (katoen) met zeer kleurige (roode) bloemen versierd, gemaakt is, komt de roode doek, de halsdoek, die niet breed uitgedragen wordt, zooals bij de andere drachten, maar stijf om den hals zit, en even smal over de borst gaat, en in de taille wordt vastgezet. Deze doek is altijd rood, van friesch bont, en wordt met spelden vastgezet. Bij de bruid is die doek wit.
De onderkleeding bestaat uit een (open) broek en een onderrok van gestreept katoen, die door de heupen, driekante kussentjes, die in de taille ter zijde worden gelegd, om de rokken te doen uitstaan, worden opgehouden. Daarover gaan twee roode baaien rokken en een gestreepte katoenen rok. ’s Zondags komt er nog, over die roode rokken, een derde bij. Daarover de zwarte plooitjes-rok, van voren glad, van achter geplooid. Door de week is deze geheel effen, zonder plooien. Ook deze rokken zijn van zelf-gebreide stof. Daarover komt de boezelaar—genaamd: de schulk, (zie Huizen, Staphorst enz.) van blauw katoen, met een “stukje” van friesch (rood) bont, het patroon ’t zelfde als van de halflange mouwen. Dit schort wordt vastgemaakt met blauwe linten.
Zeer opmerkelijk is bij deze dracht, de wijze, waarop deze rokken en boezelaar van achter worden vastgemaakt en opgehouden door een koperen haak, die aan de slippen-kolder is vastgehecht. De rokken en boezelaar worden allen op die wijze in de hoogte—om ’t zoo te zeggen—opgehangen, zoodat plooien en lijnen van de Bunschoten vrouwen-dracht, van achter, allen naar één punt (die haak), even boven de taille te samen komen, even onder de krap-lap.
Die constructie is zeer opmerkelijk.
Zeer bijzonder is ook nog het trouw-costume, dat alle jonge meisjes in voorraad schijnen te hebben, zelfs reeds vóór dat zij verloofd zijn, en waarmede zij ’s zondags naar de kerk gaan.
Het bestaat in hoofdzaak uit een jak, genaamd: het brung-jak, van meestal bruine stof, versierd met een motief van kleine appeltjes. Die stof heet dan ook appeltjes-brung.
De vorm van dat jak is zoo, dat van voren een lage uitsnijding komt, in hart-vorm, van achter vele plooien te samen komen onder twee knoopjes, die even boven de taille (tusschen de schouderbladen) zijn aangebracht.
Dit jak wordt over de gewone kleeding, met krap-lap én al, aangetrokken.
De krap-lap is dan evenwel niet stijf, en de doek, die anders altijd rood is, is bij de bruid wit.
Over dit jak wordt een zwart zijden schort gedragen, dat van achter opgebonden wordt, de band over de twee knoopjes (op den rug) gaande.
’s Zondags draagt men ook wel dit zelfde jak van koren-blauw, ook met appeltjes, en dan soms ook een wollen scholk, met bont zijden stuk en zijden linten. Door de week echter, zijn alle vrouwen (zie bl. 28) hetzelfde gekleed, met groote, wijde, witte scholk en de roode halsdoek.
De schoenen zijn zeer breede, zwart leeren pantoffel vormige sloffen, met groote, breede zilveren gespen. Door de week, draagt men meestal klompen.
De kinderen zijn eenvoudiger gekleed, ofschoon de kleur even sterk is—meestal gestemd op rood. Zij dragen een bont rokje (gekleurd katoen) en daarover een friesch bont (meest rood) scholkje.
De hoofdbedekking bestaat uit een gebreide muts van witte of donkere wol, met witte mopjes, of uit een zwarte mutse, op de wijze zooals de kinderen op de Veluwe dragen. (Zie Hierden, Nunspeet, Staphorst.) Ze heeft dezelfde vorm, bestaat uit een nauw-sluitende muts, met een dikke rand van voren, genaamd: de zwarte pluim. Aan de linkerkant van het hoofd is een strikje, aan de rechterkant een goud krapje, een gesp of ander soortige versiering.
De bevolking van deze twee dorpen is geheel gereformeerd. Katholieken of joden zijn er niet. Ook die eenheid van godsdienst—dat conservatisme—komt het voort-bestaan van deze eigenaardige dracht ten goede, zooals overal dergelijke eenheids-godsdienst-toestanden de nationale eigendommelijkheid helpen bewaren.
Bijzonder aesthetisch is deze dracht niet. De vormen die de toch al niet al te fraaie vrouwenlichamen aannemen, zijn, zooals die van Marken, houterig en log. Maar het eigendommelijke van de dracht is des te opmerkelijker.
In de andere deelen van de provincie Utrecht, is de nationale dracht zoo goed als geheel verdwenen, tenzij dat hier en daar oudere vrouwen nog een hulle dragen. Die is dan echter meestal niet van specifiek Utrechtsche vorm.