III Natuurverklaring en weerkunde
1. Uiteraard is ook de natuurverklaring van het volk hoogst gebrekkig, hoe vertrouwd het met de natuur ook zijn moge en hoe goed het de natuurverschijnselen over het algemeen waarneemt. Immers de volksempirie is hoogst onbetrouwbaar en bij onderzoek en verklaring speelt de verbeelding de voornaamste rol. Reeds de gestelde vragen zijn eigenaardig. Het volk tracht niet slechts den oorsprong der dingen te achterhalen door te vragen: vanwaar komt de aarde, de zon, de maan, de mensch, vanwaar boomen en planten, bergen en rivieren, ziekten en dood? Maar met een weetgierigheid als die van het kind, dat ons door zijn vragen verveelt, stelt het vragen, die ons volstrekt onzinnig lijken: hoe komt het, dat het vuur ons dient, de eik getande bladeren heeft, de koekoek zijn eigen naam roept, de kruisbessen stekels hebben, de kraai zwart is, de pad roode oogen heeft, de vleermuis en de uil zich over dag schuil houden, het heidekruid een rossige kleur heeft, de hazenlip gespleten is?
Maar eigenaardiger nog dan de vraag is het antwoord, dat nl. zoo goed als steeds den vorm van sprookjes, sagen en legenden aanneemt. Wij spreken dan van natuurverklarende sprookjes enz.; en deze vindt men niet alleen bij volken met lage kultuur, maar ook daar, waar de mensch door het voltooien der behoeften en betrekkingen zijner natuur zich tot een bovenkultuur heeft opgewerkt. Het ongeoefende denken vermag nimmer een strikt wetenschappelijk antwoord te geven; een sprookjesverklaring is makkelijker gevonden. Merkwaardig in deze volksverhalen is niet alleen het zoeken naar den oorsprong der dingen, maar ook de omstandigheid, dat het physieke kwaad gewoonlijk wordt voorgesteld als het gevolg van den toorn van een hooger wezen, door een misslag veroorzaakt. Zie hierover verder mijne Essays en Studiën, bl. 183, 210; Volkskunde XIII, bl. 8 vlg. Overvloediger materiaal vindt men bij O. Dähnhardt, Natursagen, zie boven; Naturgeschichtliche Volksmärchen (Leipzig 1898).
Ook in ons land vindt men zulke natuurverklarende volksverhalen te over, in het zuidelijk volksgebied echter meer dan in het noordelijk. Wij vernemen, hoe de bergen en heuvelen ontstaan zijn door oproerige reuzen, of uit zand, dat in den mond van den satan lag; want oorspronkelijk was de aarde vlak. Wij vernemen de oorzaak van het onweer: schreef men dit voorheen aan den dondergod toe, thans zegt men, dat de H. Petrus aan het kegelen is. Waarom is de zaag getand? Dat is eigenlijk duivelswerk. De satan meende aldus de menschen te plagen. Vanwaar het Hul bij Elspeet, het Solsche Gat, het Vrouwenzand bij Stavoren? Vanwaar zoo menige grillige rotsvorm, die schijnbaar een hoefindruk vertoont? Vanwaar het mannetje in de maan? In Vlaanderen, Antwerpen, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland is het een houtraper of houtdief, die ʼs Zondags of in den Kerstnacht er op uitging. Waarom is de wever zoo slecht gezien? Omdat een wever de nagels bezorgde, toen Christus gekruisigd werd; zie Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 61; Joos, Vlaamsche vertelsels, bl. 35. Doch laat ik mij beperken tot enkele natuurverklarende verhalen van dieren en planten.
Dieren. Waarom vliegt de uil alleen bij nacht? In Gelderland en Groningen vertelt men: Eens kwamen de vogels samen en zeiden: wij willen te zamen vliegen, en wie het hoogst komt, zal koning zijn. De ooievaar, de vorst der Geldersche vogels—te Groningen zegt men de gansarend—verhief zijn statige vlerken en overtrof den raaf en den koekoek vèr; het winterkoninkje was hem echter te slim af. Het was onder zijn vederen gekropen en had zich aldus mee omhoog laten heffen. En toen nu de ooievaar niet meer kon, vloog het vroolijk nog veel hooger het luchtruim in.
Maar de vogelen, verontwaardigd, zich aldus verschalkt te zien, meenden het beestje te moeten bestraffen. Het ontvluchtte hen echter in een molshoop. Toen besloten de vogelen den uil als wachter aan te stellen, omdat alleen hij bij nacht ziet. De uil waakte tot den morgenstond. Toen werd hij slaperig, en het winterkoninkje ontkwam den sluimerenden wachter en vloog lustig door het geboomte rond.
Sindsdien hebben de vogelen den uil bespot. Als hij zich bij dag laat zien, schelden zij hem uit. Daarom vliegt de uil alleen bij nacht.—
Verhalen als deze vindt men in alle werelddeelen. Hoofdoorzaak blijft, dat de uil uit de gemeenschap der vogelen gebannen werd. Sommige volken schrijven dit hieraan toe, dat hij eerst koning was, maar om zijn wreedheid werd verdreven; weer andere, dat hij den leeuwerik bedroog en nu bang voor hem is.
Het verhaal van het winterkoninkje en den uil is ook in België algemeen verspreid, zooals De Mont en De Cock, Joos, Cornelissen en Verliet ons mededeelen. Daar dient het ook als naamverklaring van “koninksken” en “koninksvogelken”, terwijl de Geldersche lezing het geroep van het winterkoninkje verklaart. Want boven den ooievaar gekomen, riep het beestje: “Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!” Maar de katuil roept nog altijd klagend: “Er-oêt, er-oêt!” Een Fransch sprookje zegt, dat de uil “hu-hu-hu-hu” roept van de kou.
Ons sprookje is niet zuiver natuurverklarend. Het eerste gedeelte verhaalt den wedstrijd tusschen twee dieren, die overoud is, en behalve in Europa, in Afrika, Amerika en Oost-Azië wordt aangetroffen. Volgens Dähnhardt moet de Aesopische fabel van den haas en de schildpad als de oorvorm worden beschouwd. Deze wedstrijd wordt verhaald in drie hoofdvormen: 1. De haas verlaat zich op zijn slanke beenen en legt zich te slapen aan den weg; maar de schildpad loopt zonder ophouden en erlangt de overwinning der volharding over de traagheid.—2. De schildpad (slak, egel) overwint den haas (olifant, struis, ree, tijger) door bedrog, door verscheiden verwante dieren onderweg op te stellen, die op de vraag: “Schildpad, waar ben je?” moeten antwoorden: “Hier!”—3. Een klein dier, dat zich aan den staart van den tegenstander vastklampt of zich onder zijn veeren verbergt, overwint. In Afrika zijn deze dieren: wild zwijn en kameleon, of ook leeuw en kikvorsen; op de Fidschi-eilanden: vlinder en kraanvogel; in Annam: schildpad en tijger; in de Westaziatisch-Europeesche groep: vos en kreeft,of kikvorsen en slak. Bij een soortgelijk verhaal uit Zuid-Holland (Maasland) voegt zich het eigenaardige motief, ook in Frankrijk en België niet onbekend, dat de kikvorsch bij aankomst de poort gesloten vindt. Maar de slak kruipt er eenvoudig over heen. Te Maasland kent men ook het verhaal van het wedvliegen, maar vervangt er het winterkoninkje door het klein-jantje of boomsluipertje. De ooievaar blijft in dit waterland natuurlijk gehandhaafd. In Lapland, Finland en Zweden verhaalt men van het wedzwemmen van visschen, en ook in Vlaanderen is deze vorm niet onbekend. Zoo weet men b.v. te verhalen, dat de schol en de panharing een weddenschap aangingen, wie het snelst kon zwemmen. De schol repte zich, wat zij kon. De kleine panharing daarentegen vermoeide zich niet, maar zwom zoo gestadig, dat de schol ten slotte achterbleef. Toen nu de haring haar voorbijschoot, meende de schol te barsten van nijd. Zij beproefde een list en begon te roepen: “Panharing! panharing!” en zoo lang schreeuwde zij, tot haar muil krom getrokken was: daarom heeft de schol een scheven muil. Hier treedt het verhaal dus weer in dienst der natuurverklaring. Zie De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 97 vlg.; Boekenoogen, in Volkskunde XV, bl. 72 vlg.; Cornelissen en Vervliet, Vlaamsche Volksvertelsels, bl. 224.
Waarom roept de duif: “Rookoe, rookoe?”
De ekster wilde een nest leeren bouwen en vroeg de duif om raad. Deze had echter niet veel lust, van haar wetenschap mee te deelen. Maar de ekster beloofde haar een roode koe, en nu willigde de duif in. De ekster leerde het spoedig, maar weigerde de roode koe te geven. En daarom roept de duif voortdurend: “Rookoe, rookoe”: Driem. Bladen I, bl. 71. Wij hebben hier te doen met een geliefkoosd thema. De dieren beloven, borgen, ruilen en handelen als de menschen, en bedriegen en worden bedrogen als zij. Vooral ook de primitieve ruilhandel speelt een groote rol. Zoo verklaart het volk ook gaarne de ongelijkheid in de uiterlijke verschijning van twee dieren, die zijns inziens eigenlijk niets op elkaar moesten voor hebben: waarom de pauw leelijke pooten, de haas lange ooren, de koe hoorns heeft. De dieren, die een staart missen, hebben hem geleend en niet terug gekregen.
Waarom is de schol plat?
Adam hield veel van visch, verhaalt men in Friesland. Eens had hij een menigte visschen gevangen en op den oever neergelegd. Toen hij nu bezig was, de visschen bijeen te verzamelen, kwam hij te vallen, want de grond was glad van het slijm der visschen. Hij viel met zijn achterdeel midden op een schol, die daardoor geheel plat werd. Adam had een broek met nopjes aan, daardoor kreeg de schol vlekjes op de huid, zooals men die tot heden toe er nog op ziet. En de schol is sedert ook altijd plat gebleven: Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 137.
Waarom heeft de schelvisch twee bruine vlekken?
Toen Sint Pieter eens in het Galileesche meer schelvisschen ving, gebeurde het, dat hij een, die niet in den emmer ging, met duim en wijsvinger beetpakte. De indrukken der vingers zijn nog steeds zichtbaar.
Waarom lijkt de mier half doorgebroken?
Een herder zette zich eens bij toeval op een mierennest. De mier ging klagen bij God en nam de spin tot getuige. Maar deze beweerde, dat het niet met opzet gebeurde. Toen werd God boos en sloeg de mier met het zwaard midden door.—
Ook in deze verhalen ontbreekt het komisch element veelal niet, zooals blijke uit het volgende sprookje, waar ook andere ons reeds bekende motieven een plaats vinden.
Waarom heeft de kwakkel geen staart?
De groenvink was herbergierster en hield een bierhuis langs den weg. Op Aschwoensdag hadden de kraai, de ekster en de kwakkel zich in de kerk een asschen kruisje gehaald, dat na den kerkdienst, naar zij meenden, “verdronken” moest worden. Het Leuvensch en de faro smaakten hun bij den groenvink zoo lekker, dat zij ten slotte een stuk in hun kraag kregen; maar toen het op betalen aankwam, hielden zij zich van den doove. De kwakkel, die vroeger een fraaien, langen staart had, wou de plaat poetsen, maar de bazin pakte ze bij den staart en hield de veeren in haar poot. De ekster, die eerst wit was, kwam in een kolenbak terecht; en de kraai, die voorheen evenmin zwart was, vloog door de schouw naar buiten en moest zich door het vuile roet heenwerken.
Sedert dien tijd hebben de kwakkels geen staart meer, zijn de kraaien en eksters zwart, en herhaalt de groenvink telkens: “Ik wil ʼt geld van mijn bier!” Waarop de kwakkel antwoordt: “Ge hebt het gehad, ge hebt het gehad!”
Het ontbreken van lichaamsdeelen wordt dikwijls ook zóo verklaard, dat het dier te laat kwam, toen O.L. Heer de staarten, horens enz. verdeelde.—Toen de vogels gekleurd werden, verhaalt een Westvlaamsch sprookje, en O.L. Heer bij den distelvink kwam, was Hij al zijn verven kwijt. Daar stond nu het arme vogelken te klagen en te jammeren, zoo dat Ons Heer deernis met het beestje kreeg. Hij ging nu van vogel tot vogel, nam van elks veeren een ziertjen af en schilderde dat op de veeren van het distelvinkje.
Maar ik mag ook het fraaie sprookje van het roodborstje niet onvermeld laten.
Toen O.L. Heer vol pijnen en tormenten aan Zijn kruis hing, zat een klein vogeltje op den rand van zijn nest vol medelijden naar zijn stervenden Schepper te turen, en bittere tranen liepen uit zijn oogskens, toen het de puntige doornen zag. Het vliegt naar het kruis, en het gelukt hem éen doorn los te pikken en te rukken.... Op dat oogenblik viel een droppel bloed op hem, en verfde zijn borstje rood.
Planten. Het Christelijk element treedt hier sterk op den voorgrond. De Mariadistel heeft wit-gevlekte blaren, omdat, toen Maria haar kind de borst gaf, daar een druppel melk op viel. De witte hagerozen prijken op den heester, waarover Maria op de vlucht naar Egypte de windsels van haar kind te drogen hing. Op dezen tocht hoorden Maria en Jozef eensdaags de soldaten achter zich en zij verborgen zich haastig in een gracht. Daar groeiden biezen, en de biesstengel was onbeschaamd genoeg, om het kind in ʼt oog te durven steken. De kleine Jezus gilde van pijn, maar gelukkig hoorden de soldaten het niet. Daarom werd het stekelige bies-topje vervloekt, en sedert dien is het dor en als verbrand.
En weer op dezen tocht, zoo dramatisch door het volk uitgewerkt, verleenden sommige boomen geen bescherming. Maar wel de palmboom en de treurwilg, die nog heden hun takken laten hangen, dewijl ze destijds herhaaldelijk de H. Familie als met een ringmuur omsloten tegen nakend gevaar. De hazelaar verleende beschutting tegen het onweer, en sedert dien heeft hij bliksemwerende kracht.
Hoeveel stof schenkt ook niet de Passie des Heeren! De Rosa rubiginosa heeft roode puntjes op de twijgen: die komen van ʼs Heilands bloed bij de doornenkroning. Eveneens werden de mosroos en het zevenblad rood geverfd door de bloeddruppels van Christus.
Bij Zijn dood waren alle boomen droef en stil, behalve de esch; daarom moet hij thans voortdurend ruischen en beven.
De wilgen, verhaalt men in Noord-Limburg, bersten als zij oud worden; en wel, omdat ook Judas berstte, die zich ophing aan een wilgetak.
Over de vossebessen vind ik in ons land deze twee natuurverklarende verhalen. Een vroom kluizenaar bad Maria om ooft voor de arme bergbewoners. Toen nam zij haar krans af, maakte hem los en strooide de stukken over de bergen.—Maar de weetgierigheid van het volk vroeg ook opheldering omtrent den kruisvorm der kelkblaadjes. Vandaar het verhaal, dat de duivel bij de schepping het verlof kreeg, óok een plant het aanzijn te schenken. Hij schiep nu de vossebessen, maar vervloekte ze, zoodat ieder, die de vrucht at, hem vervallen moest. God nu verhinderde dit, door op iedere vrucht een kruis te plaatsen.
Waarom heeft het viooltje geen geur?
Vroeger was het zóo welriekend, dat het koren vertrapt werd, om de bloem te plukken. Dit verdroot haar en ze bad: “Heilige Drievuldigheid, ontneem mij mijn geur!” De H. Drievuldigheid antwoordde: “Het geschiede naar uw wensch. Maar dewijl gij niet hoogmoedig zijt, zult gij mijn naam1 dragen.”
Waarom draagt de Haagwinde (Convolvulus sepium) den naam van O.L. Vrouweglazeken?2 In Vlaanderen verhaalt men:
Daar was een keer een voerman. Zijn wagen, die zwaar met wijn geladen was, zat diep in het slijk aan eenen slechten eerdeweg versteld, en nutteloos zweepte hij zijne peerden om uit den modderpoel te geraken. Alle moeite was verloren: voerman en peerden zweetten onder den last en de wagen bleef even diep verzonken. Maar Onze Lieve Vrouwe kwam daar van passe voorbij gegaan, en den nood van den armen voerman ziende, had zij er pijne mede en zij sprak tot hem:
“Ik ben moede en afgemat van gaan, en ik lijde van den dorst, geef mij wat wijn te drinken en terstond zoo maak ik uwen wagen los”.
“Zeer geern, Lieve Vrouw”, antwoordde de voerman, “maar ʼk en hebbe geen glas om er den wijn in te doen”.
Onze Vrouwe en gaf daarop geen antwoord, zij keerde heur om, en trok uit de hage een wit met rood gestreept bloemeken af, dat nog al een glazeken geleek, gaf het aan den voerman en zei:
“Schenk mij uwen wijn daarin.”
De blijde man goot het witte bloemeken boordeke vol en gaf het met eerbied aan O.L. Vrouwe.
“God zegene u”, zeide hij, “lieve Vrouwe”.
En O.L. Vrouwe ledigde het blommeke, en op den zelfsten oogenblik stond de wagen vrij en de voerman reisde voort.
ʼt Is sedert dien, dat men dat bloemeken O.L. Vrouweglazeken heet.—
Ten slotte nog het natuurverklarend sprookje van den vorm der sleutelbloem (Primula Veris), ook Sint-Pietersleutel geheeten. Ik laat het hier volgen in zijn West-Vlaamsche kleedij en vestig de aandacht van den lezer op de fijnheid van toon en de naïeveteit van lijnen.
Daar was eens een kindje gestorven. Zijn zielke, nog wit als sneeuw van onnoozelheid, vloog rechte naar den hemel en ʼt klopte er aan de deur om binnen gelaten te zijn en te gaan spelen met de engelkens, zijn broertjes.
Sint-Pieter ontsloot de deur met zijn grooten gouden sleutel en deed ze met gerreken open3; ja maar, met dat hij zag, met wien hij te doen had, trok hij de deur wat wijder open en heette het nieuwe engelken welkom in zijnen nieuwen huis. Maar, als hij de deur wederom wilde toedoen, ontsnapte de truis goudene hemelsleutels aan Sinte Pieter zijne handen en hij viel op de goudene zulle dat ʼt klonk. Maar van de zulle gletste de truis naar beneden en viel een dag of twee lang en rolde eindelinge ieverst opʼt kerkhof van een buitenparochie neder. Nauwelijks lagen de goudene sleutels tusschen ʼt gers en de blomkes van ʼt kerkhof te glinsteren, of daar schoot een schoone blomme op, eene blomme die, nog nooit op aarde gegroeid noch gebloeid hadde, waarvan de naam zelve niet en bestond.
Nu ʼt gebeurde, dat er daar ʼs anderdaags met den vroegen ochtend een weezeken kwam naar ʼt kerkhof, op ʼt graf van haar onlangs gestorvene moeder, versche bloemen strieuwelen en een vurig gebed bidden. Weldra had het weezeken die nieuwe blomme in ʼt oog, die zoo fier en zoo mooi te pronken stond; en ʼt was heel verwonderd van zulk een schoone blomme te zien, die er daags te voren niet en groeide; eene blomme, die het nog nooit van zijn leven gezien en hadde. ʼt Ging nader en bezag de blomme wat nauwkeuriger, maar wat stond het verbaasd, toen het te midden in den bloemenstruik een truis gouden sleutels zag liggen, die aan een gouden ringel geschakeld zaten en waarin het woord “Hemel” gesneden stond.
De mare van de blomme en de goudene sleutels liep seffens de parochie rond, en elders ook nog, en een ieder kwam zien naar die blomme, en het volk heette ze dʼ Hemelssleutelblomme, zoo ze nog heet.
Zie Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1906, bl. 233 vlg., 1907, bl. 170 vlg., 1909, bl. 47; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 115–124; De Cock, Natuurverklarende Sprookjes (Gerit 1912); Joos, Vertelsels I, bl. 37 vlg., Boekenoogen, Volkskunde XV, bl. 115, 116.
2. Op een eigenaardige natuurbeschouwing stoelt ook de volksweerkunde. Zij is van geslacht tot geslacht overgeleverd en mag bogen op een ervaring van vele eeuwen. Vooral landbouwers, herders, schippers en visschers, wier gestadig in aanraking komen met de natuur het waarnemingsvermogen oefende en tot dieper inzicht voerde, verrijkten en verrijken nog steeds hun sociale kringen in de allereerste plaats met den schat hunner bevindingen. Ik zeg met “den schat”, al zal de kultuurweerkunde die uitspraak niet beamen; want ook hier is de empirie weer zoo gebrekkig en hebben gevoel en fantasie zulk een ruim aandeel in de volkswaardeering! Maar het geheel, mèt zijn wetenschappelijke en artistieke bestanddeelen en eigenaardige populaire voorstellingen en begrippen, is voor ons hoogst waardevol ter bepaling van den volksgeest. Juist het populaire in deze “volkswijsheid” na te gaan, is de taak van den volkskundige. In verscheiden gevallen schijnt de volksmeening echter inderdaad te strooken met de kultuurwetenschappelijke meteorologische waarnemingen. Dit heeft vooral betrekking op sommige door het volk in den dampkring en bij de hemellichamen aangeduide verschijnselen als voorboden van depressie of bestendige heldere weersgesteldheid. Men raadplege hierover de studie van Dr. H. Ekama in het Album der Natuur, 15 Nov. 1907.
Verscheiden weerregels zijn door het volk in rijm gebracht en gaan terug op Middeleeuwsche volksboeken; maar deze volksboeken zelf steunen toch weer op de overoude primaire, mondelinge overlevering. Het dichterlijke ligt echter geenszins in deze kreupelrijmpjes, maar in het dichterlijk waas, waarmee de volksgeest de dingen omgeeft. Het volk zegt niet, dat het weer gaarne verandert op 25 of 30 November of op 13 December, maar op Sint Katrijne, Sint Andries, Sinte Lucie. Ja, de heiligen worden veelal—zonder mythologischen bijsmaak!—voorgesteld als de personen, die het weer verleenen of veranderen: “Sint Michiel verbiedt den strooien hoed en de linnen kiel”;—“Sint Petrus vischt graag”;—“Sint Mathijs gooit een gloeienden steen op het ijs”;—“Sint Leendert voert de vliegen weg” (Limburg) enz.—Wil men te Venloo zeggen: “wanneer de wind uit het Westen waait”, dan luidt dit in den volksmond: “wanneer men de klokken van Blerik hoort”. Boven de formuleering: “als het met Lichtmis helder weer is”, verkiest men: “als met Lichtmis de zon op het misboek schijnt”. En zoo verder: “als ʼt Kind Jezus geboren is”;—“als een balk voor de zon ligt”;—“als de zon in een nest ligt”;—“als de lucht nog geen warmte kan verdragen”. Van het tijdperk na Driekoningen heet het, dat dan de dagen “een hanengeschrei lengen”; en van Apriltje, dat zich het epitethon “zoet” ter wille van het rijm moet laten welgevallen, zegt men teekenend, dat het “nog wel een vilten hoed geeft”. Het volk spreekt ook graag van “schaapjeswolken”:
Schaapjes aan de hemelbaan
Duiden wind en regen aan.
Sneeuwt het op Sint Maarten, dan zegt men, dat de heilige “op een schimmel komt gereden”.
Somtijds heeft het den schijn, of niet het rijm er is ter wille van het weer, maar het weer ter wille van het rijm; zoo b.v. in het bekende: Sint Andries brengt de vries, “Sint Mathijs breekt het ijs”. Maar in ieder geval wordt in de weerkunde een voorname rol gespeeld door den faktor der sympathie, een feit, dat naar ik meen, vrijwel aan de aandacht der beoordeelaars ontsnapt is. Evenals men kan spreken van een sympathetische geneeskunde (bl. 304), bestaat er een sympathetische weerkunde. Het volk ziet een symbolisch verband tusschen bepaalde verschijnselen om zich heen en de komende weersgesteldheid, alsof deze op magische wijze door bedoelde verschijnselen verwekt werd. Ik bepaal mij tot enkele voorbeelden, maar men zal deze zonder moeite kunnen vermenigvuldigen. Wanneer wilde ganzen in den vorm eener < vliegen, dan beduidt dit Vorst. Wanneer de kwartiermaan achterover ligt als in een schuitje, noemt men haar in Friesland een “sleêjager”, omdat zij een vorst voorspelt, die het ijs sterk genoeg zal maken, om er op te rijden met paard en slede.—Ruischt de wind ʼs avonds in het molenbekken, dan zal den volgenden morgen een stevige wind waaien.—Als grijze kraaien dicht bij de huizen komen, dan voorspelt dit een strengen winter.—Als de zon op Nieuwjaarsdag schittert, dan beduidt dit een jaar rijk aan visschen (de middelterm is hier het “beweeglijke” van zonnelicht en water).— De begrippen “helder” en “vuil”, in sympathetisch verband met schoon, droog weer eenerzijds, en regen anderzijds, verklaren ook menigen weerregel. Als de ooievaars vuil zijn, komt er regen; zijn zij echter zindelijk en helder, dan volgt schoon weer.— Wanneer de poes zich wascht, d.i. helder maakt, spelt zij droog weer. Maar het begrip “wasschen” kan ook de gedachte aan water opwekken, en daarom dekreteert de volkswijsheid, dat er regen komt, wanneer de ganzen zich wasschen. Ook komt er regen, als de varkens vuil zijn, d.i. met stroo aan de pooten loopen, en als de slakken een kluitje aarde kruien; maar hebben zij een grasje op den staart, dan wordt het weer goed. Likt zich de kat tegen het haar in, dan komt er onweer.—Als de zon in den kreeft staat, mag men geen erwten zaaien, anders worden zij wormstekig; men denke ter verklaring van dezen tuinmansregel, uit Duitschland overgewaaid, aan de tweevoudige beteekenis van het Duitsche Krebs (bl. 309). Rogge moet gezaaid met wassende maan, en daarenboven dient men het zaad hoog op te werpen (I, bl. 278, 279).—Is het borstbeen van de gans doorschijnend, dan beduidt dit helder weer en vorst. Ook de roode vlekken op dit been hebben hunne beteekenis: vlekken op het voorste gedeelte voorspellen vorst in den voorwinter, op het achterdeel in den nawinter. Zoo leidt men ook sympathetisch uit het weer van de eerste 12 dagen van het jaar, dus de dagen tusschen Kerstmis en Driekoningen, het weer van alle volgende maanden af. Men begint met den Kerstnacht; zooals het weder is van den avond tot middernacht, is het ook in het eerste vierde deel van Januari; van middernacht tot den morgen in het tweede; van den morgen tot den middag in het derde; en van den middag tot den avond in het laatste vierde deel van Januari. De volgende 24 uur geven het weer voor Februari enz.
Sympathetisch dient ook verklaard te worden de bekende regel, dat er regen komt, wanneer padden over den weg kruipen. Immers volgens de oude volksopvatting, die men nog in Middeleeuwsche volksboeken vindt, ontstaan de padden uit de vochtigheid van den bodem. Met padden worden nu, al is het minder vleiend, gelijk gesteld: wannenlappers, scharenslijpers enz.; immers, als een scharensliep of een gebochelde passeert, zegt men: “de schildpadden kruipen”: Driem. Bladen IX, bl. 50.
Voor een groot deel verklaart men aldus ook de beteekenis van planten en dieren in de volksweerkunde.
Bloeiende boomen tweemaal op een rij,
Zal de winter zich rekken tot Mei,
immers, een dubbele periode van bloei eischt een dubbele periode van rust.—Het knappen van stroo-en riethalmen voorspelt droog en dor weer.—Late rozen wijzen op een mooien, zachten herfst.— Harde vruchten als eikels en noten verkondigen een harden, strengen winter.
Bij de voorteekenen in de dierenwereld wordt de schifting der populaire bestanddeelen moeilijk. Mooi, helder weer werkt opwekkend niet alleen op menschen, maar ook op zoogdieren, vogels, insekten enz., terwijl een bepaalde verandering in de weersgesteldheid ook reeds eenigen tijd vooruit haar invloed schijnt te doen gelden. En dus: als de kat door ʼt huis vliegt, de koeien wild door de wei loopen, de paarden onrustig zijn, de meeuwen landinwaarts vliegen, komt regen of storm. Maar kraait de haan in alle vroegte, en zingt de zwaluw des morgens, dan wordt het weer goed. Verder:
Als de kwartel rustloos slaat,
Weet: het spoedig reegnen gaat.
Als de kikvorsch kwaakt,
Vast regen naakt.
Men dient er echter wel degelijk rekening mee te houden, dat katten, hazen, wolven, honden, paarden, raven, kraaien en uilen spook- of onweersdieren zijn, wier verschijnen of wier gedragingen dus tot de volgende weersgesteldheid in nauwe betrekking staan:
Krassen kraai en raaf verbolgen,
Weldra zal er regen volgen.
Maar de ooievaar, de geluksvogel, de heil-över, brengt een zachten winter en mèt zwaluw en leeuwerik, hoog in de lucht, mooi en helder weer.—Zooveel slagen als de kwartel in het voorjaar slaat, zooveel gulden zal de mudde rogge den volgenden winter opbrengen (Friesland).
Men dient in deze materie ook rekening te houden met het beginsel der periodiciteit, waarvolgens het weer gedurende een zeker tijdsbestek vast en onveranderlijk blijft. Zulke perioden duren meestal 7 dagen, of ook 40, het Bijbelsch getal, geheiligd door het vasten van Christus en verder door de periode van de Veertigdaagsche Vasten enz. Regent het b.v. op Hemelvaartsdag, op Sint Margriet, op Sint Jan, dan regent het nog 40 dagen, of ongeveer zes weken. Zoo ook in het bekende rijmpje:
Donder in het dorre hout
Maakt zes weken guur en koud.
De maand vormt natuurlijk ook een periode, en hierop zal ten deele wel het vertrouwen berusten in het omslaan van het weer met nieuwe maan. Verder hebben wij de periode van Kerstmis tot Driekoningen, het befaamde tijdperk der Twaalf Nachten (I, bl. 128), dat zelfs het weer voor het geheele volgende jaar aangeeft. Het jaar der oude Germanen begon immers op 25 December; vandaar:
Is op Kerstmis de hemel klaar,
Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
De eerste dag van elk tijdsbestek is beslissend. De kerkelijke Paaschtijd eindigde vroeger met Pinksteren; voor de periode van Paschen tot Pinksteren is de Eerste Paaschdag dus beslissend: “zooals de wind op Paschen waait, zoo waait hij op Pinksteren”. Ja zelfs: “zooals het zomert, zal het ook winteren”.
Ook moet het geheel van een jaar vrijwel een gelijke weersgesteldheid bieden als die van andere jaren, oordeelt het volk. Vandaar, dat aan de natuur het streven wordt toegedacht, een mogelijk te kort aan te vullen, geleden scha weer in te halen. Maar ook wordt vroegtijdige zachte weersgesteldheid door koud, onvruchtbaar weer gevolgd. Vooral bestaat een vaste verhouding tusschen de maanden Maart en April. Eindelijk hebben wij den belangrijken faktor der kritische dagen, Friesch: merkeldagen, beslissend voor het verder verloop van het weer. Zij vallen veelal omstreeks den 24en of 25en der maand, waarop allicht de datum van het Kerstfeest van invloed was, en nog meer wellicht de 25ste April, Sint Marcusdag, wanneer de voornaamste processie gehouden wordt door de velden voor het gedijen der vruchten en om onheil af te weren. Maar nog andere redenen hebben m.i. meegewerkt. Op 2 Februari, feest van O.L. Vrouwe Lichtmis, was de naam stellig niet zonder invloed. Etymologische invloed is ook waarschijnlijk bij het feest der H. Katharina (25 Nov.). Op 25 Januari, feest van Paulus Bekeering, geldt alleen de datum, zooals ik in het Eerste Deel, bl. 151, betoogde,—òf het moest zijn, dat de term “bekeering” mede op de vorming van het volksbegrip heeft ingewerkt. Men luistere naar het Duitsche rijmpje:
Wenn Paulus sich bekehrt
Mit einem Sonnenschein,
So hoffen wir ein Jahr
Sehr reich an Korn und Wein.
Wij hebben trouwens een analogon in Sint Laurentius (10 Aug.), die volgens de legende, werd omgekeerd op den gloeienden rooster. De 10e Augustus is weer een kritische dag en de volkswijsheid luidt hierbij: “Als Sint Laurentius het hoofd goed staat, houden wij mooi weer”, dus als hij het hoofd naar het licht keert. Op 27 Juni, het feest der H.H. Zevenslapers, was het getal 7 weer maatgevend: “als het dan regent, regent het 7 dagen of 7 weken aan een stuk”. Regent het op Sint Maria Magdalena (22 Juli), dan regent het 6 weken aan een stuk; zou het weenen van deze heilige hier zonder invloed geweest zijn?—
Volge nu een kort overzicht van den volks-weerkalender, tevens landbouw-kalender. Ik begin weer met Sint Maar-tensdag (n Nov.):
Zoo ʼt loof niet valt vóor Sint Martijn,
Dan zal ʼt een harde winter zijn.
Is ʼt donkere lucht op Sint Martijn,
Zoo zal ʼt een zachte winter zijn;
Maar is dien dag het weder helder,
De vorst dringt door in meenʼgen kelder.
Nevels in Sint Maartensnacht
Brengen winters kort en zacht.
Men ziet, dat Sint Martijn wel degelijk grooten invloed op het komende winterweder en, wij mogen zeggen, daardoor op het geheele jaar uitoefent.
Sint Caecilia (22 Nov.). De dag vóor Caecilia geldt bij velen als maatgevend.
Sint Katharina (25 Nov.). Als dan de zon schijnt—men denke aan de volksetymologie—houden de lange herfstregens op.
In Zuid-Limburg zegt men: “Sint Katrien wörpt de kouwe stein in de Rien”; klaarblijkelijk van Duitsche herkomst.
Sint Andries (30 Nov.) brengt de vries.
Kerstmis (25 Dec.). Groene Kerstmis, witte Paschen.
Kerstmis aan den wa
Paschen aan den brand.
Zit op Kerstmis de kraai nog in ʼt klavergroen,
Op Paschen zal zij ʼt in het sneeuwveld doen.
Is op Kerstmis de hemel klaar,
Verwacht dan vrij een vruchtbaar jaar.
Nieuwjaarsdag (1 Jan.). Is het weder helder, dan wordt het jaar goed. In Middeleeuwsche volksboeken vindt men deze, heden nog geldende, weerregels:
Oostenwind op 1 Januari brengt ziekte onder het vee;
Westenwind brengt sterfte onder de koningen;
Zuidenwind brengt besmettelijke ziekten onder de menschen;
Noordenwind brengt een vruchtbaar jaar.
Geeft Januari muggenzwerm,
Dan hoort ge in oogstmaand licht gekerm.
Knapt Januari niet van kou,
Men zit in oogstmaand in den rouw.
Als in Januari de muggen dansen, dan wordt de boer een bedelaar. In Januari ziet men liever een wolf in het veld, dan een ploeg. Het motief is dus: “alles heeft zijn gerechtigheid”: wat in Januari te veel is en buitentijds, dat moet men later bezuren; en dit motief wordt herhaald in allerlei toonaarden.
Driekoningendag (6 Jan.)
Als ʼt Driekoningen is in ʼt land,
Komt de vorst in ʼt vaderland.
Sint Antonius (17 Jan.) brengt ijs of dooi: “Sint Teunis is iês-mêker of iêsbrêker”, zegt men in Zuid-Limburg.
Sint Sebastianus (20 Jan.). Dan beginnen de boomen uit te loopen. Vriest het op Sint Antonius, dan dooit het op Sint Sebastiaan:
Maakt Sint Theunis de brök (brug),
Sint Sebastiaan sjleit ze stök.
Sint Vincentius (22 Jan.):
Vincentius met zonneschijn
Geeft veel koren en veel wijn.
Pauli Bekeering (25 Jan.), zie I, bl. 151.
Maria Lichtmis (2 Febr.). Als met Maria Lichtmis de zon op het misboek schijnt, dan kruipt de vos nog 6 weken in zijn hol.
Lichtmis donker,
Wordt de boer een jonker.
Lichtmis helder,
De boer in den kelder,
of:
Lichtmis helder en klaar
Geeft een goed ijmenjaar.
Geeft Lichtmis klaverblad,
Paschen dekt met sneeuw het pad.
Sint Pieter-in-den-Winter (22 Febr.). Vriest het dien dag, dan vriest het nog 14 (of 40) dagen.
Sint Mathias (24 Febr.) breekt het ijs, of ook: gooit een gloeienden steen op het ijs.—
Februari mist,
Hooi in de kist.
Sint Geertrui (17 Maart). Een Zuid-Limburgsch rijmpje luidt:
Sint Mathies
Wörpt eine gleuetige sjtein op ʼt iês;
Sint Gêëtruuj mit de moes 4
Hoalt um weer droes.
Maart moet 7 mooie dagen geven.
Stof in Maart
Is goud waard.
Maart
Speelt met zijn staart.
Wat Maart niet wil,
Haalt zich April.
April kent geen kritische dagen; immers:
April
Doet wat hij wil.
of:
Heeft zijn gril.
Een droge Maart en een natte April,
Dan doet de landman wat hij wil.
Maart droog en April nat
Geeft veel koren in het vat.
Danst het lammetje in Maart,
April vat hem bij den staart.
April is aan Mei de korenaar schuldig.
IJsheiligen: Sint Mamertus (11), Pancratius (12) en Servatius (13), of: Sint Pancratius, Servatius en Bonifacius (14). Deze feesten vallen omstreeks den tijd der koude meidagen, waarvoor ik verwijs naar een opstel van B. van Hage, in Vragen van den Dag XIX, bl. 23. Bedoelde daling der temperatuur wordt ook de haagdoornkoude genoemd, omdat dan gewoonlijk de haagdoorn of de meidoorn bloeit. Maar deze depressie is van korten duur, want: “Strenge heeren regeeren niet lang”. Over de groeikracht van den Meiregen sprak ik reeds I, bl. 192. Een Vlaamsche weerregel zegt:
Als de Mei is koel en wak,
Brengt zij veel koren in den zak.
Begint in Mei het koren in de aren te staan, dan kan het tegen Sint Jakob gemaaid worden; Zuid-Limburg:
Mei ore
Sint Joacop kore.
Sint Medardus (8 Juni). Regent het dezen dag, dan regent het nog 40 dagen. Vooral in Vlaanderen staat deze heilige als “regen-heilige” bekend. Maar men rekent ook met de “Zwertzusters”, 14 dagen na Paschen.
Sint Jan (24 Juni). Als met Sint Jan de linde bloeit, is tegen Sint Jacob de rogge rijp.—Vóór Sint Jan moet men om regen bidden, na Sint Jan komt hij van zelf. “Deze meening staat in verband met de werkelijkheid”, schrijft Van Hage; “zooals wij weten zijn de maanden Juli en Augustus gemiddeld de regenrijkste maanden in Nederland.”
Na Sint Jan
Neemt de zee het onweer niet meer ʼan.
(Spijkenisse op Putten).
Met Sint Jan bloeit het vlas, al is het ook maar een hand lang.
Sint Pieter (29 Juni).
Sint Pieter helder en klaar
Is een goed ijmenjaar.
Met Sint Pieter rijpt het koren dag en nacht.
Marie-Siêp (Visitatio. 2 Juli), meer bepaald in Limburg bekend, waar siêpen “druipen, druppelen” beteekent. Regent het op dezen dag, dan regent het nog 40 dagen.
Sint Margriet (20 Juli). Regent het op Sint-Margriet, dan regent het nog 6 weken aan een stuk; regent het dien dag niet, dan regent het 30 dagen niet. Maar gewoonlijk is het regenachtig: “Sint Margriet houdt haar water niet”.
Maria Magdalena (20 Juli) is, zooals gezegd, eveneens een kritische dag.
Sint Jacob (25 Juli).
Met Sint Jacob en Sint An (Anna, 26 Juli)
Is ʼt koren in de schuur of in den ban (gebonden).
Sint Dominicus (4 Aug.).
Als Sint Dominicus gloeit,
Een strenge winter bloeit.
Sint Laurentius (10 Aug.).
Sint Laurensʼ wind
Maakt de boekweit blind.
Wie knollen wil eten,
Moet Sint Laurens niet vergeten
Is ʼt weer op Maria-Hemelvaart uitgelezen,
Zoo zal ʼt den heelen herfst voortreffelijk wezen.
Sint Bartholomaeus (24 Aug.) bindt de spurrie den zak toe.
Wat Augustus niet kookt, laat September ongebraden.—Maar in September en Oktober neemt de belangstelling in het weer af. Dat ligt voor de hand. Want niet alleen vertoont het weer dan minder schommeling, maar er treedt voor den landman een rustperiode in na de groei-, bloeien oogstmaanden. Het koren en hooi is meestal binnen, de landman weet dus, wat hij van het jaar te denken heeft. De weersgesteldheid is voor hem hoogstens nog van belang met het oog op het volgende jaar, en zoo luidt het dan b.v.: “Vorst in September, een zachte December”, overeenkomstig het beginsel der gelijkmatigheid-in-doorsnede.
De eenige kritische dag is Sint Michielsdag (29 Sept.), dien men als het begin van den voorwinter beschouwt. “Sint Gilis verbuut den ȯngere en den achterȯngere”, zegt de Zuid-Limburger: dan houden de namiddagslaap en de namiddagboterham op. De zonnige dagen omstreeks dezen tijd zijn bekend als de Sint Michielszomer.
Ook in Oktober wordt de belangstelling zoo goed als uitsluitend door het nakende winterweer geboeid.
Oktober met groene blaâr
Duidt een strengen winter aan.
Oktober moet eveneens enkele mooie dagen geven, 12 in het geheel, den “kranenzomer”, daar in dien tijd de kranen overvliegen. En eindelijk op Allerheiligen (1 Nov.), of rond dien datum, mòet de zon eenige dagen schijnen, evenals zij enkele uren ter eere van Maria door de wolken moet breken op Zaterdag. Het volk spreekt van een “Allerheiligen”- of “Oudewijven-zomer.”
Wanneer op 1 November de zon schijnt, dan is een open winter te wachten; vriest het, dan is het ijs sterk op Kerstdag; en
Als het met Allerheiligen sneeuwt
Leg uw pels gereed
Met al zijn weerregels berust ons volk echter met kalme gelatenheid in Gods beschikking; immers:
De mensch maakt den kalender, maar God het weer.
en:
Alle weer is Gods weer.
Zie: Ekama en Van Hage, t.a.p.; N. L. Van Hall, Spreekwoorden enz. betreffende landbouw en weerkennis; Welters, Feesten enz., bl. 116 vlg.; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 171, XVI, bl. 228 vlg.; Van Vloten, Baker-en Kinderrijmen, bl. 91; Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 244.