Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNederlandsche VolkskundeII — Sprookjes, sagen en legenden · 20 of 28Contents›

Nederlandsche Volkskunde

by Jos. Schrijnen

20 of 28 · Contents · Download EPUB

II Sprookjes, sagen en legenden

Sprookjes, sagen en legenden zijn dichterlijke volksverhalen, die ontstaan zijn en opgroeien uit het volk en door de mondelinge volksoverlevering worden voortgeplant.

De meest dichterlijke onder deze scheppingen van den volksgeest is het sprookje. Het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal, zonder beperking van plaats, persoon of tijd. Het ontstaat in den volksmond zonder bepaalde aanleiding, enkel en alleen om der wille van zich-zelf. Het wordt geboren uit den naïeven, spontanen drang, zich te verlustigen in het spel der verbeelding. Niet onjuist heeft men het sprookje genoemd: “een anonieme schepping der volksfantasie”.

Daarentegen is de sage gebonden aan plaats, persoon of tijd; somtijds hangt zij samen met een bepaald volksgebruik. Men onderscheidt mythische sagen, aldus genoemd, omdat zij wortelen in algemeen-animistische opvattingen of in een bepaald mythologisch systeem (zie I, bl. 63); Christelijke sagen, die Christelijke figuren of tafereelen borduren op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon; en historische sagen, met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Heeft nu zulk een historische sage betrekking op de levens of de krachtdadige voorbede der heiligen, dan noemt men ze met den bijzonderen naam van legende.

Aan ruimte noch tijd gebonden zwerft het sprookje rond, raadselachtig vaak in zijn oorsprong, raadselachtig in zijn plotseling verdwijnen; nu eens geblakerd door tropischen zonnebrand, dan weer verkleumd door het striemen van de noordsche kou,—maar steeds het aanminnige, blonde volkskind, steeds de weldoende lichtfee, die hutten en paleizen met haar hemelgaven binnenzweeft. Het sprookje... verplaatst niet alreeds het verkleinwoord ons terstond naar de sfeer van het kinderlijke, naïeve, aanminnige en ongekunstelde?

Nu eens legt het de plechtwade aan van het kultuurdicht, dan weer het stralenkleed van de mythe, een ander maal den bonten lijfrok van het volkslied of het schamele plunje van het volksverhaal, maar ook dan vertoont het zich niet zonder lieflijke majesteit, zonder frissche bekoorlijkheid.

De sproke is echter niet slechts zwervelinge, niet slechts wereldburgeresse. Zij heeft óok een nationaal karakter en voegt zich geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft. En hierin ligt een bewijs voor het feit, dat het sprookje werkelijk een volksleven leidt, dat het zijn immer jeugdige levenskracht put uit het volk, dat sprookjeskunde en volkskunde hand in hand gaan.

“Daar was eens een koning en een koningin en die hadden drie dochters. De jongste, braaf en onschuldig, werd door haar vader medoogenloos tot vrouw gegeven aan een grimmig monster. Dit nu was een schoone, betooverde jongeling, die elken nacht zijn werkelijke gedaante weer aannam, maar zóo door zijn geliefde niet mocht gezien worden. Geduldig droeg de zwaarbeproefde koningsdochter haar lot; vaak echter zwichtte zij voor menschelijke zwakheid, en telkens moest ze dan haar vergrijp zwaar uitboeten. Doch eindelijk vatte zij liefde op tot haar man en op hetzelfde oogenblik wierp deze zijne gedaante van draak (leeuw, wolf, beer) af en vertoonde zich in volle schoonheid.”

Ziedaar, geachte lezer, de kern van een bekend Nederlandsch sprookje. Maar ook elders is het geen onbekende. Bij Slaven, Grieken, Albaneezen, Rumenen, Italianen, Kelten en Kalmukken kort men de avonden met gelijkluidende verhalen. Als sprookje van Amor en Psyche vinden wij het in een roman van den Romeinschen schrijver Appuleius; Raffaël bracht het op doek; Thorwaldsen en Canova belichaamden het in het kille marmer; Calderon achtte het niet te gering, om het te vereeuwigen in een Auto Sacramental. Zoo hebben ook onze Sprookjes van Moeder de Gans hun parallellen bij alle Indogermanische volken; de schurkerijen van Reintje zijn bij de Zoeloeʼs bekend; en Kaffers, Samojeden en Kalmukken scheppen behagen in vertelsels als die van Tijl Uilenspiegel en Hans den Reuzendooder.

Waar lag dan wel de bakermat dezer “anonieme scheppingen der volksfantasie”? Hoe zijn ze gevormd, wie gaf hun de gedaante, waarin zij zich thans vertoonen?

Toen de gebroeders Grimm in 1812 hun Kinder-und Hausmärchen der Deutschen in het licht gaven, deed de vergelijkende sprookjeskunde haar intrede in de wetenschappelijke wereld. Wel was hun hoofdstreven er op gericht, dezen sprookjes-schat te maken tot gemeengoed voor geheel Duitschland, maar de grootsche onderneming kon ook haar wetenschappelijk resultaat niet missen. Jammer genoeg was hun theorie al te eenzijdig. Naar hun oordeel zijn de Germaansche sprookjes de afgesleten vorm, het diamantgruis der mythen van eertijds: “das Mythische gleicht kleinen Stückchen eines zersprungenen Edelsteins, die auf dem von Gras und Blumen überwachsenen Boden zerstreut liegen”. Het sprookje weerspiegelt dus de mythologische voorstellingen en gebruiken onzer Germaansche voorouders, ja van het geheele Indogermaansche ras. Sprookjes zijn niets dan verkleurde mythen van goden of halfgoden. Taalverwantschap en stamverwantschap gaan met sprookjesverwantschap hand in hand. Hieruit volgt, dat de oorvorm onzer sprookjes behoorde tot het religieuze gemeengoed der Indogermanen.

De oorsprong der sprookjes dekt zich dus met den oorsprong der mythologie. Jacob Grimm kan op algemeen-mythologisch gebied beschouwd worden als de voorlooper van Max Müller; en zoo huldigt dan ook hij de meening der naturalistische school, dat de mythen een afspiegeling zijn van de meest indrukwekkende natuurprocessen. Het kon niet anders, of het open ondergaan der zon, het dagelijks wederkeeren van dag en nacht, de heldere sterrenhemel, de strijd tusschen licht en duisternis, tusschen zomer en winter,—dit alles moest een diepen indruk maken op den natuurmensch. Wilde hij nu zijn gewaarwordingen ten opzichte dezer natuurtafereelen aan anderen meedeelen, dan werden deze door persoonsverbeelding als menschelijke handelingen voorgesteld. Ging de zon op of onder, men zeide, dat zij geboren werd of stierf; werd ze verduisterd, dan heette het, dat zij met een ontzaglijk monster den strijd aanbond. Maar weldra ging de oorspronkelijke beteekenis der beeldspraak verloren, en nu werden de voorstellingen der natuurprocessen tot mythen, en naderhand veelal tot sprookjes. Volgens de latere natuurmythologen, die meer de animistische opvatting huldigden, stelden de Indogermanen zich de hen omringende natuur van meet af aan als bezield voor. Zoo is dan de Schoone Slaapster oorspronkelijk de in winterslaap verzonken aarde, en de prins, die haar wekt met een kus, de lentezon; zoo is de reus in Klein Duimpje de ijzige wintervorst.

In het jaar 1859 stelde de groote Sanskritist, Theod. Benfey, hoogleeraar te Göttingen, tegenover deze theorie, die de bakermat onzer sprookjes ten slotte in het Indogermaansche stamland zocht, zijne Indische hypothese. In de klassieke inleiding zijner vertaling van het Pantschatantra beweert hij, dat de bakermat der sprookjes in Indië ligt, en wel in het Indië der geschiedenis. Dáar spon de spin haar web, dat zijn draden over geheel de bewoonde wereld wierp. Eerst sedert de XIe eeuw n.Chr. zijn deze Indische sprookjes Europa binnengedrongen. In het Noorden diende het Boeddhisme als voertuig en liep de weg over Tibet, Mongolië, Siberië en Rusland; in het Zuiden ging de propaganda uit van den Islam, en deden de Perzen, Arabieren, Turken en Grieken dienst als bemiddelaars. Deze bemiddeling was hoofdzakelijk van literairen aard.

Deze hypothese trok in ruime kringen de aandacht en werd door velen gevolgd; ik noem slechts Cosquin. Het feit valt dan ook niet te loochenen, dat een groot aantal sprookjes uit Indië tot ons gekomen zijn, óok reeds door Alexander den Grooten, door de volksverhuizingen, de Tartaren. Maar anderzijds blijft het onbetwistbaar, dat er vóor het tijdperk van het historische Indië in Europa reeds tal van volksverhalen hebben bestaan. Over de prioriteit van de Grieksche, in het bijzonder der Aesopische fabels, kan worden getwist. Maar de sprookjes, die door de Homerische gedichten worden omsloten of aangeduid, maar het verhaal van Midas met de Ezelsooren kan onmogelijk aan het historische Indië zijn ontleend. Verder wordt in dit systeem de invloed der letterkunde niet weinig overschat. Het ligt in den aard der zaak, dat de letterkunde meer uit den volksmond, dan het volk uit de letterkunde overneemt. Geschreven verzamelingen oefenen op het volk slechts een zeer geringen invloed uit.

Maar het zou onbillijk zijn, Benfey eenzijdig naar de Indische hypothese te beoordeelen. Hij heeft méer gedaan. Hij heeft, en dit is voor ons van het grootste belang, het sprookje getrokken uit den dichten mythologischen nevelsluier, en het gekenmerkt als een produkt der volkskunst met mythologischen en kultuur-historischen achtergrond. Hij heeft open oog gehad voor de wisselwerking tusschen literaire en populaire traditie, en het begrip der ontleening heeft hij ter overwinning gevoerd.

Intusschen werd het vasthouden aan de Indische hypothese steeds moeilijker, steeds onhoudbaarder, naar mate men meer opvallend-overeenstemmende sprookjes ontdekte bij de meest verscheidene en verst afgelegen volken, over den geheelen aardbodem. Vooral de sprookjesschat van Amerika vroeg om oplossing. Hoe kwamen de letterkundige sprookjes van het historische Indië bij de Huarochiriʼs van Zuid-Peru? Hoe kwam de Boeddhistische Jason-mythe op Samoa? Hoe kwam het oudste ons bekende sprookje, opgeteekend ten tijde van Mozes, naar Egypte?

Bédier scheen in zijn Fabliaux (Paris 1897) een bevredigende oplossing te brengen. Zonder aan sommige sprookjes en sprookjesbestanddeelen een groote mate van autochthonie en zelfstandigheid te willen betwisten, en zonder ook het feit der ontleening in twijfel te trekken, ontkende hij slechts den overwegenden invloed van Indië, de strooming van uit éen bevoorrecht centrum, op éen gegeven tijdstip der geschiedenis. Bij alle volken kunnen sprookjes wording en wasdom verkrijgen, en zoo gebeurt het, dat van uit verschillende milieuʼs, veelal bezwaarlijk nader aan te duiden, tal van sprookjes de grenzen hunner bakermat overschrijden en zich tooien met de nationale dracht en aannemen de eigenaardige denken zegswijze van de meest onderscheiden volkeren.

Hand in hand met beschouwingen en verklaringsmethoden als deze ging een verruiming der theorie van het animisme. Men leerde het beschouwen als een primitieve wijsgeerige wereldbeschouwing, geboren uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen zich zelf en de hem omringende natuur; waarbij de kloof tusschen mensch, dier, plant en mineraal is overbrugd (I, bl. 64); terwijl men door animisme in engeren zin ging verstaan zielengeloof en doodenkultus. Maar zulk een geestestoestand doet ook allerlei opvattingen, maatschappelijke instellingen en gebruiken ontstaan, die evenzeer voor mythen-en sprookjesvorming in aanmerking komen. Hij overheerscht bij de natuurvolken, maar is ook in zekere mate bij de kultuurvolken aanwezig en kweekt daar nog steeds soortgelijke voorstellingen en gebruiken, men denke slechts aan den Vegetationsdämon bij de Germanen. Het sprookje is dus niet slechts diamantgruis, niet altijd de afgesleten vorm der mythen van eertijds. De sprookjes-telende aandrift van het volk is nimmer gedoofd en, zonder toevoeging van het religieuze moment, stond en staat de sproke naast de mythe, ja zij kan ook de embryonale vorm der mythe zijn, in zoover bij de niet-kultuurvolken de mythe zich vaak ontwikkelt uit het sprookje. De lentezon, die de aarde uit haar verstijving roept, kan het aanzijn schenken aan een zonnemythe, maar ook aan sprookjes als dat van de Schoone Slaapster in het Bosch, door den prins uit haar slaap gekust, en hetzelfde geldt voor de vertelsels van Klein Duimpje, Blauwbaard enz. En wanneer de natuurmensch bij het neerdwarrelen van de sneeuwvlokken zei, dat de goede God zijn ganzen plukte—een nog thans gangbare uitdrukking—, dan kon dit gezegde, deze voorstelling van het natuurproces, het begin eener natuurmythe zijn, maar evengoed van een sprookje, dat onafhankelijk van, zij het ook parallel mét een mythe, die in soortgelijke natuurbeschouwing wortelde, kon voortleven.

Ziedaar de uitkomsten, waartoe de voornaamste vertegenwoordigers der anthropologische school: Mannhardt, Bastian, Tylor, Andrew Lang in deze materie geraakten.

“De verrassende overeenkomst der sprookjes berust op de gemeenschappelijke denkwijze des volks, onafhankelijk van plaats en van tijd, stoelt op een overeenkomstige openbaring der volksziel”—dat is wel de formuleering, die wij aan Bastianʼs Völkergedanken verschuldigd zijn. Zoo zijn dan de groote menigte der sprookjes niet in éen land, maar op verschillende plaatsen en tijden ontstaan: een polygenesis, de zon-rijpe vrucht van den algemeen-menschelijken drang naar het wonderbaarlijke en van de algemeen-menschelijke scheppende fantasie. Jammer genoeg hebben Bastian c.s. niet voldoende rekening gehouden met het feit, dat de geestelijke eenheid van het menschelijke geslacht slechts een eenheid is van aanleg, geschiktheid en neigingen. Maar een psychische neiging gaat niet steeds, of niet steeds op eenvormige wijze, of niet steeds in denzelfden graad tot de daad over, omdat de menschelijke vrijheid tusschenbeide treedt.

De laatste theorie draagt den naam van “Finsche theorie” en wordt hoofdzakelijk verdedigd door Antti Aarne in zijn Leitfaden der vergleichenden Märchenförschung (Hamina 1913).

Aarne verwerpt de naturalistische en anthropologische theorie en keert vrij wel tot de historische opvatting terug. Voor hem is elk sprookje oorspronkelijk éen gesloten geheel, éen afgeronde vertelling, die slechts eens, op een bepaalde plaats is ontstaan. Daarin vindt men beschouwingen en gebruiken, die dagteekenen uit een vroegere kultuurperiode, maar het is onnoodig daarom het geheele sprookje tot die periode terug te brengen. De sprookjes zijn dichtwerken, gewrocht met het opzettelijk doel, de hoorders op te vroolijken door de grillige speling der fantasie; maar zij zijn niet alleen in Indië ontstaan, doch eveneens in Noorden Zuid-Europa. De varianten berusten louter op psychologische gronden: de verteller vergeet een trek, lascht aan het begin of het einde een verwanten trek in, verbindt, kontamineert verscheidene sprookjes tot een geheel. Hierbij speelt het drietal en de analogie een groote rol, een dierengeschiedenis wordt tot een menschelijk avontuur, een sprookje tot ik-vertelling, een verhaal wordt pasklaar gemaakt voor andere landen, tijden, zeden.

Hoeveel waars deze historisch-geografische methode ook bevat, wij mogen ze slechts als een korrektief van de anthropologische (of juister: ethnologische) aanvaarden. Aarne scheert de verschillende soorten van sprookjes veel te veel over éen kam. Het sprookjeslied vertoont inderdaad een vrij vasten vorm, maar soepeler is reeds het dierensprookje en het allerbeweeglijkst zijn de tooversprookjes. Men dient niet alleen open oog te hebben voor het zuiver-konstruktieve, maar ook voor het individueel-artistieke moment: in hoeverre is het sprookje een kunstprodukt, en welk aandeel hebben in de uitwerking de verteller en het luisterend publiek?

Aarne heeft vooral te weinig aandacht gewijd aan de studie der sprookjes-motieven. Natuurlijk is elk sprookje een vertelling van een bepaalde, vaste samenstelling, maar het heeft toch zijn voorgeschiedenis. Natuurlijk is het niet ontstaan door willekeurige vermenging van bepaalde motieven, maar de dichter kan toch geput hebben uit den voorraad van oud, ja zeer oud volksgoed, gangbaar in zijn omgeving. En waarom zouden die motieven niet een afzonderlijk bestaan kunnen hebben geleid? En waarom zouden enkelvoudige motieven niet op verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar, kunnen zijn ontstaan, zoodat hun aanwezigheid in meerdere sprookjes niet pleit voor verwantschap?

Slechts dan kan de overeenkomst tusschen bepaalde volksverhalen onmogelijk door het gemeenschappelijke denken en voelen van den mensch verklaard worden, wanneer het patroon, de bewerking, de bijkomende omstandigheden dermate identiek zijn, dat men een genetischen samenhang redelijker wijze niet in twijfel kan trekken.

Zoo vinden wij b.v. in de Punjâb, in Bretagne, bij de Albaneezen, moderne Grieken en Russen, een sprookje, waarin een jong man in het bezit is van een tooverring. Deze ring wordt hem ontstolen, en teruggebracht door de hulp van dankbare dieren, aan wie de jonge man weleer diensten bewezen had. Zijn vijand heeft den ring in den mond, maar de dankbare muis steekt haar staart in den neus van den dief, doet hem niezen, en zoo komt de tooverring te voorschijn.

Nu wil het mij voorkomen, dat Oskar Dähnhardt in zijn Beiträge zur vergleichenden Sagen und Märchenforschung den regel onjuist stelt, door te bepalen, dat telkens “Wanderung” moet worden aangenomen, zoodra sprookjes of sagen in meer dan éen motief overeenstemmen. De twee motieven van den tooverring en van de dankbare dieren in bovenstaand sprookje vind ik beslist onvoldoende om te besluiten tot verwantschap. Daarentegen lijkt mij het handelen van de dankbare muis dermate individueel, dat deze bijzonderheid éens voor altijd moet zijn uitgedacht. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 205 vlg.; Aug. V. Löwis of Menar, Kritisches zur vergleichenden Märchenforschung, in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXV, bl. 154; Gustav Meyer, Essays und Studiën zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin 1885) I: Zur vergleichende Märchenkunde, bl. 145–289; A. Gittée, Curiosités de la vie enfantine (Paris 1899), bl. 109 vlg.

Een trek, dien de natuurmensch met de kinderwereld gemeen heeft, is o.a. deze, dat hij in nauwere gemeenschap leeft met de dierenwereld, dat de afstand tusschen mensch en dier aanmerkelijk inkrimpt. Het lijkt in zulk een geestestoestand dan ook niet meer dan natuurlijk, dat de dieren spreken en handelen als menschen. En dit geldt niet alleen voor de huisdieren, neen, ook de dieren en vogelen des wouds en des velds deelen in die sympathie en treden in de sprookjes handelend, helpend, waarschuwend, beloonend, straffend op. Zoo ontmoeten wij muggen, vliegen, bijen, mieren, kevers en vlinders; everzwijn, vos, wolf, haan, beer, hert en ree; vrij schaarsch ezel, otter en wezel. Fabelachtige sprookjesdieren zijn de meerkat, de beruchte zeeslang—óok bekend uit onzen komkommertijd—en eveneens de zeeslang der lucht, dan de grijpvogel, die vaak als bewaker van schatten dienst doet. Het eenhoorn is het symbool van het diepe, van menschen verlaten woud. Vooral de draak is een fantasiedier, dat wel oorspronkelijk een uitbeelding is van de vurige onweerswolk. Hij vereenigt de gedaanten van slang, hagedis en vogel, ligt op den grond en hoedt de schatten met zijn vlammenden adem. Het draakmotief is dan ook ruim verspreid. Merkwaardig is het, dat ook de leeuw zoo vaak voorkomt, zonder dat persoonlijke aanschouwing mag worden verondersteld. Men vergisse zich niet, door dit feit te plaatsen op rekening van een vreemde herkomst; het geldt hier slechts den sterken indruk, door uiterlijk en levenswijze van dit koninklijk dier op de volksverbeelding gemaakt, maar enkel door de faam en de talrijke wapenschilden. Ook de adelaar kan als zoodanig worden beschouwd. Mythologische beteekenis hadden aanvankelijk naar alle waarschijnlijkheid stier, koe, paard, wolf, bok en everzwijn. De visschen zijn slechts zelden naar hun soort aangeduid; de snoek komt dan het meest voor, terwijl de dolfijn het sprookjesdier der oudheid bij uitstek was. In het volgende Vlaamsche sprookje is sprake van een goudvischje, dat echter plaatselijk door een kikvorsch vervangen wordt. Wij hebben hier de motieven van den dankbaren visch, over de geheele wereld verspreid, en van de drie wenschen, waartoe de hier geuite reeks van wenschen moet worden teruggebracht. Ik ontleen het aan Pol de Mont en Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche Wondersprookjes (Gent 1896), bl. 238.

Van Janneken Tietentater en het Vischje uit de Zee.

Er was eens een manneken en die heette Janneken Tietentater. Het ventje was doodarm, zóo arm, dat hij met zijn vrouw onder eenen mostaardpot woonde, en, om iets te eten te hebben, alle dagen naar de zee ging visschen.

Zoo, op zekeren dag, dat hij weer op de vangst uit was, ving hij een schoon goudvischken, en tot zijn groote verwondering begon het eensklaps te spreken: “Och Janneken”, zei het, “laat me toch leven, ik zal U al geven wat gij verlangt. Als gij iets wilt hebben, roep me maar”.

Zonder aarzelen wierp Janneken het wonderbare vischje terug in ʼt water en spoedde zich naar huis, om dat vreemd geval aan zijne vrouw te vertellen. Deze had al zoo dikwijls over hunne armoede geklaagd, en was dus niet weinig verheugd, toen zij dat nieuws hoorde. “Keer seffens weer naar de zee”, zegde zij, “en vraag ons een schoon huis, want dat wonen onder eenen mostaardpot staat mij al lang tegen”.

De man trok op naar het strand en riep:

“Vischken, vischken uit het water,
Kom bij Janneken Tietentater!”

Op hetzelfde oogenblik stak het goudvischje zijn kopje boven.

—“Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?” vroeg het.

—“Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje”.

—“Wat is er haar willetje dan?”

—“Ze zou zoo gaarne in een schoon, groot huis wonen, gelijk de rijke menschen”.

—“Ga naar huis, ge zult het hebben”.

Daarop keerde de visscher terug en in plaats van zijnen mostaardpot, vond hij inderdaad een prachtig huis, met een koetspoort, prachtig genoeg voor den burgemeester van eene stad! Zijne vrouw stond hem af te wachten, zoo fier als een kalkoensche haan.

“Wij wonen nu in een rijk huis”, zei ze, “dat is waar, maar het is niet gemeubeld. Ge zult dus weer bij het vischken moeten gaan en meubels vragen”.

ʼs Anderen daags trok de man nogmaals naar het zeestrand en riep:

“Vischken, vischken uit het water,
Kom bij Janneken Tietentater!”

—“Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?” vroeg het vischje dadelijk.

—“Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje”.

—“Wat is er haar willetje dan?”

—“Zij zou zoo gaarne haar huis vol schoone meubels zien”.

—“Ga naar huis, ge zult ze hebben”.

En het goudvischje had niet gelogen, want Janneken vond al de kamers van zijn huis, van onder tot boven, zoo rijkelijk gemeubeld, dat hij zijn oogen bijna niet kon gelooven. Maar zijne vrouw was niet voldaan. “Nu ontbreekt er ons nog geld”, zei ze, “we moeten immers schoon gekleed gaan, en lekker eten en drinken hebben, en eene koets met een koppel paarden. Ge moet dus terugkeeren bij het vischje, en veel geld vragen”.

Zoo ʼs anderen daags begaf de man zich weer naar het strand, en riep:

“Vischken, vischken uit het water,
Kom bij Janneken Tietentater!”

—“Wat belieft er U, Janneke mijn manneken?” vroeg het vischje weer.

—“Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje”.

—“Wat is er haar willetje dan?”

—“Ze zou gaarne veel geld hebben, om schoone kleederen te koopen, en goed eten en drinken en eene koets met twee paarden”.

—“Ga naar huis, ge zult het hebben!”

En het goudvischje had wederom de waarheid gezegd, want toen Janneken tʼhuis kwam, vond hij al de kasten en laden vol goud-en zilverstukken. Nu hadden ze geld “met de macht”, zoodat zij fijne brokjes aten, lekkeren wijn dronken en kostelijke kleederen droegen. Ook hielden zij knechten en meiden, en reden alle dagen met de koets uit. ʼt Was een koningsleven, en toch verlangde de vrouw nog meer.

“Ik zou wenschen, dat gij koning waart, en ik koningin”, zei ze op zekeren dag tot haren man, “dan zouden we de rijkste zijn van ʼt land en iedereen zou voor ons moeten bukken. Keer terug naar de zee, en vraag dat aan ʼt vischje”.

ʼs Anderen daags toog de man opnieuw naar het strand en riep:

“Vischken, vischken uit het water,
Kom bij Janneken Tietentater!”

—“Wat belieft er U, Janneken mijn manneken?” vroeg het vischje, dat weer onmiddellijk aan de oppervlakte verscheen.

—“Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje”.

—“Wat is er haar willetje dan?”

—“Ze zou gaarne koningin zijn en ik koning!”

—“Ga naar huis, ge zult het zijn”.

En van dien dag af woonden Janneken en zijne vrouw in een koninklijk paleis en overal, in de boven-en benedenzalen, blonk en schitterde alles, dat hunne oogen er van schemerden. Ze waren in ʼt goud gekleed, zaten op een gouden troon, aten uit gouden tellooren en dronken uit gouden bekers. Knechten en meiden gehoorzaamden hun als slaven en de rijkste menschen kwamen vóor hen nederbuigen. Doch, in hare hoovaardij, wilde de vrouw nog hooger klimmen en ze zei tot haar man: “We kunnen van het vischje toch alles verkrijgen, wat wij zouden wenschen; welnu, ga morgen nog eens naar de zee, en zeg aan het goudvischje, dat gij verlangt God te zijn, en ik Onze Lieve Vrouwe”.

Ja, den volgenden dag ging de man weeral naar het strand en riep:

“Vischken, vischken uit het water,
Kom bij Janneken Tietentater!”

Op éen, twee, drie, was het vischje daar weer, en vroeg:

—“Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?”

—“Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje”.

—“Wat is er haar willetje dan?”

—“Ze zou gaarne Onze Lieve Vrouw zijn, en ik God”.

En het vischje antwoordde met eene barsche stem:

“Daar is maar één—één God,
Gij zijt een zot,
Kruip weer onder uwen mostaardpot”.

En thuis vond Janneken zijne vrouw opnieuw onder den mostaardpot zitten, met eenen neus van eene el lang, en ze schreide, dat ze snikte.

(Santvliet en Wijneghem).


Het motief der Drie Wenschen vindt men nog in een sprookje van dezen naam bij Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 126, in Volkskunde XV, bl. 34: Van den smid, die niet sterven wilde, en XVII, bl. 17: Van de drie wenschen (Nederlandsche sprookjes en vertelsels, medegedeeld door G. J. Boekenoogen).—

Ook de vogels worden meestal slechts in het algemeen aangeduid; uitzondering maakt de musch: brutale huisgast, de leeuwerik: zangeres van het morgenrood, de zwaluw: geluksvogel, de nachtegaal: lenteverkondiger, de ooievaar: kinderbrenger en kindervriend; verder nog de uil, de adelaar en enkele anderen. In het hier volgende sprookje, eveneens aan de Vlaamsche Wondersprookjes ontleend (bl. 235), is slechts sprake van een vogeltje, dat zingt in de boomkruin. De booze moeder en de vogel die het uitbrengt zijn de motieven.

Van de booze Moeder en den straffenden Noteboom.

Daar waren eens twee kinderen en die heetten Janneken en Mieken. De Moeder kon Janneken niet lijden, maar Mieken zag ze doodgaarne.

Op zekeren dag zei ze tot de kinderen: “Gaat naar het bosch, om hout te rapen.” En ze gaf Mieken eene lekkere, witte boterham, terwijl Janneken niets kreeg dan eene droge snede roggebrood.

Toen de jongen en het meisje nu naar huis keerden, had Mieken schier al het doode hout alleen opgeraapt; zij had een vollen schoot, terwijl Janneken bijna niets had kunnen zamelen.

Als de Moeder dat zag, gaf zij Mieken een schoonen, blozenden appel, maar aan Janneken niemandal.

“Krijg ik nu ook geenen appel, Moederf” vroeg hij, met een droef gezicht.

—“Gij!”... riep de Moeder met een groote verontwaardiging. Doch een oogenblik daarna bedacht zij zich en zei: “Welnu, voor dezen keer, ja, ga dan maar op den zolder naar de kist, en haal er eenen appel uit.”

Maar het leelijke wijf volgde Janneken heimelijk op hare zokken, de zoldertrap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven, en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al hare macht de kist weder toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons neerviel....

Nu kapte de booze moeder haar kind in stukskens, om er soep van te koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den tuin begraven.

Als de vader ʼs middags van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar zijn Janneken was, want hij had het jongsken innig lief.

“Hij is hout rapen,” zei de vrouw.

—“... Maar wat vreemden smaak heeft die soep toch!” merkte de man na een poosje zwijgens aan, terwijl hij zijn vrouw in de oogen keek.

—“Och, wat zou het anders zijn dan een beetje aangebrand!”

Als hij gegeten had, ging de vader in zijnen tuin, en toen hij onder den noteboom kwam begon op eens een vogeltje in de kruin te zingen:

Mijn moeder heeft mij vermoord,
Mijn vader heeft mij geëten (gegeten)
En mijn zuster heeft mijnʼ beentjes alʼ
Onder den noteboom gesteken (gestoken).

En roef! daar viel met een zwaren plof een volle zak geld vóor vaders voeten neder. Dadelijk liep hij naar binnen en vertelde, wat aardig geval hem nu overkomen was.

Mieken ging ook in den tuin zien. En op den boom ging het vogelken weer aan den gang met zijn droevig liedje:

Mijn moeder heeft mij vermoord,
Mijn vader heeft mij geëten
En mijn zuster heeft mijnʼ beentjes alʼ
Onder den noteboom gesteken.

En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed vlak vóor de voeten van het meisje. Met een popelend hartje raapte zij het op en stormde er mee binnen.

Dan kwam de moeder toegeschoten, in de hoop dat er voor haar ook wel iets ten beste zou wezen. Maar nauwelijks was ditmaal het liedje ten einde of, pardaf! daar viel een zware zak met harde steenen recht op den kop der booze moeder,—zoodat zij morsdood bleef liggen. (Antwerpen).


Iets anders is het eigenlijke dierensprookje. Hier zijn de dieren veeleer uitsluitend de handelende personen, en slechts bij uitzondering wordt een mensch geduld.

Het dierensprookje is ook onderscheiden van de dierenfabel. Deze is er op uit, het menschelijke door het dierlijke uit te drukken en bevat strekking, moraal en satire. Het sprookje daarentegen moraliseert niet, althans niet oorspronkelijk, het wil slechts naïef waarnemen en trouw weergeven, wat in de dierenwereld plaats heeft. Tusschen mensch en dier loopt immers geen scherpe grenslijn, meent het volk; slechts openbaart het dier zijn eigenschappen en neigingen meer onbevangen dan de mensch. En de taal? Die bezitten de dieren evengoed, maar de mensch mist de gave, die te verstaan.

Ik geef nu een dierensprookje met het bekende verzamelmotief van een reisgezelschap, dat langzamerhand bij elkander komt, en dat men ook vindt in de Bremer Stadtmuzikanten. Het is ontleend aan de verzameling van Pol de Mont en Alfons de Cock: Dit zijn Vlaamsche Vertelsels (Gent 1898), bl. 47.

De Kerkzangers van Sinter-Goelen.

De molenaar van Zavelberg had een ezel, die in zijnen dienst stram en stijf geworden was. Nu was het beest zoo oud als de straat en deugde niet meer voor het werk. Daarom wilde zijn meester Grauwtje aan kant zetten en hem voor zijn vel verkoopen.

Toen de ezel gewaar werd, dat hij in den mulder zijn gratie niet meer stond, besloot hij de plaat te poetsen.

“Ik kan in Sinter-Goelen nog kerkzanger worden”, dacht hij; “al ben ik oud, mijne stem klinkt nog goed en helder”. En hij sloeg de Brusselsche baan in.

Als hij ʼt kasteel van den baron voorbijging, kwam hem de zwarte jachthond tegen, zoo treurig als een lijkbidder.

“Wat scheelt er u?” vroeg de ezel. “Och”, was ʼt antwoord, “omdat ik op de jacht met mijne stijve pikkels de hazen niet meer kan inhalen, loop ik hier iedereen in den weg. Van ʼs morgens tot ʼs avonds is ʼt altoos hetzelfde liedje: allo, oude rakker, van onder mijne voeten. Ge zoudt liever dood zijn dan zoo te leven”.

“Sukkelaar, waar gij verdriet in maakt!” zei de ezel. “Ga met mij mede, ik trek naar Sinter-Goelen om kerkzanger te worden. Uwe stem is nog kloek, en ʼt is een vet postje op onze dagen.”

De hond liet het zich geene tweemaal zeggen en ging met den ezel de Brusselsche baan op.

Een beetje verder, aan een leemen huizeken, zagen zij een kat aan de deur zitten met een gezicht gelijk Pietje de Dood, en haar miauw! miauw! scheen uit ʼnen grafkelder te komen.

“Wat is er met u gebeurd?” vroeg Langoor.

“Ja”, zei de poes, “vraag mij zooʼn dingen! Ik ben half blind van ouderdom, en kan bijkans geene muizen meer vangen. En ik krijg zoo luttel eten, dat ik somwijlen scheel zie van honger. Ik had nu juist een klein broksken spek gestolen, en voor zooʼn bagatel wierd ik de deur uitgesmeten en kreeg dan nog pardoef, terwijl de muizen in de schapraai mij vierkant uitlachten. Zoudt gij er niet van doodvallen?”

“Doodvallen”, zei de ezel, “toe dan. Ga met ons mede. Al zingt ge valsch, ge zult altijd goed genoeg zijn om de vespers te helpen zingen. Wij gaan naar Sinter-Goelen kerkzangers worden”.—En de kat trok mee de Brusselsche baan op.

In den valavond kwamen onze drie muziekanten aan een boerenhof. De haan kraaide zonder ophouden en zoo hard, dat de ezel hem vroeg, wat er ophanden was.

“Mijn liedje is hier bijkans uit”, zei de haan. “Een uur geleden kraaide ik ““goed weder tegen morgen””, en als de pachteres dat hoorde, riep zij tot de meid: ““de haan voorzegt goed weêr tegen morgen, ʼt zal hem een dure keer zijn. Want nu mogen wij ons kermisvolk verwachten, en meester Rookop moet in de soep”.

“Ge moet stapelzot zijn om hier te willen blijven”, zei de ezel, “als gij weet dat zij u, vandaag nog misschien, een kopje korter zullen maken. Sterven is het laatste, jongen, en iets beters dan dat is niet ver te zoeken. Kom met ons mede; wij worden kerkzangers in Sinter-Goelen; met uwe stem is daar goud te winnen!”

De haan vloog bij ʼt gezelschap, en gezamenlijk wandelden zij de Brusselsche baan op.

Tegen den avond kwamen zij aan Zoniënbosch en zagen nergens huis noch kluis. Ze moesten van den nood een deugd maken en zich tevreden houden met het logement, dat er in ʼt gras en in de bladeren te vinden was. De ezel en de hond legden zich onder ʼnen hoogen beuk; de kat klauterde in de takken en de haan vloog in den top. Eer hij zijn gemak nam om een uiltje te vangen, keek de haan, uit voorzichtigheid, eens naar alle kanten rond. En hem docht, dat hij ginder ver een flauw lichteken zag schemeren. “Daar moet een huisje zijn, en menschen”, dacht hij. En seffens vertelde hij dat nieuws aan zijne kameraden. De ezel, die er bitter weinig van hield in bosschen te slapen, stelde voor, onmiddellijk op te kramen, en recht naar dat lichtje te gaan. De anderen keurden dat voorstel goed en op éen, twee, drie, waren zij op de been.

Langzamerhand zagen zij het lichteken dichter bij komen en grooter worden, totdat zij, op den duur, vóor een klaar verlicht roovershuis stonden. De ezel, die de grootste was, ging eens door het venster kijken. “Sapperdeboeren!” zegde hij, “ze zitten hier aan een kermistafel. Er wordt gedronken en geschonken, gegeten en gesmeerd, dat het gezicht alleen mij doet watertanden. Zoo ik daaraan mijn buiksken eens mocht deugd doen”.

“Ja, dat ware een kansje voor ons”, zei de hond, “want mijn buik is zoo hol, dat hij rammelt. Maar hoe die gasten buiten gekregen?” Ze staken de koppen bijeen, om te gaar die zaak te overleggen, en op twee minuten hadden zij een plan gereed. Zij wilden de roovers eens met eene fraaie serenade vereeren.

Langoor plaatste zich met zijne voorpooten op het venster, de hond wipte op zijnen rug, de kat klauterde op den hond, en de haan ging boven op de kat haren kop zitten. Dan begonnen zij, op een teeken, muziek te maken: de ezel giegaagde, de hond baste, de kat miauwde en de haan kraaide. En al te gelijk sprongen zij door ʼt venster het huis binnen, terwijl de ruiten, rammelend, in in duizend stukskens vlogen. Ge kunt denken, wat helsch lawaai dat maakte. De dieven meenden, dat al de duivels losgelaten waren, en vluchtten bijkans dood van schrik het bosch in.

Nu zetten zich onze vier kerkzangers op hun zeventien gemakken aan tafel, en aten en dronken, dat hun buik gespannen stond gelijk eene trommel. Moe gegaan en dik gegeten, begonnen ze naar rust te trachten, maar eerst en vooral bliezen zij het licht uit. Nu koos elk de slaapplaats, die hem best beviel: de ezel leide zich op den mesthoop neer, de hond aan de achterdeur, de kat op de warme assche van den haard, en de haan vloog op de vorst van ʼt huis. En drie minuten na dien waren ze allemaal in slaap.

Intusschen was ʼt middernacht geworden. En als de roovers geen licht meer zagen of geen gerucht meer hoorden, begonnen zij zich over hunne lafhartigheid te schamen. “Wij hebben ongelijk gehad zoo gauw op den loop te gaan”, zei de kapitein, en hij zond zijnen luitenant op onderzoek uit. Deze vond alles stil en ging in de keuken om licht. Hij aanzag de vlammende kattenoogen voor gloeiende kolen en stak er een sulferstekje tegen, om zoo vuur te krijgen. Maar poesje verstond geen lachen, vloog in zijn gezicht en krabde hem links en rechts. Gij kunt peinzen, hoe de kerel verschoot. In een ommezien was hij de keuken uit en op de vlucht. Maar aan de achterdeur beet de hond hem in zijn been, en als hij den mesthoop voorbijstoof, gaf hem de ezel met zijnen achterpoot nog ʼnen fellen stamp. En de haan, door al dat geroezemoes wakker geworden, kraaide er dapper op los: koekeloerekoe! koekeloerekoe!

Jemenis menschen! hadt ge toen den dief zien loopen; een haas kon hem niet volgen. Buiten adem kwam hij bij zijne kameraden toe, en had moeite om te vertellen, wat hem voorgevallen was. “Och!” zeide hij, “in ons huis zit een kwade tooveres. Zij is op mij gevlogen en heeft met hare lange nagels heel mijn gezicht opengekrauwd; en aan de buitendeur staat een schildwacht en die heeft mij een steek in ʼt been gegeven; en wat verder ligt een zwart monster, en dat heeft mij met ʼnen ijzeren stok geslagen, dat mijn ruggebeen kraakte. En boven op het dak riep iemand: “Hou den dief! Hou den dief!” Ge kunt wel denken dat ik mij uit de voeten maakte”.

De roovers trokken men ʼn druipneus dieper het bosch in, en durfden sedert in hun huis niet meer te komen. Maar onze vier kerkzangers woonden er zoo goed en gerust, dat zij daar hun leven versleten en Sinter-Goelen Sinter-Goelen lieten. (Denderwindeke).


Men vergelijke hiermee no. XVIII van dezelfde verzameling, getiteld: De wereld vergaat, en eveneens no. XXXVI: Van den halven haan. In het sprookje van de vier reizigers, bij A. Joos, Vertelsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1889–91) no. 86, heeft het reisgezelschap met wolven te doen en niet met dieven.

De lezer herinnere zich, hoe de booze moeder het arme Janneken aan stukken sneed om er soep van te koken. Men rekent dergelijke trekken tot de ethnologische motieven, en heeft gemeend, er sporen van kannibalisme in te kunnen ontdekken. Naar het welbekende verhaal in Homerusʼ Odyssee noemt men dit het Polyfemus-motief. In een sprookje der Duizend en éen Nacht luidt het als volgt. Op zijn derde reis leed Sindbad en zijne gezellen schipbreuk, redde zich op een eiland en bereikte een prachtig paleis. Bij avond treedt er een vreeselijke reus binnen, groot als een palmboom, en midden in het voorhoofd vlamt éen enkel overgroot oog. Achtereenvolgens begint hij nu de scheepsgezellen op te peuzelen, tot eindelijk Sindbad met de negen moedigsten den slapenden cycloop met een gloeiend braadspit het oog uitboort, om dan ijlings op in der haast getimmerde vlotten het ruime sop te kiezen. Maar de reus slingert hun geweldige rotsblokken na en allen, behalve Sindbad, komen om.

In onze Nederlandsche sprookjes is dit het Klein-Duimpjes-motief geworden: de volwassenen zijn in kinderen veranderd, Duimpje (Odysseus-Sindbad) is hier de pientere jongste broeder, en de reus verliest niet het licht zijner oogen, maar slechts zijn zeven-mijlen-laarzen. Ook komt het niet tot menscheneten, want Duimpje redt zich en zijn broeders het leven. Wellicht is de woning van den menscheneter het doodenrijk, waarop ook het vereenigd voorkomen der drie lijkkleuren: wit, zwart en rood (ook tooverkleur) schijnt te wijzen. Dat zoo vaak sprake is van den jongste van 3 of 7 of 12 kinderen, wien het beschoren is, koning te worden of de bruid huiswaarts te voeren, zou wellicht kunnen wortelen in het erfrecht van den jongste in de Germaansche landen. De jongste wordt door zijn broeders dan ook niet met goede oogen aangezien, maar hij is doorgaans de slimste, zooals blijkt uit het verhaal der Twee Broeders, het oudste ons bekende sprookje, dat ten tijde van Mozes in Egypte werd opgeteekend; zie hierover mijne Essays en Studiën, bl. 216. Sommige elementen hiervan vinden wij in onze sprookjes weer: “de man, wiens hart in een voorwerp bewaard wordt”; “de sprekende koe, die den held waarschuwt voor het hem dreigend gevaar”; “de opgeworpen hinderpaal tusschen vervolgers en vervolgde”; “het sympathetische teekenen, dat de dood van den afwezigen broeder verkondigt” enz. De verhouding tusschen de twee broeders is nog dezelfde in een Friesch sprookje, welks aanhef ik hier laat volgen (Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 3 vlg.).

Van grooten Oege en kleinen Oege.

Er waren eens twee broeders, die heetten beide Oege. De een was groot en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had wel dertig koeien, kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster.

Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine man zei: “Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn buurman, die is rijk”.—De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen, maar die zei: “Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg om zelf aan den kost te komen”.—“En je buurman zegt, ge zijt een rijke boer”, zei de bedelaar.— Dit maakte den grooten domkop wrevelig, hij zei: “wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf zenden? Dat zal ik hem betaald zetten”.—In zijn dolle drift liep hij naar den weg, waar de koe van den kleinen Oege liep grazen, trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af.


Men vergelijke hiermee het begin van een door Boekenoogen, Volkskunde XIII, bl. 240, meegedeeld sprookje:

Van Grootoog en Klaainoog.

Wazʼn rais twei neefs; ain haitte Grootoog en anner Klaainoog. Zei wazʼn baaiden boer, maor Grootoog har ʼn groot spul (boerderij) en molk ʼn stuk of twaalf kôiʼn en Klaainoog was maor ʼn luddik keuterboerke en har ain kou. Nô wol ʼt ongeluk, dat Klaainoog zien kou wat aan schoensche kant was (niet in de weide wilde blijven) en nô en den ien Grootoog zien land kwam. Grootoog ging noa zien neef en zee: “As dien kou mie dat nog ainmoal weer bakt, den steek ik hom dood, doar kens dien reekʼn maor noa moakʼn”. “ʼk Ken er nait meer aan doun”, zee Klaainoog, “ʼn mensk mout doun, wat hai nait loatʼn ken.”

ʼt Hil nait lank aan, of kou kwam weer ien Grootoog zien land en Grootoog hil zien woord en stook kou dood.


In Vlaanderen (Leuven, Aerschot, Wambeek, enz.) luidt de aanhef aldus:

Van Pachter Eentand.

Er waren eens twee broeders, en die woonden nevens malkaar. De een had drie paarden, de ander maar éen enkel, en daarom werd deze pachter Eentand genaamd.

Vier dagen elke week leende Eentand zijn enkel paard aan zijnen broeder, die hem de twee andere dagen zijne drie paarden liet gebruiken.

Op zekeren dag, dat Eentand met alle vier de paarden aan ʼt werk was, riep hij, iederen keer dat er volk voorbijging: “Hu, al mijn paarden!”

Zijn broeder verbood hem zoo te spreken, maar vruchteloos. Toen dreigde hij Eentand zijn éene paard den kop in te slaan, in geval hij nog een enkelen keer “al mijn paarden” durfde roepen.

Eenige stappen verder, als Eentand volk zag afkomen, klonk het weer: “Hu, al mijne paarden!”

“Pardaf”, zei de broer, en sloeg met eenen marteel Eentandʼs paard den kop in.


Talrijk zijn ook de mythische motieven. Ik sprak reeds van het doodenrijk, dat de Oude Germanen zich dachten als het rijk van Wôdan-Odhin, als het schimmenrijk, en ook wel als gelegen in de diepte der zee. Deze verschillende opvattingen hebben hun neerslag in de sprookjesmotieven. De boomen en bloemen, die uit de aarde opgroeien, bevatten vaak de ziel van den overledene (I, bl. 65); bloemen ontspruiten ook op de graven. Op zielengeloof en doodenkultus berust verder het motief der dankbare dooden, niet zelden in den vorm van dankbare dieren, en het verlossingsmotief: de verlossing geschiedt door het oplossen van een raadsel, het beantwoorden van een vraag, het uitspreken eener formule of door standvastigheid in het gevaar. Hiertoe behoort eigenlijk ook het sprookje van Roodkapje, oorspronkelijk een door een monster verslonden, maar naderhand weer bevrijd goedaardig wezen. Van bevrijding door heldenmoed gewaagt het sprookje van Doornroosje. Al deze mythische opvattingen wortelen in den gemeenzamen bodem van het primitief-wijsgeerige animisme, dat de direkte ondergrond is van het omvangrijke motief der vormveranderingen.

De sprookjesgroep, die ons bezig houdt, noemen wij tooversprookjes in tegenstelling met de dierensprookjes. Toch worden alle min of meer met den tooverstaf aangeraakt en juist dit verleent hun de eigenaardige fantastische bekoorlijkheid. Tooverij of magie, in engeren zin, is een beslist mythisch bestanddeel, hoe dwaas het ook zijn moge, in de magie de bron der religie te willen zien. Tooverij schenkt ook de befaamde onwondbaarheid door tooverhemd, dierenvet, bad in tooverbloed enz. Zie hiervoor A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel, in Volkskunde XXIII, bl. 169.

Naar men weet heeft Laistner den droom als mythischen faktor ingevoerd; en inderdaad kunnen vele motieven als droommotieven worden beschouwd. Aldus in de sprookjes van den tooverslaap, die ons Doornroosje, Sneeuwwitje en de Zevenslapers in het geheugen roepen. Al de hoofdpersonen van deze sprookjes moeten wachten op verlossing uit den slaap; een gewaarwording, die den droomenden mensch herhaaldelijk bevangt. Talrijk zijn ook de sprookjes, waarin een droom een beslissende rol speelt, doordat hij of wel de werkelijke toekomst voorspelt, of de menschen tot ijdele hoop verleidt,—vertelt Homerus ons niet reeds van de twee droompoorten aan het paleis van den nacht? De eene is van hoorn, de andere van elpenbeen: door deze gaan de vleiende, bedriegelijke droomen, door gene de waarachtige, die ter voleinding voeren. Hiertoe behooren verder het wenschmotief, men denke aan het wensch-tafeltje met allerlei spijzen en het overbekende tafeltje-dek-je; het vergeetmotief, als in het sprookje van de Ware Bruid; het raadsel- of sfinxmotief, ons bekend uit het verhaal der koningsdochter, die slechts wilde trouwen met iemand die haar kon vastpraten, en van den koning, die geen andere vrouw tot koningin wilde nemen dan haar, die zich voor hem zou vertoonen “niet bij dag en niet bij nacht, niet gekleed en toch niet naakt, niet te voet en ook niet te paard”, zie Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, bl. 50, 68, 71; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 31, 352, 390 (een vernuftige boerendochter zette zich bij het vallen van den avond op een ezel, omhing zich met een groot vischnet, en trok zoo naar ʼt paleis); en dat van de zware, onoplosbare taak of van het labyrinth, in de Germaansche sprookjes vervangen door het groote, sombere woud.

Zoo kom ik eindelijk aan de karakter-motieven, waartoe op de allereerste plaats wel de sluwheid behoort, meestal verbonden met kleine lichaamsgestalte, als bij Klein-Duimpje, in het Groningsch Keuteldoemke, zie Volkskunde XIII, bl. 111, in het Limburgsch Duumpke-Mezuumke, wellicht ontstaan uit Duumpke-mie(n)-zeunke; zoo ook in het Geldersch verhaal van den Slimmen Jan, Volkskunde XIII, bl. 247, en van den Slimmen Schoenmaker, De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 216. Andermaal wordt de domheid tot motief, veelal verbonden met forsche, rijzige lichaamsgestalte. De domme begrijpt meestal een gegeven leer niet. Hiertoe behooren onze sprookjes van Diertien, Jan den Boer, Sterken Hans of Wolfjonk en Nog dommer dan dom. De historie van Tijl Uilespiegel wijkt slechts in zoover af, dat hij in al zijn dwaze streken een opzettelijke schalk is.—Sterkte en dapperheid, lafheid, geluk vertoonen zich zóo regelmatig, dat zij kwalijk een motief kunnen genoemd worden. Het ongeluk wordt tot motief bij den ongeluksvogel, wien alles tegenloopt. Ook de luiheid is een gewild motief, maar dan een grootsche, ekstatische luiheid, een eigenschap, die den drager begenadigt, burger te worden van het Luilekkerland! Het lange slapen is het eerste sprookjes-kenteeken dezer luiheid. De nieuwsgierigheid wordt doorgaans bestraft en hangt nauw samen met het motief van het verraden geheim, dat wij in het oude sprookje van Midas met de ezelsooren vinden, en van het vraagverbod: Amor en Psyche, de Zwaanjuffer, Blauwbaard, wanneer dit verhaal althans om zijn historische kern niet tot de sagen moet gerekend worden, zie Funck Brentano in de Vragen van den Dag XIX, bl. 483, 556, 649. Ook wordt de eenvoud vaak beloond, hetgeen wij zien in de formule van Asschepoester, een meisje trouwens zóo schoon, dat haar schoonheid zich reeds door haar schoentjes verraadt.

In het Oosten, en ten deele ook in Italië, was het sprookjesvertellen een beroep, uitgeoefend door vakmannen in het vertellen, aan het hof, in de paleizen, voor de groote volksmenigte. Vertellers van dien aard bezitten een zekere kunstvaardigheid en techniek, en berekenen en versterken den indruk door dramatische middelen; zij verhoogen de spanning en maken jacht op effekt. Zóo ontstonden b.v. de sprookjes der Duizend en een Nacht. In den Oosterschen verhaaltrant is veel novellistisch en fantastisch, de volksaardige grondslag wordt niet zelden geheel door kunstmatig geteelde woekerplanten overgroeid.

De Nederlandsche, Duitsche, Engelsche, en grootendeels ook de Fransche sprookjes zijn geheel anders. Zij zijn kinderlijk en schijnen voor kinderen bestemd. Zeker, zij worden verteld onder de dorpslinde op zomeravonden, zij korten de gezelligheidsuren der spinningen, voor zoover die nog in eere zijn (I, bl. 273). Maar het midden, waar zij bij uitstek thuis hooren, is toch de huiselijke kring, met name de kinderkamer: moeder en grootmoeder vertellen, de kinderen vormen het luistergrage publiek.

Dit feit vindt weerklank in vorm en aanleg onzer sprookjes. Een slot, dat de vernietiging van het goede en edele beduidt, verdraagt de kinderziel niet. Maar ook in den loop van het verhaal zelf wordt het harde en gruwzame, dat b.v. de IJslandsche sprookjes kenmerkt, zooveel mogelijk verbannen. Verder vermijdt men het geraffineerde, het te zeer prikkelende, het eindeloos spannende: het kind moet naderhand kunnen inslapen en vriendelijke droombeelden moeten het omzweven. Maar vooral, het sprookje moet eenvoudig zijn en verstaanbaar, moet liggen binnen het bereik der kinderziel. Juist hierdoor echter is de oude sprookjeskern beter bewaard gebleven: vooreerst, omdat het gekunstelde ontbreekt, maar ook, dewijl het kind steeds op dezelfde wijze wil verhaald hebben. Zelfs een lichte verandering duldt het niet: “dat is niet juist, niet goed,” zegt het dan. Want het kind houdt de sprookjes voor waar.

Een bijzonder karakter vertoonen nog de Nederlandsche sprookjes. Onder de dieren heeft de ooievaar natuurlijk een eereplaats, maar merkwaardiger is de natuurschildering. In ʼt Oosten en Zuiden van ons land speelt het verhaal meestal nog in het woud, maar in het Noorden aan en op zee. Toch voelt het sprookje zich in het woud beter thuis, en het verwaait en vervaagt wel eenigszins in onze kale, kille laaglanden. Hoe schenkt het dichte, donkere bosch ook zoo echt de sprookjes-stemming, de zalige beklemdheid, het heerlijke angstgevoel! Dáar drukt verlatenheid en eenzaamheid op het verdwaalde kind. Aan reuzen en dwergen, monsters en verscheurende dieren is het weerloos prijsgegeven. Vooral wanneer de nacht neervlerkt. Maar eindelijk herleeft toch de hoop op redding, als ginder, heel ver, een zwakke lichtschemer trilt: “en toen zagen ze in de verte een lichtje branden”.

Met name echter: humoristische gemoedelijkheid kenschetst onze sprookjes. Maar deze gemoedelijkheid is inniger in het zuidelijk volksgebied, en helt meer over tot het banale of platte in het noordelijk.

Een afzonderlijke groep vormen de natuurverklarende sprookjes; deze behandel ik in het Zesde Hoofdstuk III.—

—Daar was eens een man,
—Toe, luistert dan,
—Daar was eens eenʼ vrouw,
—Toe, luistert nou,
—Daar was eens een heer,
—Och! ik vertel niet meer.

Ziedaar een staal van de zoogenaamde kwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als een koude waterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:

Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,—en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.—

Eens ʼs winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,—en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.

Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.

In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,—alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.

Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontbood men een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. “Het zwaard”, zoo sprak hij, “beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood”....

“En het zwarte manneken dan?” vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: “Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is”.—

Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nog A. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889); Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903); C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890); J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895); J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890); Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868); H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99; Ad. Thimme, Das Märchen, (Leipzig 1909), passim; Gustav Meyer, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.; M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237; Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452; Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.

Van het sprookje verschilt de sage, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, het sprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.

De mythische sagen wortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.

Spook-en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels van De Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte.

...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan ʼt rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en—de koek lag in de asch!

“Suikerloot”, riep Jan, “al éen bedorven”. Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en... de koek lag weer in de asch!

“Sapperlot”, vloekte Jan, “al twee bedorven!” Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan ʼt werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!

Jan wierp heel dien santenboetiek op ʼnen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. “Zou ʼt nu eindelijk gedaan zijn!” riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. “Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen”. En hij opnieuw aan ʼt bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar “zijn knekelhuis” keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!

“Wel, vriend Magermans”, zei Jan tot het spook, “hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?” Maar hij kreeg geen antwoord. “Die zwijgt, stemt toe”, zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in ʼt aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.

Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. “Doe de deur open”, zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.

“Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt”, zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.

“Daal nu de trappen af”, sprak het.—“Doe het zelf”, zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte het eventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. “Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?” riep Jan. “Herbegin maar niet, of ik zal u ʼnen anderen dans leeren”.

“Hef dien steen op”, sprak de geest.

“Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt”, zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.

“Ziet ge dit goud?” vroeg het spook. “Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit”. Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: “De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk”. Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.

ʼs Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.

Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.


De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bij Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidt een sage, ons door Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:

Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.

Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.

Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: “Wat is er van uw verlangen?” “Ik heb geen rust”, antwoordde het spook, “voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft”. “Die zal vervuld worden”, sprak de dominee.

Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.—

Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer—ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd—nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toen de lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primulaʼs en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.—Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze tooveren spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand “vast te zetten” of, zooals het heet, die “de vrije kunst” verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bij Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., en De Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verder De Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118–161; Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37; P. Oosterlee, Legenden3 (Nijmegen 1913), bl. 96.

Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming van Der Mönch von Heisterbach; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen van W. Müllerʼs gelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over “Het Kluizevogelken van Affligem”.

Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in ʼt oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naast de kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.

Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: “Wien mag ik bij den Abt aandienen?”—“Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten”, antwoordt de monnik.—“Gij zijt mij geheel vreemd”, herneemt de portier.—“Onmogelijk”, protesteert de pater; “ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen”.

Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men de Kluizekapel noemt. Vergel. De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.

In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. het vogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons door Wolf, Niederländische Sagen no. 148 meegedeeld, met het tekstmotief verbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: “Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren”. Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.

Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamde Matthusalem-motief bevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.

Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te ʼs-Hertogenbosch luidt zij als volgt:

Langen tijd geleden leefde te ʼs-Hertogenbosch een Jonker, die aan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. “Ha ha!” riep hij luid, “dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!” En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: “Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging”. De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.

Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens ʼt Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein en Bosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeft A. de Cock in eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men in Poirtersʼ Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.

Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassaʼs binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.

“Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest”, schrijft Poelhekke. “Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden”: Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.

Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengen en ʼs avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:

“Griepke, Griepke, grauw,
Aʼjʼ me hebben wilt, griep me dan gauw”

bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, ʼt paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. Zie G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100; Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.

Vooral heksensagen vindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.

Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen de natuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over de kabouters weet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn “spaai” op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn “smoorske” voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen over Witte Vrouwen, reuzen, dwergen, vuurmannen en meerminnen treft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen van Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. II, 18, 52; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44; Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168–215; De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (ib. bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:

“Een wateren dak, een paleis van kristal....
Daar spelen mijn lievekens allemaal....
Visscherken, werp er uw tonneken uit....
De walvisch komt en zoekt naar buit”,

is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.

De Christelijke sagen borduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,—dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.

Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.

Op zekeren keer, vertellen De Mont en De Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:

Bij Jan Hamers, paardesmid,
Meester-boven-meesters.

“Wat”, dacht St.-Elooi, “is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien”.

Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.

“Kunt gij beslaan?” vroeg de smid.

“—Ik geloof, dat het wel gaan zal”, was ʼt antwoord.

“—Welnu, toon wat je kunt”, zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.

Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan ʼt werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van ʼt paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.

De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. “In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat”, peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.

Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.

“Waarom zet gij dan op uw uithangbord “ “Meester-boven-meesters?” ” vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vinger aan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.

De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.—

Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. “Zet U op mijn rug”, stelde zij voor, “dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: “Daar heb je nu een merrie zonder staart”.

Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief der drie wenschen.

Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. De duivelssagen behooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinner slechts aan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ook Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 49; Wolf, Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburgʼs Jaarboek IV, bl. 253; enz.

Ik kom nu tot de historische sagen, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met “historische kern” bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.

De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.

Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.

Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: “Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!” (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: “Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven.” ʼt Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op “den discipel, dien Jezus lief had.” Maar tot gevleugelde woorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.

Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamde ikonografische volkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v. de legenden der martelaars, wien men den naam van Cefaloforen of “hoofddragers” gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. Pater Cahier heeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: “Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels, hunne hoofden in hunne handen, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen.” Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.

Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot de etymologische volkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.—

Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoog Wilhelm Wundt, Völkerpsychologie V, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sage verschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,—maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,—wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?

Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. “Het sprookje is de groote schatkamer geweest”, schrijft Prof. Sijmons, “waaruit helden-en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apolloʼs en Balderʼs plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewondering schonk, op merkwaardige wijze trouw”: Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal-en Letterkunde 1910, bl. 597.

Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ook Poelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.

Meerdere onzer historische sagen zijn van elders hierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging—want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.

Wolf verhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in het Soniënbosch een ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.

De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing tot uiting te brengen. Aldus Ten Kate in zijn Ahasverus op den Grimsel, Heijermans in het schouwspel Ahasverus, Vermeylen in den roman De Wandelende Jood.

Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen—“de Vier Heysmanskinderen op éen paard”, zooals het in Limburg heet—en van den Zwanenridder van Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.

Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:

O Kenmerland! o Kenmerland!
O land van meiren en van wouden!
O land, door ʼt forsche woord bezield!
Hoe heeft mʼ een stoute pracht vernield,
Die voorgeslachten hier aanschouwden!
Hoe heeft (helaas!) een later teelt
De paerlen van uw kroon verspeeld.
En ʼt êelgesteente er uitgewrongen!
O land van trotschheid en van kracht—
Hoe is uw eikenknots geknakt,
En u een rietstaf opgedrongen!
Hoe heeft mʼ een boozen moord gepleegd
Aan ʼt fiere schoon van uw waranden,
En in behoeftes maagre handen
De schatten van uw pronk geleegd.

Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, door Hofdijk zoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akerslootʼs sagen: Volbrachte Eed en Proef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.

Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?

De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op de bekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.

Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.

Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.

In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die moedig het monster met zijn vervaarlijk “Gelre”-geroep versloeg. Elsa, de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder geen onbekende.

Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, kwamen zij tegen het einde der IXe eeuw de Maas afzakken en sloegen hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum van de gift in weide-en heidegronden uitgesloten.

Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te Thorn. Weertʼs glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch tafellied ons door Jos. Habets in een geschriftje over deze legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:

Sa hitsig! vult de hompen,
Soo lang het vat nog houdt.
Gesellen, laat ons pompen,
Dees nectar, geel als goud
Is voor gansen niet gebrouwd.

Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigen hoefsmid zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, het hazenpad zal kiezen.

Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIe eeuw het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam—intusschen wordt deze sage ook wel elders verteld—; en eindelijk van den Kozakkenberg bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden onder het zadel.

In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid tusschen vorst en volk.

Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:

Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch eenigen laakten het in krasse bewoordingen.

Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende te worden afgekeurd.

“Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen lasteren?”

En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.

Karel kwam te Brussel.

ʼs Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis ontbieden. Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.

Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.

Tot zijn voorstanders sprak hij:

“U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet”.

En tot de bedillers:

“En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar weest in ʼt vervolg voorzichtiger”.—

De naam van Jan Primus, hertog van Brabant, is waarschijnlijk vervormd tot Gambrinus.

In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening van Dr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot 1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.

Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavond te Brussel (I, bl. 149); andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.

Zie Wolf, Niederländische Sagen, passim; Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, passim; Hofdijk, Kennemerland; De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1—160, 197, 280; Welters, Limb. Legenden I, passim, II, bl. 93; Poelhekke, Woordkunst, bl. 87; Dr. J. F. D. Blöte, Das Aufkommen der Sage von Brabon Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en Letteren XII, bl. 1 vlg.; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168; Karl Wehrhan, Die Sage (Leipzig 1908).

“De legenden”, schrijft Dr. Gisb. Brom, “zijn ons onder menig opzicht dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen.”

Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. “Neen, voor wie over de gave der onderscheids beschikt”, meent Pater Kronenburg, “voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?” En hij vervolgt: “Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij.”

Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de krachtdadige voorbede der heiligen.

Doel der legende—ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden van de andere sagen—was en is stichting, en het is bewezen, dat zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke overlevering; immers oorspronkelijk waren de legenda de “te lezen stukken” van de levens der heiligen op hun feestdag.

Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik noem hier slechts de namen van De Vooys allereerst, en verder van Alberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord. De Vooys verhaalt in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een ridder, die in een klooster ging en daar slechts het Ave Maria kon leeren. Uit zijn graf “wies een scoen lelye...ende op elke blat van der lelyen stond ghescreven “Ave Maria” in gulden letteren.” Welnu, in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht wilde vereeren, een slank en bevallig boompje met verrukkelijken bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.—

De allervoornaamste zijn de Marialegenden, en wel in de eerste plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. “In Folge solcher Entstehung”, schrijft Stephan Beissel S. J., “richtet sich die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen zu denen Engelsgesang hinzutritt”: Wallfahrten zu unserer Lieben Frau in Legende und Geschichte (Freiburg i/B1913), bl. 8.

Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden (O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot (O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, en een buitengewoon teeken kwam Mariaʼs instemming met dien arbeid verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water nimmermeer ontbrak.

Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.

Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.

Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).

De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIe eeuw overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep men Maria aan, en ziet—daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar een kapel.

Zoo kwam ook in de XVe eeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, een Mariabeeldje bleek te zijn.

Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een heiligdom wenschte.

Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor Nederland naar J. A. F. Kronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam) VI, Mariaʼs Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en voor België naar A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of Echt Christelijke Sagen, en Fr. St. Schoutens, Mariaʼs Vlaanderen (Oost-Vlaanderen), Mariaʼs Vlaanderen (West-Vlaanderen), Mariaʼs Brabant, Mariaʼs Antwerpen (Aalst 1903—1905).—

Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, Sint Amandus, wordt op Mariaʼs bestel door den Engel Gabriël bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, en door Maria, “gekleed in hemelsblauw”, wordt beschut. Te Roosendaal verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en was een roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek voor het heiligdom.—Dichterlijker is de stichting van het klooster Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.

Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag hij schitterende lichten boven een plek zweven, ʼt Werd voor hertog Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.

Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen zij “aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren”, en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.

In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens ontvlamt zij opnieuw.

Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn wapenmakker Walewijn: “Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, gaat gij met mij mede?” En Walewijn antwoordde: “Ik wil Christus dienen, ja ik ga met u mede”. Zoo onderwierpen zich beiden aan den kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders in het devoot bidden en dienen.

In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament bevestigd met de woorden: “Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek”.

Elders keert door Mariaʼs voorspraak een doode jongeling tot het leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, bij Leuven.

Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder—zoo luidt de traditie—bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren lang den vromen kluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).

Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.

Een dezer is een zoogenaamde hippokrene of paardenbron, éen der drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning Pepijnʼs gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, dat ook een hoefslag van Wôdanʼs ros een frissche bron doet opborrelen.

Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, “Die voor zijn volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou doen opborrelen”. En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door eene zoetwaterbron.

Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij Antwerpen. Zulke bronnen noemt men kerstputten of kerstpoelen, en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen deelachtig worden.

Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops-en pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.

Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat “die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen”, te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, Sint Bavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.

Zie Kronenburg, Mariaʼs Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2 (Amsterdam 1908), passim; Schoutens, Mariaʼs Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen, passim; A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64–345; Wolf, Niederländische Sagen, passim; J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.; Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168); H. Welters, Limburgsche Legenden, passim.

← Back to Nederlandsche Volkskunde

Scroll to Top