Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNederlandsche VolkskundeIV — Bouwkunst en dekoratieve kunst · 22 of 28Contents›

Nederlandsche Volkskunde

by Jos. Schrijnen

22 of 28 · Contents · Download EPUB

IV Bouwkunst en dekoratieve kunst

Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon-en bedrijfshuizen. De volksbouwkunst geeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. “Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid”: C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.

Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,—toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uit stad en stadswoning, uit de woon-en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. “Eerst met het laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit-en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens”, schrijft weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans-en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te ʼs Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.

Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.

Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuis hunner stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. “De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname van nieuwe elementen, van nieuwe bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de ʼleer der goede werkenʼ en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud”: C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland (ʼs Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.

Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon-en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.

De aard van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnsche portus “haven, stapelplaats” ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord poort “stad”, vanwaar de burger den naam van poorter droeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige open afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.

Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. De hoeve ontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vluchten berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam. Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.

Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich de privaatwoning in de steden: voor-en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegt Peters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!

Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.

Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.

Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIe eeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIe eeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIe eeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs-en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIe eeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den Heer C. L. van Balen van een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied fotoʼs te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, ʼs Heerenberg, Amersfoort, Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende “huis Schreurs” in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het “huis Scheurs” naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.

De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIe eeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw “de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon-en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten”. Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXe eeuw “zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was”: C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburgʼs Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.

Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd—evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden—en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behouden bleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den “Gelderschen” bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIe en XVIIe eeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooral Mr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911); J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915); J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).

Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouwen kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zoover Cuypers haar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis-en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis-en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geen volkskunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordt aan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. Zie Mr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912); Ch. Buls, Esthétique des villes (Bruxelles 1910); Camillo Sitte, Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen (Leipzig 1889).

Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is de huurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,—aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.—Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld door Prof. L. Pohle, Die Wohnungsfrage (Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.

Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in de landelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. “De landsche huizekens”, zegt Stijn Streuvels in zijn Landsche Woning, “ʼt is alsof ze te dansen staan tegen de zon en ʼt geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,—meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen.”

En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van het Nederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....

Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.

Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.

In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,—het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in ʼt minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. De bouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De “Zuid-Limburgsche hoeve” vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.

Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooral Stijn Streuvels, De Landsche Woning, passim, en H. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.

Nog eenige andere daken gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzer dekoratieve volkskunst.

Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.

Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoo vind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: “Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond.” Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard—oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht—tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naam Jezus in Grieksche letters, naderhand verklaard als Jesus Hominum Salvator, bij ons: Jezus Heere Saligmaker, Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.

Als bouwmateriaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst—volkskunst van de verdwijnende soort—leeft nog b.v. op Terschelling, waar ʼs winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren-en plantenmotieven.

Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel in curiosa en niet voor eigen gebruik bestemd.

Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. De vloer is zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.

De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggenden haard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:

Boven in de schouwe
Daar hangen de worsten aan touwen.

De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt het schoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,—“fier als een koffiepot”, zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl. Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.

Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edele spinnewiel met klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.

De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.

De bedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden, een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.

Het mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in de glazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer de kisten buiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benaming kistengoed of kistentuig voor het beste lijf-en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De term kastengoed is een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijke zitbanken zijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhouten lessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandsche theestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkende klok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperen bedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. De letterdoeken vertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeed ijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nog Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.; K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.

Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes—ook twee-en driemasters—, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in ʼn turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.

Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamer naast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam van kapelleke geeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. Zie Frans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.

Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk de volkswoning in het algemeen op het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.

Spreuken vindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: “Aan Gods zegen is alles gelegen”;—“De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang”;—“Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand”;—“Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?” Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: “Hier vloekt men niet, God ziet u”;—“Gedenk te sterven”;—“Looft den Heer”, enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.

Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glans der poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende door naïeve rijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.

Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:

Ik dien om de tafel
niet te laten branden,
maar pas op als ik blink,
dat ge me niet schande.

Op een spiegel:

ʼt Is maar schijn.

Op een beker:

Geen geluk
Zonder druk.

Op trouwschotels:

Er is niets beter in den trouw
Als liefde tusschen man en vrouw.

Op een zonnewijzer:

Ik spreek alleen, het aangezicht
In ʼt volle zonnelicht.

Op een bord:

Weldadige Opperheer,
Gij spijst ons al te zamen,
U zij de lof en eer,
Ons hart zegt dankend Amen.


In spijs en praat
Hou middelmaat.


Na spijs en drank
Geef Gode dank.

Op een rijstpapkom:

Die den arme geeft
Leent den Heer.

Op een stortbekertje:

ʼt Is u gegund,
Drink als ge kunt.

Op een tafelschel:

Deze klank roept om drank.

Op een drinkglas:

Als David de vriend van Jonathan was
Drinken wij onze vriendschap uit dit glas.

Op een spaarpot:

Daar niet en is,
Gaat zoeken mis.


Leert sparen en vergaren,
Leert geven en blijft leven.

Op een scheerbekken:

Het jaar is om
Betaal de som.

Bij de intrede van het huis ziet men de gevelspreuk of het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:

Dit huis staat in Gods hand.


Niets buiten God.

Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk van Van Lennep en Ter Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).

Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.

Elk wandel in Gods wegen.


Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.


Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.


De Heer—regeert.
Al wat adem heeft—looft den Heere.
ʼt Is beter benijd dan beklaagd—als ʼt God behaagt.


Behoed ons Heer voor zonde en schand,
Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.


Menschen gij moet sterven,
Gedenkt gij de zaligheid te erven.


Wie op God vertrouwt,
En niet en verflauwt,
God zal hem zegenen menigvoud.

Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:

Het ware te wenschen,
Dat alle menschen,
Die kwaad van anderen spreken,
Zich zelven eerst bekeken.
Dan zouden zij het praten
Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam).


Wie hier komt spreken van iemand kwaad,
Wijs ik waar ʼt gat van de deur staat.

(Amsterdam).


Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen
Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.

(Hemelum).

Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIe eeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.

Kaaskooper:

O wereld boos en heel verkeerd,
Wat heb je al geld dat mij ontbeert!
Maar de vromen moeten hier gebrek lijen,
Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.

Aanspreker:

Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker,
Dat zijn vier vrinden, dit is zeker:
Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood,
Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.

Schipper:

Met scheepvaren plaisant
Ik mij geneeren moet,
De scheepvaart door Gods hand
Het land floreeren doet.

Smid:

Houd man! Daar is de kan,
Wel wijf! De kan is mijn gerijf.
Maar wacht u voor de vonken.
Het ijzer is heet;
ʼt Moet eerst zijn gesmeed,
En dan eens gedronken.


Wij hebben door Gods milden zegen
En vlijt dees ijzersmederij
Tot dienst van mensch en paard verkregen.
Zijn hulpe zij ons verder bij.

Groenteverkooper:

Adam en Eva, gesteld in ʼt groene paradijs,
Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs,
Maar zij werden verleid van den schelmschen droes,
Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.

(Berlicum).

Tapper:

Wel te doen en vroolijk zijn
Is ʼt beste op dees aard.
Hier verkoopt men brandewijn
En haver voor het paard.

(Oud-Pekela en Rotterdam).


In het Leppersfort
Is geen drank te kort.

(Gent).


Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen,
Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.

(Leuven).

Herbergier:

Ik woon hier aan den weg,
Wat kan men beter wenschen
Dan de zegen van den Heer
En de gunst van alle menschen.

(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)

Barbier:

Die graag zijn baard zich ziet ontnomen,
Ga niet voorbij, wil binnenkomen,
Van welken rang of staat,
ʼt Zij burger of soldaat.

Ik geef aan elk fatsoenlijk man
Zoo veel genoegen als ik kan,
Ik doe mijn best aan alle gaar,
En die ʼt verlangt snij ik ook haar.

(Assen).

Bakker:

Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên,
Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.

(Amsterdam).

Besteedster:

Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur,
Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.

(Amsterdam).

Glazenmaker:

Met glas en lood
Win ik mijn brood.

(Amsterdam).

Gouddraadtrekker:

Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen,
Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden;
Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak,
Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.

(Brussel). Kleermaker:

Geen mensch men acht
Als om zijn dracht,
Dies laat mij brave kleeren maken,
Wilt gij tot ambt of eer geraken.

(Enkhuizen).

Koekebakker:

Koek die zoet is
Koek die goed is
Koek die gaar is
Proef of ʼt niet waar is.

(Zaandam).

Koffiehuis:

Alle anderen zijn in abuis,
Maar hier is het ware koffiehuis.

(Heerlen, L.)

Kroeg:

In den cabaret, dien men hier wijst,
Wordt men gelaafd en gespijsd.

(Eecke, Vlaanderen).

Kuiper:

Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren,
Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.

(Gent).

Melkboer:

Hier verkoopt men room
Zeer vroom
En zoetemelk
Voor elk.

(Houten, U.).

Pruikemaker:

Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven,
Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.

(Gent).

Schipper:

Ik vaar ter zee op Gods genade,
Dat God bewaart kan mij niet schaden;
ʼt Zij dat ik uitvaar of wederkeere,
Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.

(Vlaardingen).

Stalhouder:

Hier stalt en verhuurt men paarden,
Bij niemand zullen zij beter aarden;
Ik geef haar haver en goed hooi,
En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.

(Alkmaar).


Wie wil rijden met behagen
Moet naar Willem Stallaert vragen.

(Antwerpen).

Veerhuis:

In dit veerhuis, heel plesant,
Ziet men de scheepjes aan alle kant
Het Maasje op en neder varen;
God wil dit huis van leed bewaren.
Hier
Tapt men Genever, Brandewijn en Bier.

(Besooien).

De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit de uithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelt een stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.

Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne met Van Lennep en Ter Gouw in de heraldiek: het huis van den poorter was zijn kasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v. in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).

Als heraldische figuren vermeld ik de Kroon, of de Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouw enz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voor de Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijn zinnebeeldig: de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel: Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw (b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt), de Drie Koningen (o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor: Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis, Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters, Sint Hubertus, vooral in België, Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan de mythologie of aan het volksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans: de Dorstige Pleiaden, de Ridder met de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn het Schip van Damiate, o.a. te Amsterdam, in den Preekboom, te Clercken in België, de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Van merkwaardige personen noem ik Floris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.

Nog steeds hebben sommige beroepen en bedrijven vaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voeren den Vijzel of den Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren de Schaar, metselaars de Troffel, smeden den Gouden Sleutel en het Proefslot, hoedemakers den Hoed, barbiers het Scheerbakje of de Kwast, herbergiers het Vat, slagers het Varken, bakkers het Brood, schippers het Schip, terwijl de Klok voor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak een Moortje of Moriaan boven een tabakswinkel, Koffiebaaltjes boven een kruidenierswinkel, een Theeboom boven een theewinkel, een Haring boven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouder Twee tegen elkaar opspringende Paarden zijn op de staldeuren met het opschrift: “hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen.”

De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel: de Krans, de Toelast (groot wijnvat), ʼt Zwijns-hoofd, ʼt Zwaantje, ʼt Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: “Jan de Kruijer klopt Tapijte.” Maar het bordje met Water en Vuur en bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de wateren vuurkelders tot het verleden behooren. Ten slotte vermeld ik nog de Zon, de Maan (te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen: in de Vergulde Maan), de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelie enz. enz.

De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.

Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar de Bonte Bok uithangt:

Vrienden ik ben een bok,
Een bok ben ik geheeten,
Menigeen is een bok,
Maar hij wil ʼt niet weten.

Uit Friesland:

Aan de eene zijde staat een varken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:

Dit varkentje heeft veel verdriet,
Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.

De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:

Deze varkentjes loopen in de wei,
Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.

Onder een voorstelling van hond en haas;

Dit is de honte, en dat is de hoaze,
En omdat ik ben ʼn meester en boaze,
Zet ik dʼr onder:
Dit is de honte, en dat is de hoaze.

Kaïn en Abel op een bakkerswinkel:

Kaïn sloeg Abel dood
Al om een hoekje,
Hier verkoopt men wittebrood
En ook een koekje.

Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop een Engel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:

In den Engel bemind,
Treê binnen mijn vrind,
Hier tapt men met pleizier
Jenever en bier.

Te Delft boven een herberg, die Sint Joris voert:

In Sint Joris vol van waarden
Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.

Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg een Rustende Schutter uit, met het opschrift:

Rust met lust
En drinkt met maten,
Maar die geen centen heeft
Moet het drinken laten.

Voor een huis, waar de Mosterdpot uithangt:

Ik lever uit
Een zeldzaam kruit,
Daar zijnder weinig in de stad
Of ʼk heb ze bij de neus gehad.

Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder een Molen en een Zeilend Scheepje bij een kruidenier:

Ik laat alle winden waaijen
En alle molens draaijen
En alle waters vloeijen,
En ieder zich met het zijne bemoeijen.
Gedult overwind alles.

Een Bijenkorf vindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:

In de Bijkorf verkoopt men kant,
Geen beter in ʼt Lant,
Voor geld contant
Strak in de hant.

Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons door A. Vee in Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld: de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zat enz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:

Te Melsele:

Ik woon op den Smoutpot alhier,
Hebt ge geld, dan heb ik bier,
Hebt ge er geen, dan staat er
Hier naast een pomp met water.

Te Clinge:

Dorstig hartje, moe van ʼt gaan,
Kom eens binnen in de Zwaan,
Er woont een man alhier,
Die schenkt genever en bier.

Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.

In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijste bidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met “bidprentje” bedoel ik niet “doodenprentje” of “doodsprentje”, een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurde sanktjes kwamen vooral sedert de XVIIIe eeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister—het is immers volkspoëzie—, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:

Verzuchting tot Maria.

O Maria, graci-bron,
Schooner als de gulde zon,
Klaerder als de zilvre maen,
Die men ʼs avends op siet staen.
Oversuyver leli-bloem,
Uitgelezen Maeghden-roem,
Bidt u allerliefste kindt,
ʼT geen ghij boven al bemint,
Dat mijn duijsterheijt verdwijnt,
En sijn gratie mij beschijnt,
Op dat ick geheel verlight
Magh voldoen aan mijne plicht.

Aanroeping tot Maria Magdalena.

Sondaeres, die Christi voeten
Met boetveerdigh nat begiet,
Om uw sondig quaedt te boeten,
Jesus door genade schiet
In uw ziel een soeten regen,
En hij wascht uw smetten af:
Gij verkrijght den hemel-seghen,
Vrij van sonden ende straf.
Jesu! geeft mijn herte suchten
En mijn oogen droef getraen,
Opdat ick de sonden vluchten
En beweenʼ, die ʼk hebbʼ begaen.

Ook de huiszegen wordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed “tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen.” Gods zegen wordt afgesmeekt over “het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!” Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. “Het heilig kruis van Jezus Christus zij het dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!”

In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firma Brepols en Dierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firma Beersmans, zuiver van uitvoering en kleur.

Men vindt verder nog vaak den Duivelsdans, “den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen”. Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.

Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:

Let hier wel, die zijn genegen,
En wiens hert vliegt tot den dans,
Wat het werk is, ʼt geen zij plegen,
Eer zij wagen nog de kans.
Lucifer is daer in ʼt midden,
Hij speelt meester van de bendʼ;
Zonder men het kan verbidden
Met zijn haek uw ziele schendt.

Een andere zeer geliefkoosde prent is de Trap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firma Pellerin te Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de—oorspronkelijk Fransche—opschriften: Age de lʼadolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge de décrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.

Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van de H. Birgitta of Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.

Als versierselen van de volkswoning mag ik ook de processievaantjes niet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,—de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel van Van Heurck in Volkskunde XXI, bl. 182.

Zoo kom ik als vanzelf tot de profane volksprenten of mannekesbladen, in Noord-Nederland vroeger floskaartjes, thans meestal centsprenten genoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsher heilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Met vreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zoo aantrekkelijke voorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.

Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, ʼs avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, “gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774”; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.

Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand van Emile Van Heurck en G. J. Boekenoogen, getiteld: Histoire de lʼImagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères (Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizen Brepols, Delhuvenne, Glenisson, Van Genechten en Beersmans te Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie; ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.

De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen, C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. en C. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firma Rijnders te Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Noman en Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgever Broedelet en zijn opvolger Schuitemaker te Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aan Noothoven van Goor te Leiden. Vermelden wij ten slotte de “Nieuwe Hollandsche kinderprenten” van de Leidsche firma A. W. Sijthoff.

Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid. Théophile Gautier had dit verval vermoed en gevreesd: “Fasse le ciel que la civilisation nʼamène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractère à ces images”. Zie vooral V. Heurck en Boekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.

De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.

Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. “Leur dessin grossier et primitif”, zeggen zoo juist de schrijvers der Imagerie populaire in hun voorrede, “leur bariolage violent et fantastique ont un charme que nʼont pas les images dʼaujourdhui; un charme et une beauté quʼon apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste dʼuniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de nʼavoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel.” In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.

Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en te vervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.

Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel de Haan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:

Komt kinderen ziet dezʼ wakkere Haan,
Die u tot nijverheid spoort aan.

Later was de Hond meer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:

Ziet, kindren lief, deezʼ trouwe hond
Wacht zeker, tot zijn meester komt.

Bij een andere voorstelling vindt men:

Ziet hoe dit hondje zittend wacht,
En op den wenk zijns meesters acht;
Gij kinders, wie gij zijt,
Wil allen hieruit leeren,
Om ook uws meesters les
Ten hoogste te waardeeren.

Natuurlijk wordt de Kat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:

Geen nutter dier voor rot en muis,
Als een mooi katje in uw huis,
Want het doorsnuffelt alle hoeken,
Om dit gedierte op te zoeken.

Onder een andere voorstelling, die een Uil als pendant heeft, leest men:

O uil, gij doet mij onregt;
Het muisje was mij toegelegd.

Onder den uil:

Ja kat, dat heb ik wel geweten,
Het ongegunde brood wordt meest gegeten.

Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:

Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent;
En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.

Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de “mooie mannen”: dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:

Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer,
Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer;
Staat Nederlanders pal, met moed voor ʼt Vaderland,
Wanneer door ʼs vijands zwaard den Staat wordt aangerand.

En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!

Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.

Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:

Wij snijden het haar en scheren den baard,
In onze hand is een ieder vervaard.

Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):

De drijftol loopt nooit zonder slagen,
Gehoorzaamheid moet u behagen.

Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk van Lafontaine uitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowskiʼs afscheid:

Poniotowski zeer gezwind
Neemt afscheid van zijn vrouw en kind;

of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.

Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:

Ziet Jan hier met een popje spelen;
Mij dunkt het moet hem ras vervelen.

Wel Jan, wat zijn dat rare dingen!
Gaat gij met meisjes touwtje springen!

Neen, dat staat zeker nimmer goed,
Een jongen met een meisjeshoed.

Zoo Griet, klimt gij zonder schromen
Net als een jongen in de boomen!

Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan,
Laat ʼt knikkren voor de jongens staan.

Nu kan het toch niet erger zijn,
Zij speelt de rol van kapitein.

Griet vangt met Jan het vrijen aan;
Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.

Jan laat zich door den priester trouwen,
Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.

Hier is de orde al te zoek,
Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.

Griet wil van geen huiswerk weten,
Daarom kookt nu Jan het eten.

Als Griet en Jan aan ʼt eten gaan,
Mag hij niet zitten, maar moet staan.

Ziet Jan eens in het water plassen,
Om toch de vaten schoon te wasschen.

Nu is Jan aan ʼt glazen spuiten,
En breekt bijna al de ruiten.

Uw onheil, Jan, is nauw te peilen;
En toch moet gij de stoep nog dweilen.

Het wasschen is geen mannentaak,
Maar wel het is der vrouwen zaak.

Terwijl dat Jan het huiswerk doet,
Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.

Dat Jan hier in het ziekbed lijdt,
Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.

Jan bakert ʼt kind, wat zegt ge er van?
Want Jan is vrouw en Griet is man.

Jan wil het kind voor honger hoeden,
Zal ʼt met een lekker papje voeden.

Als zijn kindje huilen wil,
Houdt hij ʼt met een popje stil

Nu het kindje loopen leert,
Wordt de vreugd van Jan vermeerd.

Daar het kind ondeugend is,
Slaat hij met de roê niet mis.

Omdat Jan het heeft verbruid,
Jaagt hem Griet den huize uit.

Jan en Griet bespreken beiden,
Waartoe hun kind op te leiden.

Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.

Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,—tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.

Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt, soms niet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimkenʼs lotgevallen?—De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.

Klein Duimpje, uit een kool gekomen,
Wordt door de moeder aangenomen.

Hij werd, of wel dʼhistorie liegt,
In eenen holleblok gewiegd.

Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben,
Ik schrijf met eene musschenpen.

De meester jaagt de school hem uit,
Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.

De moeder zegt: wel dat is fraai,
En vindt hem in de eetschapraai.

Gaat, om zijn moeder meer te tergen,
Zich achter eenen bessem bergen.

Hij wordt koewachter, zoo gij ziet,
Doch laat hij zijne perten niet.

Wil in den kelder melk gauw drinken,
Doch moet schier in de teil verdrinken.

Droogt aan een vuur zijn natten kop,
Een koe, die slokt hem levend op.

Dees vette koe wordt door den pachter
Terstond verkocht aan eenen slachter.

Zoo haast de man het beest legt open,
Komt Duimken uit haar lijf gekropen.

Hij vaart in eene nootschelp hier
Voor zijn vermaak op een rivier.

Men gaat hem, door de koorts geslagen
In eenen hoed naar ʼt gasthuis dragen.

Genezen zijnde, leert de fiel,
Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.

Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort,
Zijns meesters kempewagen voort.

Dwaalt in een bosch en ziet met schroom
Een wolf... hij kruipt op eenen boom.

Hij vindt een bedelaar slapen; strak
Steelt hij zijn eten uit den zak.

De man ontwaakt, dreigt ʼt fieltje dol,
Maar ʼt kruipt in ʼt gat van eenen mol.

Terwijl de beedlaar ʼt molgat sluit,
Kruipt Duimken langs een ander uit.

Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt,
Maar rolt in ʼt water en verdrinkt.

Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:

Het is Sint Maarten, als men ziet aan ʼt helder vuren
Der knapen, die om turf en brandhout bij de buren
Zijn rond geweest en ʼt ook bekomen hebben, blij
Met hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.

Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter, Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:

Vier eeuwen is het reeds geleden,
Dat men in ʼt magtig Amsterdam
Hem tot Patroon of Schutsheer nam,
En als een heilige heeft gebeden.

Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden: Gloria in excelsis Deo.

De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):

De Koning.

Ik ben koning van de vrienden,
Mannen! spaart mijn tafel niet.
ʼk Heb niet lang zooveel bedienden,
Dus intusschen geen verdriet.

De Voorproever.

Om scherp in mijn ambt te treden,
Neem ik ʼt glas, dat men mij gaf,
Dat verzacht en hitst de reden
En men lekt zijn vingers af.

De Zot.

Wil op ʼt woord des konings drinken,
Want, die mist op zijn gebod,
Zal ik wel zoo zwart doen blinken
Als het gat van dezen pot.

Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn “van ouds vermaard” en telkens weer “nieuw vermakelijk” ganzenspel.

Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon-en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op de brug kwam, moest tol betalen; die in de herberg kwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in de put kwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in den doolhof kwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in de gevangenis kwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die—o schrik!—op den dood kwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.—Zie nog Emile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.

De bekende centsprent, die de komische volksfiguur van Harlekijn voorstelt (met het Harlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over het volkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen van Driesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onze Jan Klaassen, met zijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.

Hij is ook de held van het Noordnederlandsche poppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIe eeuw deed de Duitsche Hanswurst zijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst door Hans Pekelharing, later door Jan Klaassen.

Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:

Elk past
op zijn
zakke.

Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,—en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.

In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het “Poesje” waarvan Ary Delen in zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in Elsevierʼs Geïll. Maandschrift schrijft: “Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel” (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen van de Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, Valentijn en Oerson, de Prinses van Spanje en van Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd: De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaars enz.

Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. De abele spelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudige klucht heeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door een Teniers, Van Ostade, Jan Steen e.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.—Zie J. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVe tot de XVIIIe eeuw (Haarlem 1854); J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).

Notes

1 Immers kultuur is hier genomen in de beteekenis van bovencultuur.

2 Voor het meerendeel Limburgsche spreekwoorden, die als typen kunnen gelden, in Venloosch dialekt.

← Back to Nederlandsche Volkskunde

Scroll to Top