Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNederlandsche VolkskundeIV — Landbouw en veeteelt · 13 of 28Contents›

Nederlandsche Volkskunde

by Jos. Schrijnen

13 of 28 · Contents · Download EPUB

IV Landbouw en veeteelt

De buurtschap is van landelijken oorsprong. Boven is uiteengezet, hoe vooral in de eschdorpen gemeenschap van herkomst en van belangen den gemeenschapszin kweekte, die tal van gemeenschappelijke bepalingen in het leven riep en gemeenschappelijke hulp waarborgde. Aldus vormden de dorpelingen een zekeren clan, met een buurtschap als nauwere kern, die bleef voortbestaan, ook waar de dorpen tot steden zijn uitgegroeid. De arbeidsgemeenschap was ook een strijd-, weer-en feestgemeenschap, en als feestgemeenschap vooral openbaart zij zich naderhand in de steden. Daar ook ontwikkelden zich de buurten tot buurgilden, met bepaalde reglementen en met een president aan het hoofd, “den Heer van de buurt”, zooals hij in de Hollandsche steden genoemd werd. Dat de buurdiensten hoog gewaardeerd werden, blijkt uit ons goed Nederlandsch spreekwoord: “Een goede buur is beter dan een verre vriend”.

De buurt omvat doorgaans een zeker getal straten met een bepaald centrum, zoo b.v. te Roermond, waar de put—zoo heet daar de buurtgemeenschap—een pomp, waarop het beeld van den putheilige, als middelpunt heeft. Op het land is de grens veelal een weg of een pad.

Eertijds had jaarlijks een gemeenschappelijk buurmaal plaats, waarvan de onkosten uit de buurtkas betaald werden; toen dit afgeschaft was, trad het jaarlijksch potverteren in de plaats. Er heerschte ook een zekere hiërarchische rangorde: eerste buur, tweede buur enz. De noodnoabers zijn de buren, tot wie men zich in geval van nood het allereerst wendt; en mèt de benaming is het instituut blijven voortleven. Als buur geschrapt, “uitgedaan” worden, is een ontzettende schande. Nog steeds bewijst de buurt haar goede diensten in de belangrijkste, zwaarste, heuglijkste en pijnlijkste oogenblikken van het leven. Bij geboorte, huwelijk en sterfgeval geschiedt de aankondiging vaak door de buren; bij huwelijk worden buurt en huis versierd, alsmede de weg, dien het bruidspaar nemen moet; bij het bouwen van een nieuw huis, het graven van een put, bij onderscheidingen, een lid der buurtgemeenschap te beurt gevallen, bij oogsten, dorschen, rooien, bij brand of hagelslag,—steeds is het de buurt, die hare hulpvaardigheid en deelneming betoont. Daar zijn andere minder gewichtige, maar toch ook sprekende momenten in het buurtleven. Heeft iemand geslacht, dan noodigt hij niet zelden de buren, om te komen zien, als ʼt varken op de ladder hangt. Ieder zegt dan, zonder dat de keel droog wordt, zijn meening over het gewicht: men noemt dit in Noord-Brabant “het varken prijzen”.

Vaste gebruiken kent men ook bij het verhuizen. Op den bepaalden dag trekken de mannen en de meisjes uit de buurt met de noodige karren naar het dorp, dat de nieuwe buurman metterwoon gaat verlaten. Een kar, waarop het nieuwe gezin plaats neemt, is feestelijk versierd: de huif is met kleurige papieren bloemen getooid, en voorin hangt een bloemenkroon. Nu zet de vroolijke, joelende stoet zich in beweging, en in Noord-Brabant wordt hierbij gezongen:

Te N. willen wij niet wonen,
Daar zijn de wijven te kwaad,
Maar te N. willen wij wonen,
Daar zijn ze beter van aard.

Of wel:

Te N. willen wij niet wonen,
Daar is ʼt een arrem land,
Maar te N. willen wij wonen,
Daar zijn rozen geplant.

Of wel:

Dat gaat naar Den Bosch toe,
Zoete lieve Gerritje,
Dat gaat naar Den Bosch toe,
Zoete lieve meid.

Wat zullen wij daar drinken enz.
Brandewijn met suiker enz.
Wie zal dat betalen enz.
De boer, dien wij gaan halen enz.
Waar zal hij dat halen enz.
Al uit zijn linnen beursje enz.
Wat zullen wij daar eten enz.
Rijstepap met suiker enz.

Deze rijmpjes worden doorgaans gevolgd door een langgerekt “kjoeuw”.

Intusschen is de nieuwe woning in orde gemaakt,—trouwens elke nieuwe woning wordt door de buurt in staat van bewoonbaarheid gebracht. Het heele huis is schoongemaakt: de vloeren geschrobd, de muren gewit, alles gepoetst, gewasschen, gesierd; daarna is de mei of een kroon op het dak gezet en, ten teeken van volbrachten arbeid, de bezem uit het dak gestoken; van daar de uitdrukking: “den bezem uitsteken.” Plaatselijk dansen de buurmeisjes dan in de feestelijk uitgedoste woning. Zij hebben nu recht op een onthaal, in het Oosten van het land het intrekkingsmoal genoemd. In het zuidelijk gebied heeft dit onthaal geen afzonderlijken naam. Natuurlijk wordt koffie gedronken, waarbij krentenmik gegeten wordt “en andere”; elders nuttigt men de onafscheidelijke stoete. De kroon, die de huifkar tooide, wordt in het nieuwe heem opgehangen en blijft daar, tot ze verdord of versleten is.

Een oud gebruik, en waarschijnlijk oorspronkelijk wel bedoeld als een offer aan de huisgeesten, is het oostelijke vuurbeuten, d.i. het vuur aanleggen in de nieuwe woning door de buurvrouwen, plaatselijk—maar jonger—ook door de buurmeisjes; men vergelijke hiermee het huisoffer bij het huwelijk, bl. 261. Ook in het Bentheimsche bestaat dit gebruik. In Oost-Vlaanderen loopt ʼs avonds de heele buurt samen, elk met een bosje stroo, dat ter eere van den nieuwen buurman wordt gebrand; men noemt dit, de nieuwe buren inbranden. Het onthaal draagt den naam van de overhaalfeeste; zie Loquela XII, bl. 69.

Overeenkomstig dit gebruik wordt een nieuwe herberg met meitakken gesierd; ook plant men vóor de deur wel eens een meiboompje. Te Kessel (L.) brengen de buurtjongens den kastelein het uithangbord; het hierop volgend onthaal heet dan schildverteren.

Bij ziekte wordt door de buurt geneesheer en geestelijke gehaald, gewaakt, gebeden. Vooral na de berechting onderneemt in katholieke streken de buurt een bidgang naar een nabijgelegen kapel. Treedt de dood in, dan zijn het weer de buren, die den doode afleggen, overluiden, bewaken. Zij belasten zich met de toebereidselen tot de ter aarde bestelling, dragen het lijk, delven den kuil, verrichten de begrafenis. Hoe treffend is niet de Limburgsche gewoonte, waarvolgens de buurmeisjes kransjes vlechten voor de overleden kinderen en ongehuwden, en in den lijkstoet palmtakken dragen, die dan gestoken worden op het graf.

De gezellige bijeenkomsten dragen den naam van buurting of buuravond; het onthaal, dat billijkerwijs de bewezen diensten volgt, heet bier of maal, terwijl het plaatselijk een specifieke benaming mist. Dit bier is een echt Nederduitsch instituut; zie ook Winkler, Oud Nederland, bl. 816. De naam van den drank, die het hoofdbestanddeel vormde, is op de feestelijke bijeenkomst zelf overgegaan en bleef, ook toen deze drank geheel op den achtergrond raakte. Zoo kent men het geboorte- of kinderbier, Friesch bernebjiar, het meibier, gildebier, vastelavondbier, schuttebier, bij begrafenissen het doodbier, leedbier, troostbier, droefheidbier, groevebier, Friesch leedbjiar en treastelbjiar, ook wel loofbier genoemd, wanneer de doode geloofd wordt; bij verloving het verlovingsbier. Was men bij het bouwen van een huis in Friesland zoover gevorderd, dat men de daksparren met pannen dekte, dan gaf men het pannenbjiar, vergel. de Zeeuwsche uitdrukking te biere gaeë, zie ook De Bo, West-Vlaamsche Idioticon, bl. 127. Over het Limburgsche huulbeer is gesproken, zie bl. 263. Elders spreekt men van een intrekkingsmaal (bij verhuizen), een steendermaal (bij het aanbrengen van bouwmateriaal), een richtemaal (als de gebinten gericht zijn), een mestmaal enz.

Bij den landbouw en het akkermansleven openbaart zich een nauw betrekkingsgevoel tusschen den landbewoner en de omringende natuur, en een gevoel van wisselwerking tevens. Verkondigt een dorre twijg den dood aan dengene, die hem het eerst waarnam, omgekeerd kan men, door een stroopop in het water te werpen, de natuur tot regen dwingen (vergel. bl. 195). Dit is meer dan poëzie en symboliek, dit is, hoewel onbewuste, sympathetische magie, die op een zekere animistische natuurbeschouwing en ten deele op natuurvereering berust, in zoover hier althans van fetissisme spraak kan zijn. Maar naast en boven dit animisme of dynamisme is in de akkergebruiken nog een andere faktor werkzaam: het religieuze bewustzijn van de voorzienigheid Gods en Zijn heerschappij over de natuur.—

Reeds is voor het zaaien gezorgd door palmblaadjes tusschen het zaadkoren te leggen; dit bevordert de vruchtbaarheid. Maar deze maatregel is niet voldoende; want het is lang niet onverschillig, wanneer gezaaid wordt. Vrijdag en Maandag zijn daartoe niet geschikt. Verder meent de landbouwer, als vroorogge op Sint Pieter vóor den middag gezaaid wordt, dan schieten er aren in; niet aldus, wanneer in den namiddag gezaaid wordt. De laatste volle week van September mag niet gezaaid worden; dit is de springweek, dan springt het zaad uit den grond op. Rogge moet ook gezaaid worden met wassende maan (sympathie), maar niet tusschen twaalf en éen, en evenmin op Quatertemperdagen. Zoo mag men ook in de Kruisdagen geen boonen poten. In Vlaanderen en in den Achterhoek acht men het verkeerd “bij twee lichten” te zaaien, d.i. als zon en maan aan den hemel staan; daarentegen zaait men in het Rijnland juist bij twee lichten gaarne tarwe, dan wordt zij mooi wit (sympathie).

Zeer verspreid is de gewoonte, vóor het zaaien een kruis te slaan en ook de drie eerste worpen in kruisvorm te doen, en wel onder een spreuk, waardoor Gods zegen wordt afgeroepen. Maar meer mag men niet spreken, opdat de vogels het niet merken. Het zaad moet men hoog opwerpen, dan groeit het graan hoog op (weer sympathetische magie). Laat men des nachts ploeg of eg op het land staan, dan zet men deze recht op in het veld, dat de heksen er onder kunnen vluchten (Limburg).

Intusschen schiet het graan welig op. Het is voor den landman een heilige tijd, een tijd van bange zorg en blijde hoop, als de velden zich steeds rijker bekleeden met den zegen des hemels. Nu rijdt men om de akkers, dat de oogst moge gedijen; nu bezigt men allerlei afweermiddelen tegen hagelslag, onweer, brand, vooral tegen de vratige vogels: de vogelverschrikkers hebben niet slechts een praktisch doel, maar doen tevens eenigermate als fetis dienst. Op de Duitsche grens leest men plaatselijk ʼt Sint Jans Evangelie tegen de musschen; tegen misgewas steekt men in Vlaanderen en Limburg een gewijd palmtakje op de vier hoeken van den akker. Het is een belangrijke, hoog-ernstige tijd: dans en andere vermakelijkheden moeten nu rusten...

Het omrijden der akkers en het rondtrekken om de graanvelden, wat ook eertijds te Rome in zwang was, heeft ten deele een gekerstenden vorm aangenomen in de processies. Het is zeker niet toevallig, dat de litania maior, de voornaamste processie met litanie-gebed op Marcusdag (25 April), juist op denzelfden datum valt, waarop eertijds te Rome het voornaamste ambarvale plaats had: ommegang, bedegang door en om de velden voor het gedijen der veldvruchten en het afweren van schadelijke invloeden. Ook bij deze en dergelijke heidensche processies sprak men wisselgebeden in dialoogvorm. De heidensche processie op den 25sten Maart werd gehouden ter eere van Robigo, een godheid, aangeroepen ter afwending van ziekte in het graan of van den meeldauw. Met het feest van den H. Marcus heeft de litania maior niets gemeen.

Maar reeds heeft de kwartel den oogst aangekondigd; en de landman weet het, als de kwartel slaat, dan korrelt het graan goed:

“zooveel maal als hij slaat, zooveel vat uit de vim”, zegt een Limburgsch spreekwoord.

Weldra, als de wind door de aren speelt en het graanveld doet golven, dan gaat de koorndaemon door de halmen, evenals de boomgeest zich openbaart in het ruischen van het loof. “De roggehonde loopt er deur”, zegt men dan in de Graafschap, of “de roggemeuje het de varkens oet.” Hier ontmoeten wij voor het eerst den genius der vruchtbaarheid op het graanveld. Hij neemt nu eene menschelijke gedaante aan (korenmoeder, roggemeisje), dan weer die van een dier (hond, wolf, haan, haas, bok enz.). Kinderen, die het graan vertrappen, waarschuwt men voor het korenwijf, de roggemoeder of den bok. De hond, haas enz. komt er bij de laatste schoof uit; dan moet een der binders met open schort voor de halmen gaan zitten, om hem te vangen. Zoo komt het, dat elders de laatste schoof den vorm van een hond, haas enz. aanneemt. Zie Sartori, Sitte und Brauch II, bl. 87; Mannhardt, Baumkultus, bl. 611; Roggenwolf und Roggenhund2 (Danzig 1868), passim; Die Korndämonen (Berlin 1867), passim.

Het is een weldoende toon in het volksleven, dat de graanoogst, het moeizaamste en gewichtigste werk van het geheele jaar, als een feest wordt opgevat. Op Jacobidag (25 Juli) pleegt hij een aanvang te nemen. Het nijvere landvolk zweet en zwoegt, de buren bieden de helpende hand, maaien de halmen, binden de schooven, stapelen op de oogstkar het kostbare loon van zooveel moeiten en zorgen, en bij het haren der zeisen en het zwaaien der sikkels klinken vroolijke oogstliederen als deze:

De wumpel de strumpel de kanne met bier,
Die hebben we hier op ons pleizier!
Zoetemelk met roome,
Jan Dirksen is mijn oome,
Peet Trijn, dat is mijn bestemoer,
Zoo gaane we mee op het leste voer.

(Noord-Holland).

Het laatste voer is op de baan,
Dat in den boer zijn schuur moet gaan.
De luie boeren alleen hebben nog staan.

(Oost-Vlaanderen).

En nog komt met Sint Joapik de boer handen te kort. Dit blijkt uit verscheidene zegswijzen. Als ʼt heeft geijzeld, en de boeren de hoefijzers der paarden moeten laten scherpen, zegt men: “ʼt Hef glad iêzelt, de boer hef vandaag zienen Sint Joapik”, en zijn er veel huwelijken na den gesloten tijd, dan hoort men wel eens: “Onze pastoor hef regtevoott zienen Sint Joapik”.

Eindelijk bindt men de laatste schoof. Evenals in de lentegebruiken de vegetatiedaemon door den meiboom of door een omloofde menschenfiguur wordt voorgesteld, aldus ook de koorngeest in de oogstgebruiken. Men beeldt hem uit in een schoof, met bonte linten en bloemen gesierd en veelal gebonden in den vorm van een pop, en deze draagt benamingen als: korenmoeder, roggewolf, roggehaan enz.; immers, het dier, dat sprong door het golvende graan, heeft men gevangen in de laatste garve. Buiten onze grenzen wordt ook wel de maaier in de laatste schoof gebonden en in water gedompeld. Zij wordt ook vaak met eetwaren als appelen, gebak, eieren enz. gesierd en men danst er om heen, als om den meiboom. Een verdere overeenkomst met den meiboom is deze, dat b.v. in Westfalen de laatste schoof wordt bekroond door een uit hout gesneden en op een stok bevestigden haan, die met den haanvorm, waarin somtijds de laatste schoof gebonden wordt, niets gemeen heeft. Deze haan rust op den oogstkrans, en troont dan veelal op den zoogenaamden Harkelmai, die zijn benaming aan de bijeengeharkte halmen dankt: de overeenkomst met den kleinen meiboom, dien wij palmpaasch noemen, is weer bijzonder treffend. Na afloop der feestviering spijkert men den haan met den oogstkrans aan den gevel van het woonhuis, waar hij tot het volgende jaar blijft prijken. Zoo verklaart men de gewoonte van het hanenslaan in sommige streken na het oogstfeest—in den Elzas bindt men een levenden haan aan den oogstmei!—en evenzeer de Twentsche benaming voor het oogstfeest: stoppelhanen.

De laatste schoof wordt ook de geluksgarve genoemd, omdat men van haar geluk en rijkdom verwacht voor het volgende jaar; want de genius van de groeikracht en den wasdom, dien de oogstmei uitbeeldt in betrekking tot de graanhalmen, welke hij tooit, wordt ook beschouwd als de onafgebroken voortlevende groeikracht der veldgewassen. Andere benamingen zijn: de Olle, ʼt Olde Wief enz., welke wellicht betrekking hebben op een Oudgermaansche goddelijkte verpersoonlijking der vruchtbaarheid.

Te Hengeloo, Steenderen, Zelhem, Ruurloo en andere dorpen van de Graafschap maken de binders, als de laatste halmen gemaaid zijn, een bijzonder groote garf, die uit vijftien gewone garven bestaat. Deze wordt dan met groene takken en bloemen gesierd en draagt den naam van ʼt Olde Wief. Straks komen de knechten met een langen staak, steken haar dien door ʼt lijf en dragen haar in optocht naar de woning van den boer, waar ze voor de deur wordt neergezet. Met eenige plechtigheid wordt dan de feestgarve aan de vrouw, die inmiddels naar buiten gekomen is, aangeboden. Ook draagt men de reuzenschoof wel eens naar binnen en dan wordt er om heen gedanst.

Ook elders bestaat een dergelijk gebruik. Te Neerbosch (G.) en omstreken, Heel, Geleen, Vlodrop, Reuver, Tegelen enz. (L.) maakt men de laatste schoof dubbel zoo dik als naar gewoonte; zij wordt met groen en bloemen, met een mei, opgesmukt en dan op de kar geladen. Een joelende menigte van jongens en meisjes omstuwt het voertuig, en langs den grootst mogelijken omweg begeeft de stoet zich huiswaarts. In het dorp zet men het feest tot laat in den avond voort, want rijkelijk wordt de jeugd door den eigenaar op koffie, bier, brandewijn en vla onthaald. Te Nederweert vergast men zich op Zichtezondag aan bier en zoete melk. Elders wordt alleen de laatste kar gemeid. Te Schinveld maakt men nog een stroopop, waarmee gesold wordt.

In sommige Friesche woudstreken is het de gewoonte, dat op de laatste van het veld komende wagenvracht boekweit een meiboom wordt geplaatst, en wel een tak van den lijsterbessenboom met de rijpe bessen er aan. Op het Bildt zaten voorheen op den laatsten wagen boonschoven, die werden binnengehaald, twee jongens met een strooman. Zij zongen aldus:

Moer, moer, de pan over ʼt vuur!
Hier hê wij de leste gerven
Boven in de bergen,
Boven in de toppe.
Wanneer selle wij soppe?
Soppe wij van avond niet,
Dan soppe wij ʼt heele jaar niet.

In Zuid-Limburg draagt het oogstfeest de eigenaardige benaming van martelgaus (of -gans], klaarblijkelijk een vervorming, zonder eenige betrekking tot den gansvogel; een afdoende verklaring werd tot nog toe niet gegeven. Elders op Nederlandschen bodem biedt het oogstfeest weinig karakteristieks. In het Noorden heeft de vlag meestal het meiboompje vervangen. In West-Vlaanderen draagt het oogstfeest, of liever de feestmaaltijd, den naam van oogstfooie, elders dien van oogstkermis.

Ten slotte zij nog vermeld, dat in Oldenburg, Brunswijk, Hannover enz. een stuk koren ongemaaid op den akker blijft staan: het Vergôdendêl, dat kwalijk anders kan vertaald worden, dan als: “Frau Godens Anteil”, een hooioffer dus aan Wôdanʼs gemalin. Hiermee vergelijke men het schamel overleefsel, dat ons rest in het hooi voor het paard van Sinterklaas (bl. 123).

Het arenlezen is het recht der armen. Te Eibergen (G.) zingen de kinderen, als ze na het pungelen (aren lezen) huiswaarts keeren:

Moeder, moeder, ik heb moar eenen pungel epungeld,
Der was neet meer te kriêgen,
Want as der nog meer te kriêgen was,
Dan haʼk wal meer noa ʼt hoes ebrach; enz.

Terstond na het ten einde brengen van den veldarbeid begint het dorschen: een zwaar, moeitevol werk, waar men gaarne reeds vroeg in den morgen mee aanvangt. Volijverig hanteeren de dorschers den vlegel, en uit het rythme van den dorschvlegel groeit het dorschlied met zijn gespierde en toch zoo smijdige klankbeweging:

It klitst, it klatst,
ʼt Giet juwn toa gest,
Op tzies in brea
Mey ʼt heale gea.

(Friesland)

[Het klitst en klatst,
Het gaat van avond te gast,
Op kaas en brood
Met het halve dorp].

Zouden er geen liederen gezongen worden in den trant van Cremerʼs Betuwsch dorschliedje? Wij geven het natuurlijk met het noodige voorbehoud:

Lange vlegel, wonderklop,
Sloa dʼr helder lochtig op
Vief en twintig duuzend slag,
Ielken korten wienterdag,
Met verdrag.
Vlêgel! klap ʼm, klep ʼm, klop,
Die ʼt niet gleuft op stuggen kop.

Vooral het dorschlied steunt in zoo ruime mate de stelling van Karl Bücher, dat het arbeidslied zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan inspannenden, eentonigen arbeid gaf, om het eentonige te breken en de vermoeienis te doen vergeten.

Het gewichtigste oogenblik bij het uitdorschen is dat van den laatsten slag. In ons zuidelijk volksgebied bestaat vrij algemeen het gebruik, dat bij het afdorschen van het laatste koren alle dorschers tegelijk met de vlegels op den vloer slaan; in het Oosten van ons land heette dit de drobbelslag. Uit vergelijking met uitheemsche gebruiken blijkt, dat deze slag oorspronkelijk den koorndaemon gold, die immers mee in de schuur gevlucht is. Tegenwoordig is het een teeken, dat de vrouw van den eigenaar moet komen, om de arbeiders te trakteeren.

De greidboer heeft geen bouwland, hij is enkel veehouder, hij kent alleen den hooi-oogst. Maar de gebruiken, hiermee verbonden, zijn over het algemeen veel minder ontwikkeld dan die van den graanoogst. Na afloop volgt het hooimaal, een afscheidsmaal, dat de boer aan zijn werkvolk geeft; het bestond van ouds uit spekpannekoeken. De laatste wagens worden op Ameland met vlaggen versierd.

Worden de groote schuurdeuren geopend, dan gebeurt het vaak, dat zwaluwen komen rondfladderen in de ledige ruimte der schuur. Dan zingt de jeugd—en ook wel in het voorjaar bij den terugkeer,—het zwaluwgetjilp nabootsend:

Verleden jaar, toen ik hier was,
Was dit vak vol en dat vak vol,
En nu is alles weer verteerd, verteerd, verteerd.

Of wel:

Toen ik weg ging, waren alle kistjes en kastjes vol,
Maar toen ik weer kwam, was alles verslikkerd, verslekkerd,
verslierd, verslierd.

Men vergelijke het Brunswijksche:

As ik weggung, as ik weggung,
Was dit fak vull, was dat fak vull,
As ik wêʼerkam, as ik wêʼerkam,
Was alles verslickert, verslüert.

Laat ik nog vermelden den vlasoogst, vroeger zoo belangrijk met het oog op het algemeen gebruikelijke, huiselijke spinnen; den hopoogst, die eertijds aanleiding gaf tot het befaamde Geldersche hopmaal met zijn lekkere, gerezen pannekoeken; eindelijk den koolzaadoogst, daarom niet onbelangrijk, dewijl de laatste zak door een groenen tak, een mei werd gesierd. Met de muzikanten voorop ging de stoet zingende naar het huis van den boer. Maar reeds in 1839 was, volgens den Gelderschen Volksalmanak, dit feest kwijnende.

In Noord-Brabant, b.v. te Duizel, kent men nog de aardappelfooi, vroeger in de omstreken van Breda de boekweitfooi, vergel. de Antwerpsche pataatfooi, naast de Vlaamsche oogst-vlas- en zaadfooi (bl. 283). Het woord fooi heeft hier de beteekenis van “afscheidsmaal”, die ook het Middelnederl. foy, voy bezat. Een nog oudere beteekenis is “reis, weg”; immers het woord heeft zich ontwikkeld uit het Fransche voie: “reis, reispenning, teerpenning.”

Zie Mannhardt, Baumkultus, bl. 190 vlg.; Driem. Bladen I, bl. II, bl. 70; Dr. De Vooys, in Volkskunde XXIV, bl. 154; Schrijnen, in Limburgʼs Jaarboek I, 3, bl. 25 vlg.; H. Welters, Feesten enz.; bl. 50; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 312 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 261.

De veeteelt is reeds elders ten deele besproken, zoo b.v. de stalling bij de verschillende huistypen en eveneens de afweermiddelen, die ter bescherming van het vee tegen onheilvolle invloeden worden gebezigd. Ook de hooioogst behoort tot dit onderwerp.

Vooral de paarden staan bloot aan betoovering en aan kwelling van de maar, die onontwarbare knoopen in de manen vlecht en de dieren in zweet drijft. Hiertegen bestaan afzonderlijke bezweringsformules. Ook paardekoppen in den gevel oefenen beschermenden invloed uit. De koeien en schapen worden op gezette tijden door de vaart gedreven, om ze vruchtbaar te maken en tegen ziekten te beveiligen. Op een meidag drijft men de koeien in de weide en tegen Sint Katherijne komen zij weer op stal. In den omtrek van Bredevoort en Aalten (G.) hebben de koewachters hun eigen deuntje, waarmee ze elkaar toeroepen: “Alleli, allo, Derk, Jan, enz., allo, kom hier allo, gauw dan alio, alleli, allo”. Dit “Alio, alleli” dient ook om des avonds de koeien bijeen te roepen.

Bijzondere voorschriften gelden bij het melken, om te maken, dat de melk overvloedig is, niet blauw, dat zij niet onmiddellijk stolt, dat zij niet botert; hiertegen beveiligt vooral de vlierstruik. Ook palm en kruidwisch worden in den stal aangebracht; spinnewebben ziet men er graag.

Schapen, geiten en varkens spelen in het volksgeloof een ondergeschikte rol. Van meer belang zijn hond en kat, die vooral het weêr voorspellen, maar toch ook geluk of ongeluk aankondigen. De kat staat in betrekking tot het huwelijk (bl. 90, 253), kondigt bezoek aan en ziet sterfgevallen vooruit. Van groot belang is, zooals wij zagen, de haan bij de vruchtbaarheidsgebruiken, bij het oogstfeest enz. Hij beveiligt tegen schadelijke invoeden en is daarom wel vooral symbool der vruchtbaarheid, zooals ik reeds op bl. 96 en elders heb betoogd. Eindelijk, in hooge eere staan de bijen, het eenige insekt, dat huisdier geworden is. Zij staan in nauwe betrekking tot het gezin van den iemker; zijn dood wordt hun aangekondigd; met de naastbestaanden dragen zij rouw.

← Back to Nederlandsche Volkskunde

Scroll to Top