Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNederlandsche VolkskundeI — Volksetymologie · 24 of 28Contents›

Nederlandsche Volkskunde

by Jos. Schrijnen

24 of 28 · Contents · Download EPUB

I Volksetymologie

De term “volksetymologie” heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in de Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung XXIII door W. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen van Max Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie, Moltzer en Verdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht door Steinthal, Paul en Wundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den Zweed Kjederquist in Paul und Brauneʼs Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie van C. de Vooys in de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.

Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: “onbewuste klanken begripsassociaties met of zonder wijziging van den woordvorm”. Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbare zondvloed, uit het Oudhoogduitsche sin-vluot “groote vloed”, door het volk met “zonde” in verband gebracht, en het kinderlijke lepeltraan voor levertraan. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat onbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar geworden sin vervangen door of liever vervormd tot het bekende zond(e) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.

Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnsche quiritare “luid schreeuwen” eertijds wel eens met Quirites “Romeinsche staatsburgers” in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).

2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v. Sint Reinuut: schoon op, “rein aus”, voor Sint Reinout; kattegezanik voor katechesatie; zemelachtig voor zenuwachtig; hij lijdt aan de griep, eigenlijk “verkoudheid”, maar met “grijpen” in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: “Sint Andries brengt de vries, Sint Mathijs breekt het ijs.

3. Zuivere klankassociaties, als krant uit courant, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. In deze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgeven oorlam, uit het Maleische orang lama; wellicht scheurbuik, uit schorbût; maar stellig niet het Vlaamsche scheurbek, en evenmin suikerij en zenuwbladen (Folia sennae), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.

Scheurbek, suikerij en zenuwbladen behooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v. Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf;—de bast van Rhamnus frangula: ramenasbast;—Oleum ricini: rosijnenolie;—nieswortel: Limb. anieswortel;—Unguentum hydrargyri tegen ruit: ruiterszalf of ruitertjeszalf. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming van Aloë socotrina tot Limb. sȯkertrienschen aloë, d.i. suikertrijnsche aloë. Zie hierover het artikel van Denis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl. Aloë wordt ook wel alewien.

De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woord katapult begrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woord kat brengt menigeen er toe, katapult ongewild te vervormen tot kattepul, of nog meer teekenend tot kattepiel (= pijl), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden: drieangel (triangel), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel; sukerla (chokola); lekkeris (lacarissa = drop); prulleet (proleet); honinggraat (honigraat). Hagedoorn wordt volksetymologisch tot hageldoorn; hazelnoot tot hazenoot; nieuwsgierig Aagje tot nieuwsgierigaardje; meikever tot meikegel (kleuriger is het Hoogduitsche Meikleber); Nijmegen tot Nimwegen; madeliefje, Middelnederl. matelieve, is vervormd tot maagdeliefje en tot meizoe(n)tje, en dit weer dialektisch tot mêlzeûdje (zaadje). De appelen, die wij zijden-hempjes noemen, stammen uit de Engelsche stad Sydenham. Men denke ook aan de uitdrukking “straten voor stegen kennen”, die in Limburg, waar men geen stegen kent, wordt: “straten voor steenen kennen”; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.

Van plantnamen noem ik nog de bijvoet (Artemisia). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vorm bijboot in verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft. Zonnedauw, onze benaming van de Drosera, heeft zich volksetymologisch uit sinnau “immerdurende dauw” ontwikkeld. Rosmarijn, uit het Latijnsche ros marinus “zeedauw”, wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werd rozemarijn onder den invloed van roos. Herba Mandragorae werd mandragerskruid. Het peperboompje (Daphne Mezereum) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengel miserieboomke. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal: botram-marcheertrommel (botaniseertrommel); manheer (meneer); het reeds genoemde lepeltraan enz.; zie vooral De Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.

Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v. geeuwhonger en nachtmerrie. De verouderde vormen gee: ga en mare zijn hier met geeuwen en merrie (men denke aan het nachtspook, dat iemand “berijdt”) in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.

Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheel verdrongen wordt. Zoo beduidde pootig oorspronkelijk “koppig” en had ophemelen de beteekenis van “schoonmaken”.

Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. In lintworm beteekende lint oorspronkelijk insgelijks “worm”, terwijl men het thans met ons lint in verband brengt. Ongelikt wordt tegenwoordig met het gewone werkwoord likken verbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoord likken, dat de beteekenis van “polijsten” had. In Donderstraat is geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet met Prof. Donders, maar met donder in verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht is rijn (rein) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.

Van deze klanken begripsassociatie verschilt de etymologische natuurverklaring, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming van Arum tot Aron zal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra van Aronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf. De Valerianella olitoria heet ook Sanctae Clarae herba; het volk gaat verder, en spreekt van kleer-ooge. Van den treurwilg weet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden, zuchtte Christus: “treure wilg, treure”. Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hij treurwilg. Het nieskruid wordt plaatselijk tot Agneeskruid; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde de boekweit. Zie vooral Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).

Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij “het is toch maar een mond vol land”: Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.

De Asperula odorata, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIe eeuw, als O.L. Vrouwen-bedstroo vermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:

Onzer-Vrouwen-bedstroo.

Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.

Op zekeren dag peinsde de H. Anna:

Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?

Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.

“Nu ik heb het gevonden”, riep zij uit. “Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen”. Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.

Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:

“Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!” zeggen zij eenvoudig.

(Uit Vlaanderen).


Eindelijk de volksetymologie van plaatsnamen.

Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: “Grijp! Grijp!” Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: “Sa mar! sa mar!” (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: “Berg hem! Berg hem!” Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem). Waling Dijkstra verhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijl De Cock in zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaats Kalevoet geheeten, d.i. Karel-te-voet.

← Back to Nederlandsche Volkskunde

Scroll to Top