I Raadsels en Spreekwoorden
De raadsels behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken—ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden—zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.
Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.
Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:
Daar vloog een vogel Vederloos
Op een boom Bladerloos,
Toen kwam een juffrouw Mondeloos,
Die at den vogel Vederloos
Van den boom Bladerloos.
Ik schrijf “Vederloos” enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers Roodrok, het varken Knorrepot, de appel Gladkop, de ooievaar Hap-op, de donder Holderdebolder, de wieg Wikkeldewakkel, de kikvorsch Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaan Mijnheer De Wit, het water Juffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips-en gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.
Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:
Daar was een man, en ʼt was geen man,
Hij liep op een pad, en ʼt was geen pad,
Hij droeg water zonder vat;
Rà, rà, wat is dat?
(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).
Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:
Die het maakt behoeft het niet,
Die het vraagt behoudt het niet,
Die het koopt begeert het niet,
Die het heeft die weet het niet.
(Een doodkist).
In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.
1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. “Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen”, schrijft Amaat Joos, “de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en ʼt niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;—den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;—de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken ʼt onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];—de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan.”
Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.
1.
Holderdebolder
Liep over den zolder;
En zeven mansheeren
Die konden Holderdebolder niet keeren.
(De donder).
2.
Verre boven de drieschen
Hoorde ik een peerdeken brieschen;
Daar is noch wijf noch man,
Die dat peerdeken breidelen kan.
(De donder.—België).
3.
Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen,
Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen,
Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.
(Hemel, maan, sterren).
Belgische vorm:
Laken, dat ge niet vouwen kunt,
Een appel, dien ge niet schellen kunt,
En geld, dat ge niet tellen kunt.
4.
Tusschen hier en Romen
Staan zeven hooge boomen;
ʼt Zijn geen iepen, ʼt zijn geen esschen,
Je zult het niet raden, al was je met zʼn zessen.
(Het zevengesternte).
5.
Achter in mijn vaders tuin,
Daar staat een boom met kralen,
En die die kralen tellen kan,
Die is de baas van allen.
6.
Lapken, lapken,
Duizend lapken,
ʼt Is genaaid zonder naald of twijn,
ʼk Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.
(Een wolk.—Dendermonde).
7.
Tusschen hemel en aard
Staat een lange groene gaard.
ʼt Zijn geene eiken, ʼt zijn geene esschen,
Je zult het niet raden, al waart je met zessen.
(De regenboog.—Limburg).
8.
Ons Lieve Vrouwken van Laken
Spreidt een wit laken
Op land en zand,
Maar niet op den waterkant.
(De sneeuw.—Antwerpen).
9.
Daar staat een juffrouw in de deur,
Met een witte schorldoek veur.
Hoe meer dat ze staat,
Hoe meer dat ze vergaat.
(De sneeuw).
10.
Eene planke
Van Godes danke;
Het en is noch hout noch eeke,
Noch eeke noch hout.
Als gij het kunt raden,
Geef ik u eene ton met goud.
(Het ijs.—België).
11.
Daar gaat een ding om het huis,
Dat kijkt door alle gaatjes.
12.
Rondom de meulen
Liepen twee pèretjes speulen.
Der is geen eenen ouwen man,
Die déé twee pèëren keeren kan.
(De zon en de maan.—Zeeland).
13.
Toen ik was jóng en schóon,
Droeg ík een bláuwe króon.
Toen ík was óud en stíjf,
Slóegen ze me óp het líjf.
Tóen ik wás genóeg gedrágen,
Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.
(Het vlas).
14.
Eerst zoo wit als vlas,
Dan zoo groen als gras,
Dan zoo rood als bloed,
En dan zoo zwart als roet.
(De braambes).
15.
Van binnen wit, van buiten zwart,
Drie ruggen en geen start.
(De boekweitkorrel).
16.
Der sit in jifferke yn ʼt grien,
Mei in mooi read rokje oan.
Als men ze knypt den skriemt se,
En dôch het se in stiennen hert.
(De kers.—Friesland).
17.
Daar staat een boom in ʼt Westen,
Met twee en vijftig nesten,
Ieder nest met zeven jongen,
Râ, wat namen zij ontvongen?
Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.
Ons bekend rijmpje:
18.
Hummeltje Tummeltje klom op den wagen,
Hummeltje Tummeltje viel van den wagen,
Daar is geen eene timmerman,
Die Hummeltje Tummeltje maken kan,
waarvan een Vlaamsche lezing luidt:
19.
Hippekentippeken op de bank,
Hippekentippeken onder de bank;
Daar is geen smid in Ingeland,
Die Hippekentippeken maken kan,
vertoont in Brunswijk den vorm:
Hummelke Trummelke lag upʼr bank,
Hummelke Trummelke feil vonʼr bank;
Et was kein doktor inʼn gansen land,
De Hummelke Trummelke weʼer mâken kann.
In Engeland luidt het raadsel aldus:
Humpty Dumpty sate on a wall,
Humpty Dumpty had a great fall,
Three score men and three score more
Cannot place Humpty Dumpty as he was before.
Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:
20.
Ik klopte al op een witte deur,
Daar kwam een bruine pater veur.
Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:
21.
Achter in mijn vaders tuin
Daar staat een boom met groente;
Hier een boom, daar een boom,
Ieder boom een tak;
Hier een tak, daar een tak,
Ieder tak een nest;
Hier een nest, daar een nest,
Ieder nest een ei;
Hier een ei, daar een ei,
Ieder ei een zwart plek op ʼt gat;
Râ, râ, wat is dat?
Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:
22.
Oude, grijze, grauwe,
Staat alle nachten in de dauwe,
Heeft vleesch noch bloed
En is voor alle menschen goed.
(De molen).
23.
Er vloog een vogel snel
Al over de diepe del (de zee);
Hij droeg botten en beenen
En had er zelve geene.
(Het schip).
24.
Achter molens duun
Dèr leit in oud peerd bruun,
Zonder kop en zonder steert,
Al syn ribben leggen verkeerd.
(Een omgeploegd stuk land.—Ameland).
25.
Daar waren eens vier zustertjes,
Die klommen op hooge mutstertjes;
Daar waren eens vier broertjes,
Die klommen op hooge stoeltjes;
Ze naaiden zijden kapjes
Van honderd duizend lapjes,
Zonder naald en zonder twijn:
Je zult het niet raden, al ben je fijn.
(De spin, die haar net maakt).
26.
Er ging een mannetje door den dam
Met een fluweelen wammesje an.
(De mol).
Of ook:
27.
Jan De Bruin
Zat in den tuin,
Hij had geen paard of ploeg,
En toch bouwde hij land genoeg.
(De mol).
28.
Daar is een ding
Dat pinkt
Dat knipt en winkt
En lacht en vinkt...
ʼk Zou alzoo wel willen pinken,
Knippen en winken
Lonken en vinken,
Gelijk dat ding
Dat pinkt
En knipt en winkt
En lonkt en vinkt.
29.
Daar gíng een mánnetje óver den díjk
Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk,
Mét zijn háartjes krúlderdekrúl;
Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.
(Het schaap).
30.
Het is, waarin het water vloeit,
Het is, waarop de bloeme bloeit,
Het is, waarop bij dag en nacht
De moede mensch de rust verwacht,
Het is, gelijk men dikwijls zegt,
Van dat, waarin men dooden legt.
(Het hout.—Land van Waas).
Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:
31.
Dribbel drabbel dribbelgat,
Hwêr komst dou fen dinne?
—Ut de ierde,
Swart forbarnde tsjettelkop.
(Friesland).
Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:
32.
—Du kromme, du lange,
Van waar komde gegangen?
—Ei du met dijn geschoren gat,
Waarom vraagde mij dat?
De Zeeuwsche vorm luidt:
33.
—Joe kromme, joe slomme,
Wèr kom je van dèn gezwomme?
—Joe afgeschoren schietgat,
Wèrom verwiet je me dat?
Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:
—Lanke krummumme, wo wutte hen?
—Korte vorschorne, wo frägste nâ,
Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.
2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.
34.
De kist, die leefde,
Die er in zat, beefde;
De kist, die at,
Die er in zat,
Bad.
(Jonas in den visch.—België).
Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.
35.
In ʼt Land van Cadsant
Ging een man over zijn land
Met ʼnen ginger,
Met ʼnen springer,
Met ʼnen hoepsasa;
Hij hield iets in zijn handen;
Hij ging al zoo zeere
Om zijn land te keeren.
(Hij ging met een paard en een riek).
36.
Hoop en vrees zat op den wagen:
Hij zag tweebeen vierbeen dragen.
Heeren raadt en zegt het mij,
Als ge ʼt niet raadt, dan ben ik vrij.
Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels den detritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,—antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).
Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.
Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:
37.
Ik ging en ik kwam
Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam;
Die vijf maakten mijn drij vrij;
Weet ge ʼt, zegt het mij.
Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:
38.
Toen ik henenging en wederkwam,
Vijf levenden uit den doode nam,
De zesde maakte den zevende vrij,
Nu, heeren, raadt en zegt het mij.
Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:
39.
Gezogen, gezogen,
Landsheeren bedrogen,
Kind geweest
En moeder geworden.
Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:
40.
Heeren bedrogen,
Muren doorzogen,
Wiens kind ik ben,
Wiens moeder ik wierd.
“Muren doorzogen”, omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.
Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pooten tweebeen, driebeen enz. genoemd worden. Zoo b.v.:
41.
Tweebeen zit op driebeen
En trekt aan vierbeen.
(Het melkmeisje).
42.
Tweebeen zat op driebeen,
Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten,
Toen nam tweebeen driebeen,
Om er vierbeen mee te smijten.
(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).
3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle kwelvragen genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.
Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:
43.
Keízer Kárel hád een hónd,
Hóe héet Keízer Karels hond?
De naam van den hond was Hoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: “Ik leg het woord al in uw mond”, of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.
Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:
44.
Krom omgebogen,
Vlecht door getogen (getrokken),
Wan ik jou ʼt zekg,
Zul ei ʼt niet roan.
(De wan).
Zeer bekend is nog het kattenraadsel:
45.
Daar ging een mannetje over de brug,
Met zeven katten op zijn rug,
En ieder kat had zeven jongen,
Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?
(Twee).
Op de tweeduidigheid van het woord heeten spekuleert het raadsel:
46.
Koolwarmoes, die koud is
En drie dagen oud is,
Hoe heeten ze dat in Brabant?
(Boven het vuur).
Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:
47.
Aʼmsterdám, die gróote stád,
Met hóeveel létters spélt men dát?
(Met drie: d a t).
Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).—49. Wat voor haar had Mozesʼ hond? (Hondenhaar).—50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).—51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).—52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).—53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De spijkers in de schoenen).—54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).—55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).
Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).—57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).—58. Wie steekt er ʼs morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).—59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).—60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).
Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letter m). Zoo ook:
62.
ʼt Is in de vrouw en niet in den man,
ʼt Is in ʼt bier en niet in de kan,
ʼt Is in ʼt koren en niet in de wan,
ʼt Is in Karel en niet in Jan;
Zeg mij wie dit raden kan.
(De letter r).
4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: “Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:
Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:
Het maantje dat schijnt er zoo helder,
Het paardje dat loopt er zoo snelder,
Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?
Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.
Raad eens, wat is dat?—
Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.
Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,—in geen zeven jaar,—al ben je fijn,—al werdt je dol,—tot Baafmis,—tot Sinter Merten,—tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.
Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900–1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder Dijkstra, Uit Frieslandʼs Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.
Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de spreekwoorden van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.
De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn “gevleugelde woorden”, die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.
Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal-en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen man—, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.
Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinmanʼs, noch Harreboméʼs spreekwoordenboek, noch Stoettʼs magistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.
Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: “beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht” vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in “kap en kogel (kat en kogel) verliezen”, “met bed en bult vertrekken” enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnsche cras credo, of sanus salvus, dat in het Fransch sain et sauf werd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking “zooals het reilt en zeilt” (of “treilt en zeilt”, Zuidnederl. “reist en zeilt”) op een rijmloos: “zooals het rijdt en zeilt”, d.i. zooals het schip voor anker ligt (“rijdt”) en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: “wat niet weet, wat niet deert”,—“komt tijd, komt raad”, is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.
Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de “Gepaarde woorden of wederwoorden” bevat, ontleen ik het volgende.
Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).—Biezen en bijzen.—Hij is begraven zonder bimmen of bommen.—Blikken noch blozen.—Boe noch ba zeggen.—Buigen of bersten.—Vóor dag en dauw.—Door dik en dun.—Ditjeʼs en datjeʼs.—Van alles dubbel en dik hebben.—Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).—Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). —Groen en geel.—Daar zal hen noch haan over kraaien.—Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).—Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).—Kant en klaar.—Hij gaat naar kerk noch kluis.—Kijven en krakeelen.—Kind noch kraai hebben.—Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.—Klitsen en kletsen (met de zweep).—Klodderen en kladderen.—Spreken over koetjes en kalfjes.—Kort en klein slaan.—Voor kost en kleeren zorgen.—Kris en kras.—Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).—Lief en leed.—Listen en lagen.—Lonken en liefoogen.—Lui en lekker.—Vergaan met man en muis.—Perk en paal stellen.—Van Pontius naar Pilatus sturen.—Met potten en pannen.—In rep en roer.—Rijden en rotsen.—Schade en schande.—Schobben en schooien.—Slag om slinger vechten (hevig).—Dat gaat zonder slag of stoot.—Sloffen en sleffen (al slepende gaan).—Stijf en stom staan.—Taal noch teeken geven.—Vast en veilig.—Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).—Visch noch vleesch zijn.—Het is altijd vuur en vlam.—Vrij en vrank.—Wankelen en weifelen.—Hij gaat door weêr en wind.—Hij weet van wijken noch wankelen.—In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).—Wisjes en wasjes.—Zuur en zoet.—Zuchten en zagen (ontevreden zijn).—Zwieren en zwaaien.—Zwoegen en zweeten.
Eindrijmen. Blikken en flikkeren.—Bobbels en knobbels.—Brassen en plassen.—Dringen en wringen.—Drinken en klinken.—Hij kan gaan noch staan.—Garen en sparen.—Gedrang en geprang.—Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).—Met geld en geweld.—In geur en fleur staan.—God noch gebod ontzien.—Goed en bloed geven.—Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).—In handel en wandel.—Zich verdedigen met hand en tand.—Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).—Tegen heug en meug.—Van hoeten noch toeten weten.—Hoog en droog zitten.—Hotst het niet, dan botst het.—Hou en trouw.—Huis noch kluis hebben.— Jan en alleman.—Kikken noch mikken.—Zich kunnen kleeden en reeden.—Knotteren en stotteren (lastig zijn).—Krinkelen en winkelen (bochten maken).—Land en zand koopen (rijk worden).—ʼt Is alles krank en mank.—Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).—Iets van naadje tot draadje uitleggen.—Naam en faam verliezen.—Met pak en zak vertrekken.—Met raad en daad iemand bijstaan.—Rapen en schrapen (gierig zijn).—Rooken en smoken.—Wij hoorden ruit noch muit (niets).—Schot noch lot betalen (niets).—Schrijven en wrijven.—Smeren en teren (smullen).—Stank voor dank.—ʼt Vriest steen en been.—Steen en been klagen.—Loopen langs stegen en wegen.—Met tijd en vlijt.—Vrij en blij.—De zaak zooals zij waait en draait.—Wasschen en plassen.—Wroegen en zwoegen (hard werken).—Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.—Altijd zot of bot zijn.—Zwieren en tieren.
Halve rijmen. Dag en nacht werken.—ʼt Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).—Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.—ʼt Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).—Iets volhouden bij hoog en bij laag.—Jokken en gekken.—Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende “met huid en haar”).—Met stukken en brokken.—Tusschen waken en slapen.
Rijmlooze weder woorden. ʼt Is uit en amen.—Iets voor een appel en een ei verkoopen.—Baas en meester zijn.—Iets achter banken en stoelen steken.—Begekken en bespotten.—Over berg en dal.—Op dag en uur.—Door deur en venster slaat de rook naar buiten.—Na lang dingen en bieden.—Iemands doen en laten kennen.—Hij is al lang dood en begraven.—Eenzaam en verlaten.—Eer en faam verliezen.—Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).—Door eksters en kraaien uitgescholden worden.—Eten en smullen.—ʼt Is gedurig gaan en komen.—Iemand bedreigen met galg en rad.—Gelaarsd en gespoord.—ʼt Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).—Bij leven en welzijn.—Iemand kennen van haar tot pluim.—Vol haat en nijd zijn.—Daar zijn haken en oogen aan.—Hals over kop.—Met handen en voeten.—Have en goed.—Hij geeft om hel noch duivel.—Een leven, dat hooren en zien vergaat.—Een man van ijzer en staal.—Als kat en hond zijn.—Men moet kiezen of deelen.—Met koets en paard.—Het heeft kop noch staart.—Met kousen en schoenen in den hemel komen.—Lachen en boerten.—Iets wagen op leven en dood.—Mager en gezond.—Iemand man en paard noemen.—Bedorven in merg en been.—Moord en brand roepen.—Bij nacht en ontij.—Oud en wijs genoeg zijn.—Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.—Proper en net.—Rust noch duur hebben.—Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).—Slaven en wroeten.—Stellig en vast.—Vergaan tot stof en asch.—Loopen langs straten en wegen.—Op tijd en uur.—Verhuizen met tafel en bed.—Van toeten noch blazen weten.—Vast en zeker.—Met vedel en fluit.—Van iemands vleesch en bloed zijn.—Vloeken en zweren.—Vrede en peis (peis en vree).—Bij weêr en ontij.—Iets doen uit wrok en nijd.—Zang en dans, zang en spel.—Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). —Zonde en jammer.
Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: “waar het hart van vol is, loopt de mond van over”;—“die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in” enz., zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.
Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:
ʼt Mot nen grooten sprekkert wezen, diê ʼt nen zwiêgert verbettert.
In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.
Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.
Aj ʼn ekster uutstuurt, krie ʼj ʼn bonte vogel weer in huus.
Aj ʼt gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).
Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!
Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.
Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor “als het wintert”: “as de witte bijen vleegt?” Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.
Het dak: Doar is te völ dak op ʼt hoes (er zijn te veel luisteraars).
De onderschuur: Wisse bis doe baas—in ʼt onderschoer as de hond er nig is (Denekamp).
De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.
De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.—Den ʼt vuur schelt (mankeert), zoch ʼt in de assche.—An de pan sloan, dat ʼn kettel der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).
De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: “met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien.” Het gelag betalen is “het haal schoeren.”
Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:
Wat hes door? “Niks.” Door kans de kat met doodvoeren.
Der um hen drêjen as de kat um ʼn gleuinigen pap.
Ai-j de kat op ʼt spek bindt, dan wil het ʼt nich vretten.
Alles moêst, wat van katten komp.
Van ʼt hondengeleuve wezzen.
ʼt Geet um as ʼt hondebiêten (op beurt).
Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.
Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.
Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, “eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen”, hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I, passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: “hij heeft het achterhek mede gekregen”;—iemand in gevaar brengen: “iemand het vuur op de hilde beuten”;—wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: “hij wil poesten en houden het meel in den mond”; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: “poesten en houden het meel in den zak”. Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uit poesten of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.—De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: “huis is karnemelks borge” (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begrip sterven: “de vork neerleggen”.
Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: “hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen”;—hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: “hoe meer werk, hoe meer honig”;—wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: “die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken”.
Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. “As-te Grönnegers ʼt lief vol (h)ebbʼn, goan ze vot”, klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: “ʼt is nou oart, moar ʼt zal wel voart worʼn”, gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: “frisch weer zeggʼn ze nog, al klappertannʼn ze van koalle”. Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.
Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.
Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).
Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).
It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.
Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).
It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).
Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.
Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die “topzwaar” is).
Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.
Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).
Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.—
Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:
Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).
Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).
It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).
Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).
Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).
Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat “men moet zeilen, terwijl de wind dient.” Maakt iemand veel verteringen, dan “haalt hij zijn zeil in top”; versukkelt hij zijn tijd, dan “gaat hij met de laatste schepen onder zeil”; inslapen is “onder zeil gaan”; toornig opstuiven “met opgestoken zeilen komen aanzetten”; bedaren is “het zeil inbinden”; en verder:“stijf onder zeil zijn”;—“achteruit zeilen”;—“klein zeil voeren”;—“zeil op iets maken”;— “een oog in ʼt zeil houden”;—“alle zeilen bijzetten”;—“iemand in de zijde zeilen”;—“met een nat zeil loopen”;—“langs den wal zeilen”;—“met zeilen voor den mast liggen”;—“bakzeil halen”;—“in iemands zeilen waaien.” Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. “Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil,” meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: “dat is geen zeil voor dat schip.”
Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. “Iemand aanklampen”;—“iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden”;—“iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in ʼt vaarwater zitten, een steek onder water geven”;—“het anker lichten, laten vallen”;—“roeien met de riemen, die men heeft”;—“tegen den stroom oproeien”; —“in het riet sturen”;—“met de nachtschuit komen”;—“leelijke streken op zijn kompas hebben”;—“aan het roer zitten”;—“de vlag strijken”;—“bijdraaien”;—“de huik naar den wind hangen”;—“voor de haaien zijn”;—“naar wal sturen”;—“kant noch wal raken”;—“aan lager wal zijn”;—“de beste stuurlui staan aan wal”;—“oude schepen blijven aan land”;—“uitkaaien”; —“iemand aan den dijk zetten”;—“op ʼt droge zitten.”
Luide spreekt ook het visschersbedrijf. “Visschen, terwijl het water blond is”;—“een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen”; —“een visch (snoek) vangen”;—“visch moet zwemmen”; —“geen vin verroeren”;—“in troebel water is het goed visschen”; —“glad als een aal”;—“iemand aan zijn angel krijgen”;— “geld (boter) bij de visch”;—“aan den haak slaan”;—“achter het net visschen”—“het neusje van den zalm.”
Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.
Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: “het ijs breken”;—“zich op glad ijs wagen”;— “op oud ijs vriest het licht”;—“over ijs van éen nacht gaan”;— “beslagen ten ijs komen”;—“een scheeve (rare) schaats rijden”. Betrekking op den veestapel hebben: “de koe bij de horens vatten”;— “de koetjes loopen in mijn weiden”;—“zijn koetjes op het droge hebben”;—“over koetjes en kalfjes praten”;—“als de kalveren op het ijs dansen”;—“oude koeien uit den sloot halen”. Belangrijk is vooral de zegswijze “veel koeien, veel moeien”, niet slechts, omdat hier moeien bewaard is gebleven, het meervoud van moeie “moeite”, vergelijk het Hoogduitsche Mühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.
Holland is ook het land van de windmolens: “dat is wind op zijn molen”;—“de molen is door den vang” (de zaken loopen verkeerd);—“hij heeft een slag van den molen weg (beet)”;— “hij loopt met molentjes”. Maar Holland is vooral het waterland, “door den mensch ontwoekerd aan de zee”, schrijft bewonderend Edmondo de Amicis, “een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven”. Bevat het spreekwoord “die ʼt water deert, die ʼt water keert” niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.—Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord “Gods water over Gods land (akker) laten loopen”? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.
Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koperen ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek: Rust Roest.—En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: “goed rond, goed Zeeuwsch?”
Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.
Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:
Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs.2
Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.
Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).
Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).
Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).
Beer van Paters vêtje.
Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).
Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).
Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).
Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).
Det geit door ʼt getuug hêr (gaat te ver).
Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.
Van eine kale kermis toês kome.
Achterum is ʼt kermis.
Achter mienen rök is ʼt kermis.
Lache wie (as) ʼne kermishȯnd.
Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.
Gein schutterie zonder keuning.
Drij moal keuning is keizers rech.
Koeël is good ête, maar dan mȯt ʼt verke der door loupe.
Land bemiste lieët zich neet foppe.
Lekker is gouw de kêl aaf.
Eine lintworm in ʼt liêf hebbe.
Melk is beer veur de jȯnge, beer is melk veur de alde.
Ik bin ʼt meug (moe) wie kalde pap.
Moos is geine spekkóok.
ʼt Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.
Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.
De ploogestert stik (steekt) um door de bȯks oêt.
ʼt Geit um zoeë dun as pȯmpwater.
Hê lieët reube good moos zien.
Hê hêt ʼt spek hoeëg hange.
Det is zoovuël as ʼn vleeg in ʼnen brouwkêtel.
Eine mnd hebbe as ʼn woafelpan.
Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.
Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mȯte noeëts stil stoan.
Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).
Van ei joar mȯt me de ploog neet aan de wand hange (als ʼt een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).
Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).
Waat mʼn aan ʼt verke voort, krieg mʼn aan ʼt spek truuk.
Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.
Geliêk vieë lek zich gêr.
Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).
Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.
Eine vildershȯnd, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,—zien veur ʼnen boer niks wêrd.
Kald beer zit werm blood.
Hê is ʼnen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.
Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).
Hê hink mier aan de vaan as de ganse brȯnk wêrd is (bronk is hier de gilde-optocht).
Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).
Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.
De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).
Hê hêt de vogel aaf.
Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: “Groeëter is ʼt leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd”? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: “Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm”?
Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:
Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.
Me mȯt de kerk in ʼt midde loate.
Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.
Pastoeër zêgent zich zelf ʼt iers (eerst).
Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.
Rêgent ʼt op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.
Hê steit doa wie ʼn Poaskers (stijf-deftig).
Me mȯt eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).
Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.
Waat ʼn kruuts—geí (geen) kruuts!
Hê hêt den ȯferstok gevêg.
Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.
Zich eine stoal in den hemel verdeene.
Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.
Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).
Me mȯt O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.
Hê zuuter oêt as ʼt ieëwig lêve.
Hê zuuter oêt as ʼn bedrökte Magdalena.
Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.
Waat God wilt behalde
Zal verheite (verheeten) noch verkalde
klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: “In Gods naam”. Soms klinkt dat: “In Godsnaam: des neet gevlook”. Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: “As God bleefʼ (als ʼt God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat “ter iere Goads” of “om Goads wil.” Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij “Ik bêj dich um Goads wil.” Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient “eine Godsloeën.” En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk “Goddank.”
“God loeënt ȯch”, zei vroeger de kerkmeester voor elk centje, dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. “God loeënt ȯch”, zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: “God wil ȯs helpe.” Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?
Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: “Gank, det dich God bewaar!” En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging “zaliger gedachtenis”, of: “God gêf um den hemel”, of “God truës zien zieël.”
Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: “Vree is God mee”;—“God beschikt over nacht”;—“geef God geen beschimmeld brood”;—“God geeft de koe, maar niet bij de hoornen”, d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;—“ʼt is alles goed wat God wil”;—“men moet God naar de oogen zien”;—“ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;—“als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel.” Zie Pr. Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI—XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX—XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX—(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburgʼs Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.
Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. “Anspan kriigen” heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.
Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: “met den plaggenwagen komen”, d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze “met den plaggenwagen weergekomen”, en dan moet ze “den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken”: Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.
Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de apologische spreuk of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: “Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok”, een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.— “Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen”.—“Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken”.—“Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht”.—“Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af”.
Twente: Dat is ʼn ander keurn, zèj de muller, en hê beet in ʼnen moezenköttel.
Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met zʼn gat de lampe uut.
Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vraddʼe en slakk op en mainde, dat ʼn proeme was.
Limburg: Waat nȯw gezȯnge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.
Getroffe, zach de jȯng, doe smeet hê zie vader en oug oêt.
Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.—
Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jȯng wat in de bȯtermelk vond.—Aangebrand, hêt det ouk bein? zach de jȯng, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.
Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.
De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.
Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.
Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.
Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.
Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.
Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.
Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.
Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.
De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.
Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.
Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.
Zuinig, zei besje, de boter is duur.
De Vrouw. Het overleggen is ʼt al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.
Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.
Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.
De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.
Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.
De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.
De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.
Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.
De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.
Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.
Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.
De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.
Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.
Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.
ʼt Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.
Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.—
Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische dieren-spreekwoord.
Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.
Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.
Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.
Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.
Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.
Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.
Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.
Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.
De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.
Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den “waren” of “eigenlijken” vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal-en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.
Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal-en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking “op zijn eigen houtje”, aan de zeemanstaal ontleend, waar “zijn eigen hout” inderdaad in de beteekenis van “schip” gebruikt werd; zie Eymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.
Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken Huet: “Gods water over Gods akker laten kabbelen”; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: “dat loopt de spuitgaten uit,” voor “de spuigaten”;—“over éen kant scheren”, voor “over een kam scheren”; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel “Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen” in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: “Voor een heet vuur staan zal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het “hete vuur” kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste— desnoods het “oorspronkelike”—beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het “echte” of “eigenlike” tegenover de latere “onechte” of “verbasterde” stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is.” Zoo dacht men bij de uitdrukking “de bom breekt uit” aanvankelijk aan een vat, waar de bom (de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit bom met bom “kogel” heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werd uitbreken vervangen door barsten, losbarsten of springen. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis “het geheim is uitgekomen” is geweken voor “er is een beslissende uitbarsting gekomen”. Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. “Er moet nog veel water door de Maas vloeien”, wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;—“een schelvisch, een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen”, wordt in Limburg: “een avel uitwerpen om een snoek te vangen”, en in het Oosten van ons land: “met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien”. Het Hollandsche: “zoo oud als de weg naar Kralingen”, luidt in Limburg: “zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel”. Het Drentsche spreekwoord: “Armeluiʼs ossen en rijkeluiʼs kinder zijn gauw groot”, heeft in Limburg den vorm: “Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd”.
Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de volksluim, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.
1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.
Naar Molleghem zijn; naar ʼt Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;—naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.
Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).
Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.
Te Wellerlooi
Daar zingen de veugelkes zoo mooi.
Te Well ook wel,
Maar niet zoo mooi als in in de Looi.
Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord boks “broek”).
Van Lekkerkerk zijn.
Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.
2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling.
Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).
Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.
Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.
Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).
Hij komt van de Merumer markt: Roermond.
Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. “lui, lekker, kaal en hoovaardig”).
Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).
Van Bommel tot Den Bosch (volop).
Van Helmond komen (drukte maken).
Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor “een dutje doen”; te Venloo heet dit: “naar Tegelen gaan”, enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.
Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).
Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.
Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.
Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.
Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).
Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.
3. Spotrijmpjes op steden en dorpen.
Oostergoo het land,
Westergoo het geld,
De Wouden het verstand,
De Steden het geweld.
Dokkum is een oude stad,
Een oude stad boven maten,
Daarom verkoopt men anders niet
Als taai en ook garnaten.
De Amelander schalken,
Die stalen eens drie balken
s Avonds in den maneschijn,
Daarom zal ʼt hun wapen zijn.
Neêr-Langbroek
Die schrale hoek!
Daar wonen niets dan edellui
En bedellui,
Ridders
En broodbidders;
Daar staan anders niet als kasteelen en nesten,
Sterkenburg is het beste.
Deventer is een koopstad,
Zutfen is een loopstad,
Lochem is nog wat,
Maar Borkeloo is een hondegat.
Amsterdam ligt aan het IJ,
Monnikendam, daar wonen wij;
Edam is een nest,
Hoorn doet zijn best,
Enkhuizen staat op tonnen,
Medemblik heeft het gewonnen.
Peer is nog een stad,
Achel is nog wat,
En Bree is een paddegat.
Brugge is zot,
Gent is bot.
Kortrijk heeft ʼnen zin,
Ronse heeft van den duvel in.
Wing, Wang, Laar,
Herpen over Orsmaal,
Hal al bovenal,
Dormaal is een verkensstal.
Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen,
Om den Molschen toren te koopen,
Die van Balen, die waren nie zot,
En ze gongen er mee naar ʼt verkenskot.
Dendermonde
Leeg van gronde,
Klein van goed,
Hoog van gemoed.
De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen)
Die lieten stelen hun kanon.
Zij exerceerden lijk de koeien,
En zij stalen al de Savooien.
Rakkedok—kedok!
Mee ʼnen krommen kop;
Zʼhebben een geweer
Lijk ʼnen bloemkoolstok.
Herenthals is ʼne nest,
Die der wonen, weten het best.
Hersel—de macht,
Westel—de pracht.
Hooglee—groote pracht,
Verre gezien en weinig geacht.
Hooglee
Schoone stee,
Lichtervelde lacht er mee.
Eessen
Is een deesem,
Zane is een trog,
Werken loopt er om nog,
Handzame is een leegaard,
Koekelare is alderbest,
Bovekerke is ʼn kakkernest.
Te Langedijk
Daar zijn ze rijk,
Daar eten ze gort met krenten!
En waarom zouden zij dát niet doen,
Ze leven er van hun renten.
Daar kwam ʼnen boer van Leuven,
Van Leuven kwam ʼnen boer;
Hij meende gaan te dorschen,
En viel op zijnen vloer.
Enumatil
Daar kijken ze gril,
Daar staat geen kerk of toren;
Als de snik komt, blaast de jong op ʼt horen.
Maasland,
Vet land
De bedelêren komen van dien kant.
Die van Mol die zijn geschoren,
Ze hebben vier wijzers en geenen toren;
Die van Geel, die zouden loopen,
Om de wijzers af te koopen;
Die van Balen zijn jaloesch,
Ze hebben ʼnen toren lijk ʼne kroes.
Rijke Vörsel
Arm Mal
Lomp Zoersel
Mager Hal (Kempen).
Tiegem—berg en dal,
Ingoigem—lang en smal,
Ootegem—de fleure van al!
Te Zulte in ʼt zand,
Hoe meer dat ʼt regent,
Hoe beter land.
Loon-op-Zand,
Licht volk, licht land,
Ze schooien den kost,
En ze stelen den brand.
Herten, Merum en Ool,
Drie dorpen en éen pastoor.
De Bressianen (van Breskens)
Zijn hanen,
Maar voor Schoondijke
Moeten ze wijken.
En komen die van Groe,
Dan houden ze beter hun deuren maar toe.
Koevorden is een fraaie stad,
Dalen is een moddergat,
Wachtum is een eendenpoel,
Hesselen is een koningsstoel.
Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:
Kootwijk is een zoetendal,
En die er is, die blijft er al.
En eveneens in het Groningsche:
Riepster klokkengeklang,
ʼt Lopster örgelgezang,
ʼt Zandster bouwland,
En Steemer kouland,
Dat is het kroontje van Grönnegerland.
Maar het kan óok zijn, dat de regels: “Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al” oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:
Zuidhorn is een bloemendal,
Die er woont, die blijft er al,
Noordhorn is een moddergat,
Die er komt, die vindt er wat!
Oldehove, die stompe toren,
Daar wil de koster zijn wijf vermooren.
Niehove loopt in ʼt rond,
Daar loopen de meisjes kakelbont.
Feerwerder katten
Springen over latten,
Vangen de muzen
Bij honderd en duzend,
Braden ze in de pan,
En eten er alle dagen van.
Tiel is een stad,
Echteld is een gat,
IJzendoorn is een waterpoel,
Ochten is een koningsstoel.
Bommel, Bommel blinkt schoon,
Waardenburg spant de kroon,
Tuil is ʼt alderbest,
Hafte is een kraaiennest,
Hellouw is een eendenpoel,
Herwijne is een schettestoel,
Vuren is een errem land,
Dalem ligt aan den Waterkant,
Gorkum is een schoone stad,
Schelluinen is een hondegat.
Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:
De Visvlieter bellen,
Zeggen van zèllen en wèllen,
De Boerumer bollen
Zeggen van zollen en wollen,
En de Kollumer luden
Zeggen van zuden en wuden.
Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.
4. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen.
Antoon:
Toontje
Mijn zoontje,
Wanneer zal ʼt zijn?
Tʼavond in de maneschijn.
Jan Baptist:
Jan Baptiste,
Suiker in de kiste,
Vleesch in de pot,
Jan Baptiste is waarlijk zot.
Jan
Koekepan,
Met ʼnen spijzen boterham.
Jan
Bakt eieren in de pan,
Bakt eieren in den schoen,
Dan herre geen pan van doen.
Jan, mijne man, is altijd ziek,
Heel de weke, heel de weke,
Jan, mijne man, is altijd ziek,
Heel de weke, maar ʼs Zondags niet.
Jozef:
Seven,
Laat mij leven,
ʼk Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
Marianne:
Marjanne,
Boter in de panne,
Boter in de pot,
Is Marjanneke nog nie zot!
Piet:
Piet
Valt in ʼt riet,
Dat men hem niet meer ziet.
De Smedt:
Smedt,
Een panneke vet,
Een panneke rapen,
En daarmee moet Smedt slapen.
Van Boeck:
Frans van Boek,
Dikke snoek,
Zonder knoopen aan zijn broek.
Mijnheer Verbist
Lag in de kist,
Zonder dat vader of moeder het wist.
Verhagen:
Jan Verhagen
Draagt zijn beste broek alle dagen.
5. Alliteerende volksluim.
Mulders Mans moet mijn moeder mooi meel malen, mooi meel moet Mulders Mans mijn moeder malen.
Wie weet waar Willem Waanders woont? Willem Waanders woont wijd weg, wijd weg woont Willem Waanders (elders: Willem Witjes).
De kat, die krabt de krullen van de trap (tevens assonantie).
6. Spotrijmpjes op standen en ambachten.
Bakker:
O jonges wat ʼn pret!
Morgen wordt ʼt brood afgezet!
Twee centen in ʼt geheel,
O wat kijkt die bakker scheel!
De bakker van den hoek,
Die heeft vannacht geblazen,
De zemelen uit zijn broek,
Hij hangt ze voor de glazen,
Gelijk een peperkoek.
Apotheker:
Mijnheer den apotheker,
Ik ben het niet zeker,
Maar geef me voor twee cents en half
Platluizenzalf.
ʼt Is niet voor mij,
ʼt Is voor mijn kameraad,
Die aan de deur staat.
Rotte patatten
Mee schelleʼ vaʼ visch,
Dat eten de boeren
As ʼt kerremis is.
Kleermaker:
Kleeremaker,
Luizekraker,
Lapkesdief!
Ge heb gestolen van mijn gerief!
Koster:
Bimbambeieren!
De koster lust geen eieren,
Wat lust hij dan?
Spek in de pan,
Met een roggen boterham.
Paternoster,
Slaat den koster,
Slaat hem een bult,
Dat hij rond de kerk krult.
Lantaarnopsteker:
Ik kom aan,
Ik zet neer,
Ik kruip op,
Ik steek aan,
Ik ga neer,
Ik neem op,
Ik ga heen.
Jantje komt, Jantje komt,
Jantje de lanteernman!
Vroeg en laat
Op de straat,
Om te zien, hoe alles gaat.
Mulder, mulder, korendief,
Groote zakken heeft-ie lief,
Kleine wil-ie niet malen,
De duvel zal hem halen!
Soldaat:
Soldaat
Kameraad,
In de Peperstraat!
En hij pakte zijn geweer,
En hij schoot ze omveer.
Wever:
Daar zat ʼne wever op zijn getouw,
Blauw van honger en grauw van kou,
Hij weefde al dit en hij weefde al dat,
En hij weefde ʼt hemdeken van zijn gat
7. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden.
Bultenaar:
ʼt Is den bult
Zijn eigen schuld,
Dat hij zijn kas moet dragen;
Dat hij gaat
Bij Pier van Timst,
Die zal zijn kas afzagen.
Bult karkas,
Viool op bas,
Viool en fluit,
Trekt er maar uit!
Gierigaard:
Gierigaard,
Langen baard,
Uitgedroogde moordenaar!
Linksche:
Slinkepoot
Den duvel is dood,
Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
Mankepoot
Den duvel is dood,
Ga naar dʼhellʼ om uw vesperbrood!
Rosharige:
Ros haar,
Ros bloed,
Zelden goed.
Scheelziende:
Schelewip,
Schelewap,
Papzak!
Ik heb een vogeltje gevangen
En het beestje kan niet zien,
Schele Pauwelien,
Schele Pauwelien.
8. Wat de klokken vertellen.
De klokken van Ledegem luiden:
Lui Leegem
Luizebestier,
En hooveerdig!
Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:
Bim! bam! bom!
ʼt Moet al dood,
Klein en groot,
Arm en rijk,
Al gelijk.
De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:
Wieze is zot,
Toebak dol.
9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?—Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.
Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:
Herodes, de koning, kwam zelve veur:
zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Zij kwamen al veur een bakkerij:
daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij liepen tot bij een herbergier:
daar dronken ze een pot en ze zaten bij ʼt vier.
Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen van wilde gebeden en veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:
Marie tentum
Keert en wentum
Want de entum
Die verbrentum.
De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.