Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNapoleonHoofdstuk V. — De Veldtocht in Italië. 1796 · 9 of 35Contents›

Napoleon

by Herman Théodore Chappuis

9 of 35 · Contents · Download EPUB

Hoofdstuk V.

De Veldtocht in Italië. 1796

Niet zonder grond hadden de hem vijandig gezinde Parijsche blaadjes bij zijn vertrek den draak gestoken met zijn nieuw commando, want het leger van nog geen veertig duizend man, dat hij te Nizza gekomen, met het front naar het Noorden tusschen de Var en de Apennijnen vond staan, geleek meer op een bende in lompen gehulde uitgehongerde landslieden met stukken boomschors tot schoeisel, dan op een geregelden soldatentroep. De paarden waren tot geraamten afgevallen; soldij was in maanden niet uitbetaald; vivres waren in even zooveel tijd niet verstrekt. Van roof en plundering werd geleefd. Kort na zijn komst schreef hij dus terecht aan het Directoire: “De soldaat zonder voedsel komt tot uitbarstingen van woede, die iemand doen blozen mensch te heeten. De inname van Ceva en Mondovi kan in de behoefte voorzien en ik zal vreeswekkende voorbeelden stellen. Tot orde en krijgstucht zal ik die struikroovers dwingen, of ik leg het bevel er over neder.”

Een leger van vijftigduizend man had hij gevraagd; geen enkelen soldaat had men hem toegezonden; zoo schraal was zijn krijgskas voorzien, dat hij de generaals bij zijn komst ieder slechts tachtig francs in goud kon ter hand stellen in mindering op hun achterstallig tractement. Hij zelf door de grenadiers vóór zijn komst spottend “Generaal Vendémiaire” genoemd, genoot niet het minste vertrouwen; bijna niemand kende hem. Toch aarzelde hij geen seconde.

Nog geen uur was hij in zijn hoofdkwartier of hij had de sterktestaten ter hand genomen, den kolonel Berthier, een werkkracht bij uitnemendheid, tot zijn chef van den staf benoemd en zich op de hoogte gesteld van den toestand.

Als divisie-generaals had hij Massena, een Italiaan, ongeletterd maar schrander, vindingrijk in ’t gevaar en ongelooflijk taai en volhardend, den reusachtigen Augereau, een Parijzenaar uit de voorsteden, vroeger onderofficier-schermmeester, dapper als staal en zeer gezien bij den troep, voorts Laharpe, een Zwitser van den goeden stempel en Serurier, een voormalig majoor van het koninklijke leger, Steingel een Elzasser van geboorte en volgens Napoleon een uitmuntende voorhoede-generaal. Het vertrouwen te winnen zijner onderbevelhebbers en de liefde zijner krijgers was voor hem thans een eerste vereischte; hij wist dat hem hiertoe slechts één middel ten dienste stond, den vijand aan te grijpen en te verslaan. Terstond gaf hij hiertoe bevelen. Te Albenga sprak hij de officieren toe, deed een beroep op hun moed en plichtsgevoel en wees hun op het land aan de overzijde van de Apennijnen, waar ze ruimschoots zouden beloond worden voor hetgeen ze tot nu toe hadden ontbeerd.

Reeds kort na aankomst te Nizza had hij zijn soldaten gezegd; “Gij hebt reeds genoeg ellende doorstaan; ik zal er een einde aan maken,” en wijzende in de richting Piëmont, “daar zullen we brood, magazijnen, kleederen, artillerie, paarden en geld voor belooning ontvangen. Weg met alle hindernissen tusschen ons en den vijand; met de bajonet moet ge hem altijd op ’t lijf vallen.”

Door deze kernachtige woorden won hij het vertrouwen zijner soldaten en had hij bij hen het pleit reeds gewonnen. De uitbetaling van een deel der achterstallige soldij deed de rest.

Reeds den 5en April stond hij bij Albenga, tachtig kilometer ten oosten van Nizza; in dien zelfden tijd hadden de Sardiniërs, ongeveer vijf en twintig duizend man sterk, onder Colli bij Ceva in ’t gebergte, een sterkte ingenomen op den rechter vleugel van Beaulieu. Deze was met een circa tweemaal zoo sterke macht door Lombardije gemarcheerd naar Genua om hier gemeenschap te zoeken met de Engelsche vloot en op te treden tegen de Franschen aan de Var. Een deel zijner macht stond bij Dego, ten noorden van de Alpen, zijn centrum onder d’Argenteau hield bij Montenotte de hoogste toppen bezet; zijn linkervleugel, evenals de andere afdeelingen front makende naar het westen, was Genua gepasseerd en tusschen de bergen en de zee opgesteld. Viel Bonaparte, die oprukte in de richting van deze stad, hem nu aan, dan kon d’Argenteau, rekende hij, uit het gebergte komende, de Franschen bij Savona in de linkerflank vallen en in zee werpen.

Den 11en April stiet Beaulieu inderdaad op Laharpe, die de Fransche voorhoede commandeerde, en wierp hem terug, doch in den daarop volgenden nacht gaf Bonaparte, door het onverzettelijk standhouden van den kolonel Rampon bij Montenotte hierin ridderlijk gesteund, uitvoering aan het plan, dat hij had ontworpen. Terwijl hij zijn voorposten tegenover Beaulieu liet staan, zond hij de divisie Laharpe, door Augereau als reserve gevolgd, naar Montenotte, Massena langs een omweg door ’t gebergte in d’Argenteau’s rug, greep hem aan, sloeg hem met zwaar verlies terug naar Dego, en bereikte het dal van de Bormida nog denzelfden dag; hier stond hij nu midden tusschen de bondgenooten in, links van hem de Sardiniërs, die de bergpassen van Millesimo bezet hielden en Turijn dekten, rechts slechts enkele in het gebergte verspreide, zwakke Oostenrijksche afdeelingen, en vóór hem Dego. Zijn vermetel plan was met succes bekroond en het centrum zijner tegenpartij doorgebroken.

De drie volgende dagen vochten Bonaparte’s bandieten als helden. “De zege of de dood!” hebben zij in hun vanen geschreven; den 15en April volgt de beslissing. Half vernietigd vlucht het Oostenrijksche leger naar Milaan; de Sardiniërs hebben de passen van Millesimo verloren en gaan op Ceva en Mondovi terug. Italië staat voor Bonaparte open. Zijn soldaten hebben het volste vertrouwen in hem gekregen; één blik uit zijn adelaarsoog is voldoende om hem blindelings te doen gehoorzamen; zijn generaals hebben hem leeren kennen, vol aandacht en bewondering luisteren zij reeds naar zijn korte, zaakkundige bevelen.

Eén rustdag slechts, eerlijk verdiend, dan vangt de marsch aan naar Ceva, de Sardiniërs achterna. Als de toppen van de Monte Zemoto zijn bereikt kunnen de krijgers de heerlijke vlakten van Piëmont en Lombardije aanschouwen; de Tanaro, de Stura en de Po, hun wateren stuwende naar de Adriatische Zee, liggen aan hun voet; de met sneeuw en ijs gepantserde Alpenreuzen vormen den achtergrond.

De grens van “Het beloofde land,” zooals hun chef het had geheeten, is bereikt!

“Hannibal trok vóór eeuwen de Alpen over; wij trekken er om heen,” riep hij zelf bewogen uit. Acht dagen later is Cherasco bereikt. Victor Amadeus, den koning van Sardinië, sloeg de schrik om ’t hart; ondanks de vertoogen van den Oostenrijkschen en den Britschen gezant sloot hij den 28en April een wapenstilstand. Bonaparte kreeg hierdoor de beschikking over de rijke magazijnen van Ceva, werd meester over de wegen door Piëmont, zag den afstand tusschen Parijs en de oevers van de Po aanmerkelijk verkort en kreeg de zekerheid, dat hij geen vijand in zijn rug achterliet. Als een handig staatsman had hij hiertoe bij den koning de kans laten doorschemeren op vergrooting van grondgebied in Lombardije, zoodra Oostenrijk zou zijn bedwongen.

Reeds voelde hij zich zeer sterk. Aan het Directoire, dat een wapenstilstand moest bekrachtigen, schreef hij: “In het stellen der vredesvoorwaarden zijt gij geheel vrij; de voornaamste vestingen zijn in mijn handen.”

Ook aan Joséphine schreef hij weder. Junot, die een deel der veroverde zegeteekenen naar Parijs brengen zou, had den brief bij zich. “Kom spoedig. Talm je, dan vindt ge mij ziek. Al die vermoeienissen en je afwezigheid zijn te veel op eens.”—’t Was waar; de koorts verteerde hem; een hardnekkige hoest kwelde hem dag en nacht.—“Maar je komt, niet waar? Je zult hier bij mij wezen, in mijn armen, aan mijn hart. Kom, o, kom!”

Maar Joséphine kwam niet. Zij vond het veel te prettig om aan den arm van Junot gevierd te worden als de echtgenoote van den beroemden burger-generaal en zoowel met dien knappen huzarenofficier als met den kolonel Joachim Murat, die op last van Bonaparte eveneens tropeeën was komen dragen naar het Directoire, te coquetteeren. Napoleons hartstochtelijke brieven lieten haar koud; slechts nu en dan beantwoordde zij die met een kattebelletje. Zelfs de beleefde vertoogen van Jozef, door Bonaparte met vertrouwelijke dépêches uit Genua naar Parijs gezonden, baatten niet; eerst wendde mevrouw ziekte voor, daarna een begin van zwangerschap.

“Wat een grappige vent toch, die Bonaparte,” mompelde zij bij de ontvangst van zijn hierop gevolgd schrijven met liefdevolle verontschuldigingen over zijn grenzenloos verlangen naar haar.

Inmiddels zette de generaal, in stilte zielsongelukkig zijn zegetocht door Lombardije voort, trok bij Piacenza in plaats van bij Valence, zooals de vijand verwacht had, de Po over, dwong den hertog van Parma den 9en Mei tot een wapenstilstand en het betalen van een paar millioen francs oorlogsschatting en greep Beaulieu, die naar de Adda was geweken, den daarop volgenden dag bij Lodi aan. Hier bestormde hij aan de spits zijner grenadiers de eenige hierover de Adda voerende brug, verwierf zich door dit bijna ongeëvenaarde heldenfeit bij zijn krijgers den eerenaam van le petit Caporal en trok vijf dagen later door de juichende, opgewonden bevolking omgeven, het te zijner eere versierde Milaan binnen. In zeventien dagen tijd had hij Lombardije veroverd. Hij was letterlijk de afgod zijner soldaten geworden en zelfs die enkele oudere generaals als Serurier en Kilmaine, die in stilte tegen hem oppositie voerden, hadden eerbied gekregen voor de overweldigende kracht der feiten, voor de macht van zijn wil. In weerwil van dit succes had het weinig gescheeld, of het ministerie van oorlog had door een onhandigen zet alles weer bedorven.

Den 14en Mei had Bonaparte te Lodi bericht ontvangen, dat, zoodra het Alpenleger Italië was binnengerukt, hij het commando met Kellerman zou moeten deelen. Deze zou dan ten noorden van de Po, hij zelf tegenover Rome en Napels optreden.

“Dan leg ik het opperbevel neder,” antwoordde hij terstond. “Ik heb den veldtocht gevoerd zonder iemand raad te vragen. Had ik mij naar de inzichten van een ander moeten voegen, dan was er niets van terecht gekomen... Ieder heeft zijn eigen wijze van oorlog voeren. Generaal Kellerman heeft meer ervaring dan ik, en zal het beter doen dan ik. Samen brengen wij niets goeds voor den dag. Trouwens acht ik één slechten generaal beter dan twee goede. Evenals regeeren is oorlog voeren een quaestie van tact. In afwachting van nadere bevelen ruk ik naar de Mincio.”

Carnot liet zich dit gezegd zijn en trok de order in. Hierop had Bonaparte inmiddels niet eens gewacht, want, zooals hij in zijn proclamatie van den 20en aan de troepen had gezegd: “Veel was er wel reeds gedaan doch nog lang niet genoeg. Van Lombardije mocht geen Capua worden gemaakt. Geforceerde marschen moesten nog afgelegd, nieuwe lauweren geplukt en Rome gestraft worden, omdat het Fransche gezanten lafhartig had laten vermoorden.”

De bevolking kon echter gerust zijn, had hij hierop doen volgen. Tegen haar voerde de Republiek geen oorlog; integendeel. Maar het Romeinsche volk, dat zooveel eeuwen lang in slavenketenen had gezucht, moest wakker geschud.—Reeds den 19en waren de bevelen tot den afmarsch naar de Mincio dus gegeven, achter welke rivier Beaulieu zijn macht tusschen Peschiera en Mantua in verschillende detachementen had opgesteld. Eerst werd nog te Milaan, daarna te Pavia een opstand onderdrukt, door het landvolk onder leiding van eenige fanatieke geestelijken begonnen,—om een voorbeeld te stellen gaf Bonaparte laatstgenoemde stad drie uur lang ter plundering over aan zijn soldaten,—en den 30en Mei stonden de twee partijen bij Borghetto weder tegenover elkander en hieuwen de nieuwgevormde Fransche escadrons, door Murat zelf aangevoerd, zoo krachtig in op de Oostenrijksche cavalerie, dat deze moest wijken.

Om de veiligheid van zijn eigen persoon had Bonaparte zich tot heden weinig bekreund; dit veranderde echter, nu hij, bij het einde van dit gevecht in een gehucht afgestegen, den vijand bijna in handen was gevallen en zich alleen door een snelle vlucht had kunnen redden. Onder toezicht van zijn vriend de Bessières, een even bedaard als onverschrokken cavalerie-officier, werd een escadron Guides gevormd, de kern van de later opgerichte Escadrons van Dienst. Van dezen uitgelezen ruitertroep, dien Napoleon slechts zelden uit de hand gaf, telde iedere man minstens tien jaar dienst.

Beaulieu’s zwakke positie achter de Mincio bij Borghetto door midden brekende, wendde Bonaparte zich daarop naar Peschiera, dat op Venetiaansch grondgebied aan het Gardameer was gelegen, om hier met Beaulieu’s achterhoede op haar terugtocht naar Tyrol af te rekenen en hem zelf het ontkomen in die richting te beletten. De grijze, reeds ruim zeventigjarige generaal wachtte hem echter niet af, doch liet bezetting achter in de sterke vesting Mantua, gelegen op een eiland in de Mincio, en zocht door een nachtmarsch achter de Etsch een goed heenkomen. Den 1en Juni kon Bonaparte dus uit zijn hoofdkwartier Peschiera schrijven “dat de vijand geheel uit Boven-Italië was verdreven, en dat zijn eigen voorposten stonden op de bergen van Duitschland.” Dank zij de marschvaardigheid zijner infanterie, die enkele malen acht en veertig kilometers afstand achtereen had afgelegd, had hij dit succes binnen acht dagen na zijn vertrek van de Adda behaald.

Versterkt door detachementen van het leger der Alpen gaf hij zijn macht thans een andere indeeling; Massena kreeg met 18000 man last de noordelijke toegangen aan weerszijden van het Gardameer af te sluiten met drie reserves, een in een kamp tusschen dit meer en de Etsch, een bij Verona en een bij Peschiera. Dan konden de Oostenrijkers gerust nogmaals komen opdagen. Serurier zou met 5000 man Mantua insluiten; een korps van ruim het dubbele dezer sterkte, waaronder de divisie Augereau behield Bonaparte zelf bij zich bij Roverbello, terwijl circa 9000 man in Lombardije’s vestingen garnizoen hielden, o. a. te Milaan, welks citadel nog in ’s vijands handen was.

Den 3en Juni had Massena Verona, dat aan Venetië behoorde, bezet en had Bonaparte zijn hoofddoel, het bezetten van de Etschlinie bereikt. Achter deze ondoorwaadbare rivier met haar veelal steile oevers en met Verona en Legnano er voor, kon hij de loop der dingen afwachten; hier was hij meester over Boven-Italië, kon over Venetië, dat een zeer dubbelzinnige rol begon te spelen, een wakend oog houden en nu ook het zielsverlangen van het Directoire bevredigen en Rome dus een les geven, die het zou heugen.

De koning van Napels, ook het dreigende gevaar inziende, haastte zich een wapenstilstand te sluiten, die Bonaparte zeer van pas kwam, want het Oostenrijksche leger werd hierdoor terstond met bijna 3000 Napolitaansche ruiters verzwakt. De marsch van de divisie Augereau naar de legatiën werd dus niet gestoord; den 19en Juni werd Bologna bezet. Ferrara door den kardinaal-legaat verdedigd, werd door Bonaparte zelf genomen, en reeds den 23en Juni was alle verzet gebroken, en was paus Pius VI verheugd, dat hij een wapenstilstand mocht sluiten, mits hij een gezant naar Parijs zond om te onderhandelen over een definitieven vrede. De voorwaarden, hem gesteld, waren echter niet malsch.—Hij zou nu ondervinden, dat men over de Fransche Republiek niet straffeloos den banvloek uitsprak, den kruistocht tegen haar predikte en haar gezanten binnen Rome’s muren liet vermoorden. De legatiën Bologna en Ferrara bleven in Fransche handen; Ancona kreeg Fransch garnizoen; een en twintig millioen oorlogskosten moesten betaald, eindelijk moest, evenals in Parma was geschied, een schat van kunstwerken en kostbare schilderijen aan het museum van Parijs worden afgestaan.

Weinig had het gescheeld of te Livorno, waar de Engelschen zoo goed als heer en meester waren en van hier hun leger op Corsica voordurend van alles voorzagen, waren een groot aantal rijk beladen Engelsche koopvaarders bijna tegelijkertijd in Bonaparte’s handen gevallen. Ook hier legde hij garnizoen en zijn landgenoot Gentili, bijgestaan door duizenden Corsicanen, verdreef in October d.a.v. al de roodrokken van het eiland. Te Florence bij den groothertog van Toscane, die hem verzocht zijn gast te wezen, ontving hij bericht, dat de citadel van Milaan zich op 29 Juni had overgegeven. Het hier buitgemaakte belegeringsgeschut kon hem nu tegenover Mantua goede diensten bewijzen.

Ondanks al zijn overwinningen, ondanks al de hulde hem gebracht, was Bonaparte in die dagen als mensch diep ongelukkig. Hij miste zijn vrouw. Wel had hij Jozef naar Parijs gezonden om haar afreis naar Milaan te bespoedigen, maar Jozef had ook zijn eigen belangen en die van Corsica in het oog te houden; voorts kende hij den toestand, was Joséphine niet genegen en gevoelde weinig lust, ook al uit vrees voor oneenigheid, als tusschenpersoon dienst te doen. De brieven van zijn broer liet hij dus grootendeels onbeantwoord en vond het raadzamer op Joséphine onderhands invloed te laten uitoefenen door het Directoire. In de brieven aan leden van dit college had Bonaparte kortaf te kennen gegeven, dat hij ziek was en dat, wanneer men hem zijn vrouw niet zond, hij zijn ontslag nam en terugkeerde naar Parijs.

In gezelschap van Jozef, Junot, haar schoothondje, en zekeren luitenant Charles, een zéér intiemen kennis van haar, begon Joséphine, tranen met tuiten schreiende en zoo diep bedroefd, alsof zij van de wereld moest scheiden, ten slotte de lange reis naar Milaan, waar het prachtige hotel Serbelloni den 9en Juli zijn gastvrije deuren voor haar opende. Haar man vond ze hier echter niet, hij was te Verona druk bezig met het nemen van maatregelen tegenover een nieuw leger van ongeveer 70.000 man, dat onder den ouden doch energieken en vermetelen veldmaarschalk Würmser in Tyrol werd samengetrokken.

Tevergeefs smeekte hij haar te Verona bij hem te komen.—“Ik heb je noodig; ik ben dood af en voel me ziek,” schreef hij, doch zij bleef waar zij was. Toen liet hij alles in den steek, rende naar Milaan, bleef hier twee dagen met haar alleen, overstelpte haar met liefkoozingen, had haar koelheid tegenover hem volslagen vergeten en vertrok weder even snel als hij was gekomen.—Zwaar werk wachtte hem. Mantua was nog niet genomen, een coup de main er tegen was mislukt.—“Zulke ondernemingen hangen louter af van ’t toeval, van ’t blaffen van een hond, van ’t snateren van een gans,” schreef hij den 12en Juli aan het Directoire.

Zes dagen later werden de loopgraven onder zijn persoonlijke leiding geopend. Naar Verona teruggekeerd, hield hij Würmsers bewegingen scherp in het oog. “Wee hem, die thans slecht rekent,” had hij gezegd.

Den 29en begon Würmsers plan van aanval zich te teekenen. Terwijl de generaal Quosdanovich naderde langs den westelijken oever van het Gardameer en Brescia bezette, terwijl een detachement van slechts 5000 man ter misleiding van Bonaparte door het dal van de Brenta zich naar het zuiden bewoog, greep Würmser Massena’s voorhoede bij la Corona omvattend aan en sloeg haar onder zware verliezen terug.

Bonaparte zag den toestand zeer donker in en was ongerust en zenuwachtig; aan Augereau schreef hij, dat de gemeenschap met Milaan en Verona nu was afgesneden en dat hij dus maatregelen moest nemen voor den terugtocht; aan Serurier gaf hij order het beleg van Mantua op te breken, de affuiten te verbranden, het buskruit in ’t water te werpen, alle staatseigendommen ijlings naar Milaan te zenden en dan zijn rug te komen dekken; tevens deed hij, wat hij tot heden nog nooit had gedaan, hij raadpleegde zijn onderbevelhebbers. Allen stemden voorzichtigheidshalve voor den terugtocht; Augereau alleen niet. “Hij had nog een troep puike grenadiers; zonder gevecht gingen die niet aan den haal,” zei de Parijzenaar, die alleen te rade ging met zijn moed. Met die woorden was bij Bonaparte het oogenblik van onzekerheid en aarzeling reeds weder voorbij. Augereau had gelijk, hij zou niet teruggaan. In de eerste dagen van Augustus volgden nu een reeks van bloedige gevechten bij Salo, Lonato enz. aan de zuidzijde van het Gardameer. Würmser is intusschen Mantua gaan ontzetten, vindt daar de sporen van Seruriers overhaasten aftocht, rukt daarna naar het noorden om zijn bij Lonato geslagen divisiën te hulp te komen en grijpt den 5en Augustus Bonaparte bij Castiglione aan. Nu doen Augereau’s grenadiers de woorden van hun chef eer aan en krijgt Würmser van Augereau en Massena, die voor zijn front staan en van Serurier, die hem in zijn rug aantast een zoo geduchte klap, dat hij ijlings naar Tyrol aftrekt. Bonaparte kon zijn vroegere stellingen weder innemen.

Dit was het slot van den zoogenaamden vijfdaagschen veldtocht; dank zij de taaiheid en het volhardingsvermogen van zijn infanterie en het genie van zijn chef had het kleine Fransche leger gezegepraald over een macht van bijna de dubbele sterkte. Terstond werd Mantua weder ingesloten. Te Milaan en in de legatiën Bologna en Ferrara ging over dit ongeloofelijke succes een juichtoon op.

Te Venetië, te Rome en te Napels, waar men intusschen den verrader gespeeld en Oostenrijk gesteund had, zat men daarentegen in zak en asch. Bonaparte was voor dit maal echter nog genadig en nam op de verraders geen wraak. Ernstiger zaken dan deze vorderden zijn aandacht. Zoodra de generaal Moreau in Duitschland den Donau zou hebben overschreden, wilde hij Würmser achterna. Dat deze nog bijna 40 000 man had overgehouden, bevredigde hem niet; eerst wanneer hij voor goed met hem had afgerekend, zou hij de handen vrij hebben tegenover Venetië en Rome.

September was ’t echter reeds geworden, voordat Moreau zijn tegenpartij, aartshertog Karel, ver genoeg had teruggedrongen, den Donau overgegaan en naar München op marsch was. Intusschen ontwierp Bonaparte een nieuw veldtochtsplan, schonk zijn soldaten rust en mocht zich eenige dagen verheugen in ’t bijzijn van zijn vrouw.

Eindelijk, eindelijk was Joséphine gezwicht voor den hartstochtelijken toon zijner brieven, waarin hij aandrong op haar komst in zijn hoofdkwartier, en had zij het hotel Serbelloni, waar zij zich het leven zeer aangenaam maakte, verlaten. Feitelijk verveelden haar de forsche bewijzen van liefde, die hij haar telkens en telkens weder schonk, de jonge luitenants te Milaan en vooral den reeds genoemden adjudant Charles vond zij veel aardiger dan haar bleeken, broodmageren door koortsen gekwelden echtvriend, die haar in zijn brieven vol ijverzucht nu eens met monster, tiran en wreedaard betitelde en dan weder op de knieën vergiffenis vroeg, omdat hij een paar voor haar bestemde epistels had geopend. “Nimmer, nimmer zou dit weder gebeuren,” beloofde hij.

Dat bezoek was echter een korte vreugde, want vooral de Oostenrijksche cavalerie begon weder zeer roerig te worden; Bonaparte zond zijn vrouw dus terug naar Milaan, een reis die onder deze omstandigheden volstrekt niet van gevaar was ontbloot, terwijl de hierbij doorgestane angst en ellende voor haar slechts ten deele werden vergoed, door den schat van cadeaux in geld, cameeën, parelen en andere kostbaarheden, haar op dezen tocht door generaals, de gemeentebesturen en—niet te vergeten—de leveranciers van het leger geschonken. Volbloed creoolsche, even bar verkwistend als onnadenkend, begreep zij niet, dat zij door het aannemen van zulke rijke voorwerpen en van geld vooral, den goeden naam van Bonaparte schade deed. Hebzuchtig was zij volstrekt niet; het geld wierp zij weg met volle handen; door al haar winkeliers, in de eerste plaats door de modewinkels, werd zij schandelijk afgezet, ja, bestolen. Voortdurend zat zij diep in schulden, en in de volgende jaren werd het niet beter, maar ze bezat graag mooie dingen; wat men haar gaf nam zij dus aan, en toen Bonaparte hierachter kwam en haar dwong eenige dier geschenken terug te geven, zorgde zij wel, dat hij later nooit meer een stuk te zien kreeg of het heette gekocht; en personen, die haar hierbij hielpen liegen, telde zij in haar omgeving genoeg.

Terwijl zij dus terugkeerde naar het hotel Serbelloni en in gezelschap van “dien aartsgrappigen clown,” dien luitenant Charles, de handige tusschenpersoon bij alle transacties met schuldeischers en leveranciers, de verveling trachtte te verdrijven, was Bonaparte Italiaansch Tyrol binnengedrongen om Würmser op te zoeken en te vernietigen, doch had, rekening houdende met de mogelijkheid, dat deze middelerwijl een poging zou doen om de Etsch van de oostzijde te naderen en Mantua te ontzetten, Peschiera, Verona en Legnano bezet gehouden. In de eerste dagen van September kwam het nu in de nauwe bergpassen en op de kale rotsen van Roveredo tot een verwoed gevecht, dat met den aftocht der zwaar gehavende Oostenrijkers eindigde.

Den 5en te Trente, de hoofdstad van Tyrol gekomen, vernam Bonaparte, dat hij Würmser zelf niet tegenover zich had gehad, doch dat deze, meer oostelijk uithalende, door het dal van de Brenta naar ’t zuiden was gemarcheerd, met de Etsch of Mantua tot doel. Feitelijk stond Bonaparte nu in den rug zijner tegenpartij en op diens hoofdverbindingslijn met Tyrol.

Würmser volgen, afsnijden en aangrijpen is terstond zijn plan! Den 8en haalt hij hem in bij Bassano en geeft hem een klap zoo geducht, dat Würmser nog slechts zijn heil kan zoeken binnen dezelfde veste, die hij zou gaan ontzetten. Hij mocht nog van geluk spreken, want was de positie aan de Etsch bij Legnano en de brug aldaar door de Franschen bezet gebleven,1 dan was hij door Massena en Augereau tegen deze rivier gedrongen en verplicht geweest in het open veld te capituleeren. Wederom was het de bijna ongeloofelijke marschsnelheid zijner infanterie geweest, die Bonaparte dit geweldige resultaat had doen verwerven. In 1805 zeiden zijn soldaten, dat hij een nieuwe manier van oorlogvoeren had uitgevonden, niet meer met de bajonet doch met de beenen. Vooral op dit deel van den veldtocht in Italië was dit geheel van toepassing.

Van zijn prachtige, talrijke cavalerie had Würmser bijna geen nut gehad; thans kon hij de paarden er van doen slachten en inzouten om zijn soldaten aan den kost te helpen.

Bonaparte keerde terug naar Milaan.—“Nooit nog hadden wij zulk een aanhoudend en groot succes; Italië, Frioul en Tyrol zijn geheel voor de Republiek gewonnen.—Binnen enkele dagen zien wij elkander weder. Voor al mijn werk en al mijn zwoegen zal dit de liefelijkste belooning zijn. Duizend vurige en dol verliefde zoentjes,”2 had hij Joséphine te voren geschreven; doch zij antwoordde niet; in zijn brief van den 17en met zijn teekenend: “Je bent even leelijk als lichtzinnig; dat je je armen man, die je liefheeft, bedriegt, is laag van je,” verried duidelijk genoeg, dat hij aan haar trouw begon te twijfelen. De maand November zou hem in dit opzicht nòg smartelijker indrukken brengen.


Weder was het Directoire uitbundig in zijn lof. “Tegenover het vaderland had het leger zich opnieuw verdienstelijk gemaakt!” schreef het; maar lof is gemakkelijk geschonken, woorden zijn geen daden. Juist deze eischte Bonaparte; hij had soldaten noodig, nogmaals soldaten; sinds Maart had hij 10,000 man versterking gekregen, maar het vuur des vijands en de moeraskoortsen in Lombardije’s lage landen hadden er ook duizenden weggerukt; de hospitalen lagen vol zieken; geen 30,000 man kon hij meer onder de wapenen brengen en zulks nog wel terwijl er in Tyrol een nieuw onweder broeide. Pius VI, hierdoor stoutmoedig geworden, was reeds begonnen geen schatting meer te betalen, Napels stak weder het hoofd op en zelfs Genua deed van zich hooren. “Zoolang uw generaal niet de spil is, waarom alles draait, marcheeren de zaken hier slecht. Van eerzuchtige plannen kan men mij licht beschuldigen, maar ik ben beu van al die eer. Ik ben ziek; nauwelijks kan ik mij in den zadel houden; moed alleen bezit ik nog; voor den post, dien ik bekleed, is dit niet genoeg. Reeds telt men het aantal hoofden bij ons. Ons prestige verdwijnt. Soldaten eisch ik dus, of Italië is verloren,” schreef hij aan Carnot. Ook beklaagde hij zich, dat men de onderhandelingen met Rome niet had opgedragen aan hem. Geen geld, geen vrede, zou dan het parool zijn geweest. Thans kon hij opnieuw beginnen. Ook met Napels, dat Rome steunde en met Genua moest worden afgerekend. Had Frankrijk geen soldaten, dan moest met Sardinië een ofen defensief verbond gesloten en hulp gevraagd worden van daar. Ontving hij verlof Lombardije en Modena onafhankelijk te verklaren, dan had hij terstond aanhangers genoeg en behoefde hij niet meer te zorgen voor zijn rug.

Met deze wenken hield men te Parijs toch rekening. Hij kreeg de handen vrij tegenover den paus, maar soldaten waren er nu eenmaal niet.

Toen de veldmaarschalk Alvinzi in de eerste dagen van November, een zijner onderbevelhebbers oostelijk om het Gardameer zendende en zelf langs de Piave marcheerende, als een onweerswolk uit Frioul en Tyrol kwam opzetten, had Bonaparte dus slechts een geringe macht tot zijn beschikking, voor een deel nog wel bestaande uit koortslijders, die hoe krachteloos en anemisch ook, hun ontslag uit het hospitaal hadden gevraagd, zoodra ze wisten, dat het er weder spannen zou.

Tot overmaat van ramp verlieten twee regimenten der divisie Vaubois, die de passen naar Tyrol moesten bewaken, na een scherp gevecht hun post, zoodat hij zich verplicht zag een voorbeeld te stellen. Het door hem zelf geleide gevecht bij Caldiero (12 November) bleef onbeslist, uit het oosten zag hij Alvinzi steeds meer op Verona aandringen. Zijn toestand werd hachelijk.

Zelfs zijn krijgers begonnen dit in te zien. Zou Verona, zou de positie aan de Etsch dus verlaten moeten worden? De bezetting meende, dat dit het geval was, toen ze na een dag van volslagen werkeloosheid in den laten avond van den 14en bevel ontving zich marschvaardig te maken, terwijl slechts 3000 man onder Kilmaine zouden achter blijven. Eerst gaat het aan op Verona zelf; hier de brug over. Dus terug? Naar Bergamo, naar Milaan zelfs? Neen, niet terug! Reeds heeft het genie van den veldheer een nieuw plan ontworpen. Alvinzi slag leveren in de vlakte kan hij niet; hiervoor is zijn leger te zwak, maar hem aangrijpen in zijn linkerflank langs twee dijken, die geen frontuitbreiding gedoogen op een terrein dus, waar alleen heldenmoed en doodsverachting de zege kunnen brengen, ja, dat kan hij wèl. Stroomafwaarts marcheert hij dus naar Ronco, passeert hier een in stilte geslagen pontonbrug en als de morgen van den 15en November aanbreekt, staat hij in den driehoek tusschen de Etsch en haar linkerzijriviertje de Alpon. Drie dijken voeren naar het noordoosten, verder is alles moeras.

Eensklaps begrijpen de grenadiers hun chef; hier is nog kans op de zege. Langs den linkerdijk begint Massena voort te rukken; waagt Alvinzi het Verona nog dichter te naderen dan wordt hij door hem in de flank gevallen. Den middelsten dijk volgt Augereau.

Maar bij Arcola moet hij de door Croaten bezette brug over de Alpon passeeren; een Oostenrijksche divisie, die op weg is naar de Etsch en de brug reeds achter den rug heeft, grijpt hij aan en drijft hij ten deele in het moeras; maar aan een gelijktijdige vermeestering van den overgang valt niet te denken; daarvoor is het vuur van den anderen oever te hevig. De generaals Lannes en Verdier worden gekwetst. Met een vaandel in de vuist rent Augereau zelf de brug op en plant het dundoek in ’t dek, maar ook deze heldendaad baat niet. In die hel waagt zich niemand meer. Het gevecht bij de brug staat.

Uit de verte,—hij bevindt zich bij Ronco—ziet Bonaparte, dat zijn plan zal mislukken; reeds begint Alvinzi, om niet te worden afgesneden, in de richting van de Brenta terug te gaan. Zal hij hem tot staan brengen, dan moet die brug genomen. Het lot van Italië staat op ’t spel.

Hij galoppeert naar ’t hoofd der stormcolonne, springt uit den zadel en grijpt een vaandel—“Ben jelui nog de overwinnaars van Lodi? Volgt je generaal!”—Dan rent hij naar de brug. Allen hem na. Lannes ontvangt zijn derde wonde dien dag. Muiron, Bonaparte’s adjudant, zijn chef met zijn lichaam willende dekken, valt dood voor zijn voeten. Gansche rijen grenadiers kleuren het brugdek met hun bloed. Bijna is de overzijde bereikt, doch een nieuw salvo des vijands kraakt. De stormcolonne wankelt en snelt terug.

Door zijn mannen medegesleurd, bereikt Bonaparte het uitgangspunt weder; door een nastormende vijandelijke afdeeling wordt hij van den dijk af, ’t moeras ingedrongen, slechts met moeite gered en op een paard gezet. Zoo bereikt hij Ronco weder.

Maar zijn voorbeeld heeft aanstekelijk gewerkt en drie dagen lang wordt nu bij Arcola en op de aangrenzende terreinen van weerszijden met voorbeeldelooze hardnekkigheid gestreden, tot Alvinzi’s soldaten het moede worden, den kamp opgeven en door een krijgslist van Bonaparte, die zijn gardes onder luid trompetgeschal op hen afzendt, ten slotte in verwarring op de vlucht slaan. Ook Alvinzi’s toeleg om Mantua te ontzetten is dus mislukt.

Toch gaf hij den moed niet op. Denzelfden dag (17 November) dat hij de stelling bij Arcola had losgelaten, had zijn onderbevelhebber Davidovich de Franschen onder Vaubois bij Rivoli teruggeworpen; hierdoor aangemoedigd, besloot hij nogmaals op Verona los te gaan, maar Davidovichs traagheid van beweging en onvoldoende krijgsmanskunst verhinderden een goede samenwerking; een uitval, door Würmser uit Mantua ondernomen, mislukte, en den 24en November besloot Alvinzi voor goed tot den aftocht naar het oosten.

Terstond nam Bonaparte zijn vroegere stellingen weder in. Serurier kwam weder voor Mantua; Rivoli, Verona, Legnano en Brescia kregen weder Fransche bezetting. Er trad een rustpauze in. Het Directoire bepaalde, dat de door Bonaparte en Augereau veroverde vaandels als belooning aan hen ten geschenke zouden worden gegeven.

Notes

1 Door een misslag was die stelling te vroeg losgelaten.

2 Brief van 10 September 1796.

← Back to Napoleon

Scroll to Top