Hoofdstuk III
Bij Toulon en te Parijs
Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht gecompromitteerd, doch niet ontmoedigd, richtte Lucien tal van adressen rechtstreeks aan de Conventie en kreeg daardoor eindelijk een baantje van twaalf honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-Maximin; hij begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er door de volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité gekozen in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers zonder proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon, terwijl hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de kroon zette door een huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den herbergier, bij wien hij inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij, dat lezen kon noch schrijven, doch dat haar negentienjarigen man met haar fluweelzachte zwarte oogen en haar ongemeen schrander kopje tot aan haar dood heeft weten te boeien.
Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich zelf staan.
Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels onder handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg de vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.
Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg van Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica, die van Toulon zou scheep gaan, doch door een opstand in deze stad hierin verhinderd, was Jozef in de eerste dagen van September door de representanten der Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris van Oorlog 1e klasse op een tractement van zesduizend francs benevens rations, vrij logies en bureaukosten.
Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor alle zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een veiliger verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds aanmerkelijk verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking en zij zelve werd door de Conventie van het noodige voorzien.
Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der familie invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie van generaal Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke Toulon was bij Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als zijn plaatsvervanger. Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren kennen als inspecteur van de artillerie; het vlugschrift Le Souper de Beaucaire had voldoende bewezen, dat Napoleon een republikein was in merg en been en een ander knap artillerieofficier was niet dadelijk bij de hand.
Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen, Spanjaarden, Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel nog zoo goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de binnenreede moesten beschermen en het fort de l’ Eguilette, gelegen op een kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat het geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam man, letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de representant Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij: de artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom ik met drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer grappig dan uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door Generaal Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl op verzoek van Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen n.l. generaal du Teil, waardoor de zeer onwetende officieren van den staf werden gedwongen hun aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat te temperen.
Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding reeds verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig tot Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den 19en October werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met verdubbelde kracht aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van het bevel hem letterlijk was aangeboren en hoe hij de kunst verstond zijn minderen door woord en daad voor zich in te nemen. Hoewel hij den afgevaardigde Gasparin steeds heeft voorgesteld als de man, die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem met zijn gezag gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed soldaat er in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de in den krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.
Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een artillerist naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den aanzetter uit de hand van den doode en helpt den vuurmond bedienen, tot hij wordt afgelost; als de Engelsche generaal O’Hara, gouverneur van Toulon, een uitval beproeft is hij het, die onopgemerkt aan de spits van een bataljon door de loopgraven nadert en die uitval zoo krachtig helpt afweren. O’Hara zelf wordt letterlijk tusschen zijn eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij der Mannen zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt en haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen te kort komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij zelf het vuur leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn lijf doodgeschoten en voor de eerste maal werd hij gewond door een bajonet van een Engelschman.
Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d’Or op te merken bij het springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot voor zich had, met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst niet deed opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en nam Napoleon hem tot zijn adjudant.
Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O’Hara krachtig had terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil, zijn onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog: “Ik kan geen woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te schetsen. Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is te vermetel. Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan U, Minister, de taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek.”
Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen) en het arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen, zeilde weg en liet de bevolking verder aan haar lot over. Toen de stad was genomen, maakte de afgevaardigde Barras kort recht en werden vele verdedigers dood geschoten; zoo wilde het de Conventie, want alle verraders moesten worden uitgeroeid. Wel had de Republiek een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot in vlammen was opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon verlatende, hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands verloren.
Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen van Januari 1794 door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen rang bevestigd en werd hij tevens belast met het bevel over de artillerie bij het leger van Italië en met de bewapening van de kust. Twaalf duizend francs tractement met vivres, vrij logies en emolumenten was een schat van belang. Hij zelf dacht niet eens aan dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef ondanks dezen onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve haar waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar zoon in ’t voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met de kleintjes gevolgd was.
De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen de knaap uit angst voor ’t geen hij te Lyon gezien had niet had durven doorreizen naar Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan de artillerieschool te volgen; zelfs had hij hem benoemd tot zijn adjudant en hem den luitenantsrang geschonken bij een afdeeling vrijwillige artillerie, waarover hij had te bevelen.
In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre, die met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van Italië was geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had gezien en thans een door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad goedgekeurd veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het succes was groot, maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in het rapport dienaangaande kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op Robespierre’s voorstel ingegaan, dan had hij toen in de plaats van Henriot het commando kunnen krijgen over de nationale garde te Parijs, doch het vooruitzicht chef te worden over een bende halfgewapende, slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den volbloed soldaat, niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden en keerde tegen den zomer naar Nizza terug.
Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn “handigheid in zaken” en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter van den in Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet, die Marie-Julie, jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den intiemen kring gevat, geestig en—zeer rijk, want 150.000 francs, haar bruidschat, belegd in nationale goederen, was bij den lagen koers der assignaten in die dagen een groot fortuin. Op haar beurt zag de familie Clary een verbintenis met een heer van adellijke afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet ongaarne; bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie hoog stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering te schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren reeds gevallen, de gevangenissen met “verdachten” overvol en nog dagelijks hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak tienduizenden francs beliepen.
Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid, dat zoo rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus 1794 werd het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer dan vroeger als oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en Pauline altijd aan Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds Jozef, die ten slotte besliste, terwijl Lucien en Marianne alleen van hem raad aannamen.
Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al stond hij thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk gaf niet zooveel waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds zeker was.
Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te Parijs inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger beschreven. Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het rijk van Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan de tijding doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte, die zoowel over het Alpenleger als over dat van Italië het toezicht uitoefenden en Bonaparte toch reeds een kwaad hart toedroegen, of deze werd beschuldigd van landverraad en op hun last gevangen genomen. Hij had op intiemen voet verkeerd met de jonge Robespierre en Ricord; door hen was hij belast geworden met een geheime zending naar Genua en hier zou hem door den vijand een millioen francs zijn beloofd, bij elkander genomen, misdaden genoeg om een generaal in die dagen naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad toen zij de positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel wat meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.
Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden; hij had hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden niet erkend, geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij veel van die volstrekt niet onbaatzuchtige representanten een zaak van groot gewicht en hij was dus in zekeren zin hun persoonlijke vijand geworden. Toen een ernstig onderzoek zijner papieren tot niets leidde en hij zich omtrent die bevolen reis naar Genua volkomen had kunnen verantwoorden, waren de representanten wel verplicht den man voorloopig weder los te laten, “dien zij na de terechtstelling van den samenzweerder Robespierre als maatregel van algemeene veiligheid hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en militaire kennis in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon wezen.”
Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte blijkbaar spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds werd hij door Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol had gespeeld, belast met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar Corsica, dat nog altijd in Engelsche handen was. Van deze gelegenheid maakte hij terstond gebruik om Jozef te belasten met de goed betaalde functie van inspecteur over de hospitalen te Toulon.
De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche marine waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere, doch tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam het bevel de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had dus een half jaar tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig verblijf te Marseille bij zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door een wijziging in de indeeling der legers, die o.a. aan twintig divisie-en acht en vijftig brigade-generaals de nonactiviteit had gebracht, was ook hij van zijn commando ontheven en “zijn verdienste en zijn deugdelijke kennis in aanmerking genomen,” als brigadegeneraal ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling, waartegen de toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets kon aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld onder de bevelen van een ander.
Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen niet; hij nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als adjudanten mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader van Marmont logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen, tegelijkertijd nog dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de militaire school van Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van luitenant der artillerie voor hem machtig kon worden. Eindelijk te Parijs gekomen, vond hij de toestanden hier geheel gewijzigd.
Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad onder de uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was men binnengestormd, bloed had gevloeid en een nieuwe periode van ellende en doodsangst had gedreigd, maar ten slotte hadden de gematigden en het goedgezinde deel der burgerij de zege behaald en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was geweest, dat eene heftige vervolging was begonnen tegen al wat met Robespierre en de Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou was benoemd tot commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het beheer over de legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der artillerie Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen van Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk zijn vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was geweest; reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het leger in de Vendée was ingedeeld, niet als generaal der artillerie, doch als commandant eener brigade infanterie.
Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel tegen de officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie, gedegradeerd dus! Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn vroeger commando terug, doch ontving een weigerend antwoord. “Hij was nog veel te jong voor zulk een positie,” zei Aubry, jaloersch op het succes van zijn wapenbroeder. “Op het slagveld gaat die jeugd snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf Bonaparte den ander, die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord; zijn protest hielp hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te redden zond Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar meldde zich tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den zomer van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef “zijn eenigen vriend,” zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken in de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen vuile laarzen aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange haar in twee tressen oreilles de chien langs de ooren afhangende, een echt beeld van armoede en verwaarloozing, sloop hij langs de straten.
Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier bleek duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: “Aan het leven hecht ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade; ik verkeer voortdurend in den zielstoestand van den soldaat aan den vooravond van een veldslag. Innig overtuigd, dat wanneer de dood om ons heen waart om aan alles eensklaps een einde te maken, bekommerd zijn een dwaasheid is, doet alles mij het noodlot trotseeren. Houdt die toestand aan, dan zal het slot wezen, dat ik voor een naderend rijtuig niet eens meer uit den weg ga.”
Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij zijn ouden schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen toestand bracht zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees weder de gedachte bij hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij de artillerie van den Grooten Heer, die zijn leger wilde organiseeren en om officieren had verzocht; dan zou hij niet bij de toen nog zoo geminachte infanterie1 behoeven te dienen, want hij zou er als generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens meenemen, die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar Marseille en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.
Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk trad met Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, “dien gelukkigen schelm,” zooals hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens verbintenis met Julie had vernomen.
Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch, hoewel Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn zin te weinig en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.
Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij zijn familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen, wanneer dit noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder verloren, maar was door zijn vijanden uit wraakzucht, voor ’t geen hij indertijd te Saint-Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet en liep als zooveel anderen, dus groot gevaar voor zijn leven.
Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een baantje voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook voor Jozef was hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was verkeken, poogde Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der havens van Italië, maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een post op Chio b. v. was hij niet gediend. Consul op een eiland! Wat was dat nu voor hem, zoo’n knap, zoo’n groot man, die op Corsica reeds zooveel hooge betrekkingen had bekleed. Iets beters moest Napoleon voor hem, het hoofd van het geslacht, dus zien machtig te worden en nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.
Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels een plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij zijn vorderingen en geraakte over, “dien besten, braven, vlijtigen, goedhartigen” jongen in zijn brieven niet uitgepraat.
Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij verlangde naar Parijs! Broer “Napolione” moest daar een kostschool voor hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen, want de kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met de zorg voor zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die zomerdagen door Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door Doulcet de Pontécoulant.
Door het lid der Conventie Boissy d’ Anglas op Bonaparte gewezen als op “een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met kennis van zaken daarover sprak,” verzocht Pontécoulant “dien jonkman met zijn doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk uiterlijk” bij hem te komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem bij de afdeeling, belast met het ontwerpen der veldtochtsplannen en met het toezicht op de operaties te land en ter zee. Deze gelegenheid om weder aan het werk te komen, greep Bonaparte gretig aan; in de volgende weken ontwierp hij het plan van aanval op de Oostenrijkers, dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf uit te voeren en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de oogen van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.
De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een spaak in ’t wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren chef van het personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein, was Bonaparte, die een domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op zijn plaats kon zetten, volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn verzoek te voldoen. Daarop nam Bonaparte zijn ontslag van het bureau en begon nogmaals werk te maken van een detacheering bij het leger van den Sultan. Ook het Comité de Salut Public had daar wel ooren naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten erkenden o. a. Jean Debry. “Eerst behoort het Comité dien opperofficier te beloonen voor de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan kan er later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven,” zei hij o. a. bij de beraadslaging over dit punt.2
Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte’s kansen dus zeer mooi te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf schreef hij aan Jozef “dat het besluit reeds zou zijn geteekend en de datum van het vertrek vastgesteld als er te Parijs bij de partij der reactie niet zooveel gisting heerschte.” Binnen enkele dagen zou echter alles wel zijn afgeloopen schreef hij verder. Dat die partij de zege zou wegdragen duchtte hij niet. “De genius der vrijheid verlaat haar verdedigers niet,” schreef hij.
Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot levensleer en levensregel had gekozen was vervat in zijn: “In ’t verschiet zie ik alleen liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het geval niet, is het toch zaak te leven bij den dag. Een man van moed rekent niet met de toekomst.”
Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die toekomst, in zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een volslagen omkeer worden gebracht.
Notes
1 Later zou hij tot andere gedachten komen. Slechts één opperofficier der artillerie is door hem tot maarschalk benoemd (Marmont) en dit geschiedde dan nog alleen uit oude relatie.
2 Hoewel Bonaparte’s positie bij het leger den 13en Fructidor volkomen in den vorm was geregeld, nam het Comité zestien dagen later, op dienzelfden datum dus, dat zijn verzoek om detacheering daar in behandeling kwam, een besluit, waarbij hij van de lijst der actief dienende generaals werd geschrapt. Wat een janboel dus!