Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNapoleonHoofdstuk XXV — Lutzen, Bautzen, Leipzig · 29 of 35Contents›

Napoleon

by Herman Théodore Chappuis

29 of 35 · Contents · Download EPUB

Hoofdstuk XXV

Lutzen, Bautzen, Leipzig

Ternauwernood terug in zijn paleis, waar zijn vrouw hem wel met eenige verwondering doch tevens met groote hartelijkheid had welkom geheeten, riep de Keizer zijn ministers en grootwaardigheidsbekleeders bijeen. In zijn onderhoud met hen liep hij tamelijk vluchtig heen over den laatsten veldtocht. Volgens hem was deze alleen door den invloed der elementen mislukt, want overwonnen hadden de Russen hem geen enkele maal,—wat volkomen waar was. Terstond daarop begon hij nadrukkelijk verklaring te vragen van hun gedrag tijdens den aanslag van Malet. Savary werd door hem zelfs geducht onder handen genomen.—Terwijl de andere heeren door hun houding alleen reeds schuld bekenden, gaf Savary zijn heer kort en bondig te verstaan, dat hij niet aansprakelijk kon of wilde gesteld worden voor een aanslag, gepleegd door een halven gek, die niemand vooraf in zijn vertrouwen had genomen, en betreffende wiens plannen de politie volslagen onkundig was gebleven.

Weinig moeite kostte het den schranderen en onvervaarden minister van politie, dien de publieke opinie reeds als slachtoffer had aangewezen, den Keizer van de juistheid van zijn pleidooi te overtuigen. Te lichter viel hem dit dewijl het Napoleon niet zoozeer was te doen om dezen aanslag voor te stellen als een feit van groot gewicht, als wel om de gedachten af te leiden van Rusland en het noodlottige einde der Groote Armee.

Daarop ontving hij den Senaat en den Raad van State in plechtige zitting, viel hierbij geheel zonder reden heftig uit tegen de idéologen en hun begrippen, volgens hem de oorzaak van al ’t geen was gebeurd, en ontsloeg daarna den prefect van de Seine Frochot, zoogenaamd omdat deze den dag der samenzwering bewijzen had gegeven van weinig tegenwoordigheid van geest.

Tegenover zijn ouden raadsman en vriend de Cambacérès speelde hij echter geen comedie. Hem droeg hij op een senaatsbesluit voor te bereiden waarbij met afwijking van den gebruikelijken vorm, niet een van zijn broeders, doch de Keizerin zelve reeds dadelijk met het regentschap werd bekleed. Vastbesloten den oorlog tegen Rusland zoo spoedig mogelijk voort te zetten, doch door Malets aanslag overtuigd geworden van het gevaar, dat zijn dynastie liep, wanneer hij mocht komen te vallen, wilde hij vóór alles van deze zorg voor de toekomst zijn ontheven.

In de eerste Januaridagen van 1813 begon hij een beter begrip te krijgen van den jammerlijken toestand, waarin de overblijfselen van het Groote Leger zich bevonden. Tot nu toe had hij zich hieromtrent nog illusies gemaakt.

Over het gedrag van Murat was hij een korte poos zoo gebelgd, dat hij zelfs er over dacht hem te doen gevangen nemen. Dat Eugène dezen had vervangen, droeg zijn goedkeuring weg.

“Die was meer bekend met het voeren van een omvangrijk beheer en genoot zijn volle vertrouwen,” deed hij in den Moniteur schrijven. Tevens verhief hij Ney tot prins van Moskowa.

Toen Eugène door de steeds verder voortrukkende Russen gedwongen werd eerst de Weichsellinie op te geven en zelfs tot achter de Oder terug te gaan, meende hij hem niettemin in gespierde taal aan ’t verstand te moeten brengen, “dat dit niet de manier was om den vijand ontzag in te boezemen en voorzichtig te doen wezen.” Wanhopig werd hij bijna, toen hij vernam, dat Eugène, in ’t begin van Maart over Berlijn, zelfs naar Wittenberg, dus tot achter de Elbelinie, was geretireerd.—“Onze militaire operatiën zijn een voorwerp van spot voor onze bondgenooten te Weenen en voor onze vijanden te Londen en te St. Petersburg,” schreef hij. “Had voorwaarts van Berlijn stelling genomen en hier het gerucht doen verspreiden, dat ge veel sterker waart dan uw effectief bedraagt; dan had de Rus zich wel tweemaal bedacht, voordat hij de Oder overschreed met nog geen 60.000 man.”

Vervolgens wees hij met nadruk op de waarde der stelling aan de Beneden-Elbe, al moest zelfs Dresden hiertoe worden opgegeven, “want door die stelling werd Holland, het schier onneembare Holland, gedekt; dit was van het hoogste belang.”

Ten slotte beval hij hem voorwaarts van Maagdenburg positie te nemen. Ook Lauriston, die Eugène met vier divisiën nieuwe troepen was te hulp gezonden, ontving in dezen zin bevelen; hij moest allerwege het gerucht verspreiden, dat het Elbe-leger weldra tot den aanval zou overgaan.—“De moreele indruk doet vaak meer dan een groot leger,” schreef hij.

Inmiddels was hij zelf weder even rusteloos en onvermoeid als ooit te voren bezig Frankrijks strijdmacht te herstellen. In de eerste plaats dienden hem hiertoe de ruim 140.000 conscrits van 1813, die, vroeger dan gewoonlijk opgeroepen, reeds drie maanden oefening achter den rug hadden; dan de zoogenaamde cohorten, een soort van stedelijke schutterij, samengesteld uit jonge mannen boven de twee en twintig jaar, reeds ten vorige jare opgericht en circa 100 bataljons vormende, goed gedrild en goed gewapend; voorts conscrits der lichtingen 1809, ’10, ’11 en ’12, die nog niet hadden gediend; dan enkele uit Spanje terug ontboden regimenten, de soldaten en de kaders, die uit Rusland waren teruggekeerd, en thans in de depotplaatsen in Duitschland en Frankrijk werden gebezigd om het jonge personeel te onderwijzen en de kern te vormen voor nieuwe afdeelingen; eindelijk—de lichting van 1814, dus nog niet veel meer dan knapen.

Wel waren in den vorigen veldtocht alle vuurmonden en voertuigen verloren gegaan, doch in de arsenalen was voorraad genoeg aanwezig om binnen korten tijd zeshonderd, en een paar maanden later zelfs reeds duizend geheel uitgeruste kanonnen te kunnen uitbrengen. Ook trekpaarden waren er voldoende te krijgen, al was het oosten van Duitschland reeds door de Russen gesloten.—Het grootste bezwaar leverde de vorming op eener nieuwe cavalerie. Hiervoor waren geen rijpaarden genoeg. Zelfs voor baar geld en later door requisitie gelukte het generaal Bourcier, die speciaal met den aankoop er van was belast, niet eens, een voldoend getal bruikbare dieren bijeen te brengen.

Toen bedacht de Keizer, maar al te goed wetende van hoeveel waarde een talrijke ruiterij thans voor hem was, een middel om ten minste ten deele in deze ernstige leemte te voorzien; hij begon Frankrijks ijdelheid te prikkelen. Door de verschillende groote en kleine steden des rijks liet hij zich geheel uitgeruste cavaleristen aanbieden. Parijs gaf het voorbeeld met 500 man; dan kwam Lyon met 120; Rome leverde er 240, Amsterdam 100, Rotterdam 50 en zoo vervolgens. De prefecten oefenden hierbij wel eenigen drang uit maar het grootste deel der bevolking in Frankrijk zelf, al gaf ze Napoleon de schuld van al de rampen der laatste tijden, begreep dat ook alleen hij door krachtige weermiddelen in staat zou wezen om na een kortstondigen veldtocht te geraken tot een eervollen vrede.

In diezelfde dagen verscheen een besluit, waarbij vier regimenten zoogenaamde gardes d’honneur werden opgericht, alleen samengesteld uit jonge lieden der aanzienlijkste families, die te paard dienst deden en zelven in hun uitrusting en hun onderhoud voorzagen.

Op deze wijze, rekende de Keizer, zou hij binnen enkele maanden 300.000 krijgers aan den Rijn en de Elbe, 250.000 man in Spanje en 50.000 man in Italië kunnen bijeenbrengen. Wel zouden dit in hoofdzaak jonge troepen zijn, maar de kaders waren grootendeels oud. Rekening houdende met den strijdlustigen aard der natie, zou het geheel dus zeer goed bruikbaar wezen. Ney zelf was weldra vol bewondering voor die halve kinderen, zooals hij ze noemde, die, voor de eerste maal in ’t vuur, doch door hun officieren voorgegaan, bij Weissenfels b.v., de charge der Russische escadrons rustig en gesloten afwachtten tot het commando: Aan! en Vuur! weerklonk, dan met hun lood in een oogwenk een dam van lijken van ruiters en paarden om zich heen opwierpen, daarna ijlings tot de aanvalsformatie overgingen en het behaalde succes onder een schallend: Vive l’ Empereur! vervolgden.

Ook de financiën, de groote zenuw van den oorlog, vergat Napoleon niet; hij stelde niet alleen een groot deel zijner in de kelders der Tuilerieën geborgen krijgskas ter beschikking van den minister van financiën, doch zelfs uit zijn particuliere middelen, louter de vrucht zijner spaarzaamheid, deed hij een fermen greep. De verkoop van een deel der eigendommen van de gemeenten, voor welk verlies hij deze schadeloos stelde, vulde het nog ontbrekende aan.

In weerwil van die reusachtige krijgstoerustingen, welke aan de Fransche nijverheid opnieuw de gelegenheid schonken te bewijzen tot welk een krachtsinspanning ze in staat was, ontbrak het niet aan stemmen, die pleitten voor een eervollen vrede zonder dat er meer bloed werd vergoten. Reeds had keizer Frans zijn bemiddeling hiertoe zijdelings aangeboden.

De Caulaincourt, die het Russische hof door en door kende, hierin door de Cambacérès, de Champigny, en Talleyrand gesteund, ried Napoleon ernstig aan niemands tusschenkomst aan te nemen of te vragen, doch zich tot keizer Alexander zelf te wenden. Hier tegenover raadde de hertog van Bassano, hooghartig en verwaand als altoos, hem, van Oostenrijks bemiddeling wel degelijk gebruik te maken; en Napoleon, die zeide eveneens den vrede te willen, maar die dezen feitelijk niet wilde,—moest hij geen wraak nemen voor Moskou en het in Rusland geleden échec?—sloeg den raad der ouderen in den wind en volgde dien van zijn vleier.

Zelf schreef hij dus aan zijn schoonvader; maar dit schrijven was weder even hooghartig als altijd en de voorwaarden, welke hij stelde, waren volslagen onaannemelijk. In een brief aan Metternich had Maret met zijn belachelijk chauvinisme de stekeligste uitdrukkingen zijns meesters ten overvloede nog eens aangedikt.

Het resultaat van dezen stap was dan ook nul. Onder geen vorm wilde keizer Frans Pruisen zoo goed als uit de rij der staten van den Duitschen Bond zien verdwijnen, want van dit plan ging Napoleon zwanger. Ook wenschte hij het koninkrijk Polen niet hersteld te zien.

Schier ondoenlijk is ’t zich een juiste voorstelling te maken van den geweldigen omkeer in de ziens-en denkwijze des volks, die inmiddels in Duitschland doch voornamelijk in Pruisen betreffende Napoleon was ontstaan. In den volsten zin des woords had het verraad van Yorck hier het sein gegeven tot een beweging tegen hem, zoo reusachtig, dat den koning, die tijdelijk te Breslau verblijf hield, de angst om het hart sloeg bij de gedachte aan de wraak van Napoleon.

De leden van den Tugendbund met von Stein en zooveel anderen aan het hoofd bekommerden zich hierom echter niet; die bond trad op met volle kracht; hoe meer de Russen naderden, hoe meer Eugène met zijn handjevol troepen achteruit gedrongen werd, hoe hartstochtelijker de volksgeest ontwaakte.

Toen Berlijn door de Franschen moest worden losgelaten; toen Dantzig en andere groote vestingen in Pruisen met Fransch garnizoen, als Stettin, Glogau, Maagdenburg, door de Russen werden bedreigd en ingesloten; toen keizer Alexander ten slotte Breslau naderde, was koning Frederik Wilhelm niet langer bij machte den wil van zijn volk te weerstreven. Den 1en Maart 1813 sloot hij met Alexander een verbond; en deze, door zijn aanvankelijk succes en zijn weelderige fantasie meegesleept, meenende, dat hij de door een hoogere macht aangewezen persoon was om gansch Duitschland te bevrijden, zwoer, dat hij de wapenen niet zou laten rusten, voordat hij deze taak had volbracht.—Engeland zou voor geld zorgen.

In een ommezien had gansch Pruisen zich nu aangegord tot den strijd, en was er een Landwehr, een soort van nationale militie, georganiseerd. Zoo geducht werd de drang dezer gewapende massa, dat geheel Pruisen en Saksen door de Franschen moesten worden ontruimd. Tot achter de Saale ging Eugène terug.

Te midden van die zoo snel op elkander volgende gebeurtenissen voelde keizer Frans zijn positie voortdurend moeilijker worden. Hij hield veel van zijn dochter; hij was zijn schoonzoon niet ongenegen; gaarne zou hij als bemiddelaar zijn opgetreden. In dezen zin liet Metternich zich ook uit tegenover Maria Louise, toen hij bij Napoleon geen gehoor vond; maar de halsstarrige weigering van dezen om op zijn voorwaarden iets te laten vallen, was oorzaak, dat alle kans op vrede verdween.

Tegelijkertijd werd door Pruisen en Rusland geen middel ongebruikt gelaten om ook Oostenrijk in hun coalitie te betrekken. Door den ouden adel, fel gebeten op Napoleon, den man der revolutie en der moderne begrippen, waren in ’t geheim zelfs reeds relaties aangeknoopt met de andere hoven.

Maar nòg bleef keizer Frans doof voor de aanmaningen van die zijde en voor den drang van zijn volk. Door bedrieglijke beloften werd de Fransche gezant te Weenen zelfs misleid. Toch was reeds uit allerlei gegevens af te leiden, dat ook hier weldra een omkeer zou volgen.

Alleen de oude koning van Saksen was niet te bewegen zijn woord te breken. Hij bleef Napoleon trouw, herinnerde zijn leger aan zijn eed, gaf, toen hij bij de nadering der Russen Dresden verlaten moest, de forten bij Wittenberg en bij Torgau aan de Franschen in handen en vertrok naar Praag.

Den 25en Maart vaardigde Kutusof een manifest uit, waarbij het Rijnverbond vervallen werd verklaard, en waarbij alle Duitsche vorsten met verlies hunner kroon bedreigd werden, als zij niet onverwijld medewerkten tot de bevrijding van hun vaderland.

Reeds in de eerste dagen van Februari had de graaf van Lille (later Lodewijk XVIII) uit Engeland een manifest gericht tot de Fransche natie om zich te werpen in de armen van haar wettigen vorst, “nu de goddelijke Voorzienigheid gereed scheen het werktuig van zijn toorn, den overweldiger van den troon van St. Louis, den verwoester van Europa, te verbrijzelen.”

Den 30en Maart trad ook Bernadotte tot de coalitie toe. Engeland schonk hem hiervoor vijf en twintig millioen francs; ook werd het aan Denemarken toebehoorende Noorwegen hem toegewezen benevens Guadeloupe, een bezitting van Frankrijk.

Reeds in Augustus van het vorige jaar had hij te Abo met Alexander van Rusland onderhandelingen aangeknoopt over een inbezitname van den Franschen troon, als Napoleon in dien veldtocht mocht komen te vallen. Toen hadden die niet tot een besluit geleid. Thans kwam deze oud-maarschalk van Frankrijk, die alles aan Napoleon te danken had, zich scharen aan de zijde van diens vijanden, “omdat het belang van zijn nieuw vaderland dit noodzakelijk maakte.”

En zooals we zagen stond ook Murat reeds op het hellende vlak, dat leiden moest naar verraad. Beducht voor het verlies van zijn kroon, had hij te Weenen in stilte reeds vrienden gezocht om hem in geval van nood te beschermen, toen Napoleon hem het commando over zijn cavalerie opdroeg.

Den 27en Maart werd Pruisens oorlogsverklaring te Parijs ontvangen. In de eerstvolgende weken zou het zwaard dus weder beslissen tusschen Frankrijk en Pruisen, Rusland en Zweden met een weifelend Oostenrijk op den achtergrond en met een bevolking in Duitschland, die onverzoenlijken haat had gezworen aan al wat Napoleon heette of met hem samenging.

Ten gevolge van de doorgestane vermoeienissen was Kutusof gestorven en in het commando opgevolgd door Wittgenstein, wiens chef van den staf Diebitsch de leiding in handen had. Blücher zou het Pruisische leger aanvoeren. Beider macht te zamen beliep ongeveer 250,000 krijgers, waaronder een zeer talrijke cavalerie, een wapen, waarvan het Fransche leger voorloopig slechts spaarzaam was voorzien, en met een artillerie, die het van de Fransche eveneens in sterkte won, maar niet in gehalte.

Tegenover deze macht, welke Hamburg, Dresden en Leipzig in haar bezit had, kon de Keizer voorloopig niet meer stellen dan circa 80.000 man, verdeeld in de garde en vier korpsen. Voor ’t grootste gedeelte waren deze afdeelingen nog op marsch.—Ten zuiden van Maagdenburg, met den linkervleugel geleund aan de Saale, stond voorts Eugène met bijna 40.000 man.

Voordat Napoleon Parijs verliet om zich naar zijn leger te begeven (15 April) was de gezamenlijke sterkte hiervan geklommen tot circa 200.000 man, voor de helft Franschen; de krijgsmacht der bondgenooten nam eveneens doch in veel sterker mate toe, terwijl zich in de staten van het Rijnverbond en te Hamburg reeds duidelijk sporen van verzet vertoonden.

Nogmaals een voorwerp van bewondering en ontzag voor zijn gansche omgeving, letterlijk jong geworden opnieuw, ondanks al ’t geen aan de overzijde van den Rijn voorviel, geen seconde versagende, de toekomst oogenschijnlijk zelfs met vertrouwen te gemoet ziende, was de Keizer rusteloos bezig zich op den nieuwen veldtocht voor te bereiden. Wanneer alles reeds sliep, waakte hij nog. In zijn brein, weder even helder en scherpzinnig als in zijn beste dagen, had hij zijn plan reeds vastgesteld.—Gedekt door de drie korpsen, welke Eugène voor Maagdenburg had staan en achter deze om, wilde hij bij Havelberg ten zuiden van Wittenberg onverhoeds de Elbe passeeren, zijn geheele macht naar Stettin voeren, op deze wijze vóór zijn tegenpartij de Oder bereiken en dan met geforceerde marschen oprukken tot ontzet van Dantzig, waar Rapp door de Russen nog altoos was ingesloten.

Vermetel was dit, want, terwijl hij zijn linkervleugel deed leunen aan de zee, stelde hij zijn rechter bloot aan een flankaanval; maar wat een succes in de oogen van Europa, als hij zoodoende meester werd van de bruggen over de Beneden-Weichsel!

Het bezetten van Hamburg was hierbij van overwegend belang, want de Beneden-Elbe werd geheel door deze stad beheerscht. Daarom had Davoust, die tot half Maart te Dresden had gestaan, deze stad na het doen springen van een paar steenen pijlers van de brug over de Elbe ontruimd en was toen met zijn korps (30.000 man) over Lüneburg derwaarts op marsch gegaan.

Nog een hoofdzaak vervulde ’s Keizers brein, namelijk de quaestie van het regentschap tijdens zijn afwezigheid. Een besluit van den Senaat riep Maria Louise dus tot het regentschap. Wel moest een raad haar terzijde staan, doch uit alles bleek, dat deze zeer weinig zou hebben in te brengen, en dat de Cambacérès, de voorzitter, de spil zou wezen waaromheen alles draaide.—De Prins, die op zijn ouden dag vroom begon te worden, zag wel met ontzetting op tegen die nieuwe zware taak, maar gehoorzaamde.

Dan waren ’s Keizers oogen telkens gericht op de bewapening zijner cavalerie. Deze moest worden voorzien van een vuurwapen. ’t Was al te erg, dat de kurassiers b.v. in een kantonnement altijd infanterie noodig hadden tot hun bescherming. Niet alleen de kurassiers, zelfs een deel der lanciers wilde hij dus van een flink vuurwapen voorzien. In dezen zin gaf hij bevelen.

Thans eerst gevoelde hij welke geduchte verliezen de tocht naar Rusland aan zijn korps hoofden subalterne officieren had toegebracht.—“Van een leger vormen de officieren en de onderofficieren de kern,” zeide hij, en menigmaal schold hij tegenwoordig op “die onbruikbare heeren, die de spot waren van de soldaten,” en op “de jongelui, die pas ’t gymnasium hadden verlaten en van den dienst niets wisten.” Dat hij zelf van dit verval de schuld was, en dat zijn nooit eindigende oorlogen zijn beste dienaren achtereenvolgens hadden weggeraapt, scheen hij vergeten.

Ook over zijn tegenwoordige generaals was hij slecht te spreken. Wel ontbrak het hun niet aan krijgservaring en militaire kennis, maar de jaren, de weelderige levenswijze en bovenal de druk van zijn ijzeren vuist bij het minste teeken van eigen initiatief of van zelfstandigheid, hadden werktuigen van hen gemaakt. Die onder zijn persoonlijke leiding nog flink bruikbare tactici maakten, als zij aan zich zelf overgelaten waren en op eigen wieken moesten drijven, vaak een treurig figuur. Ook was het vertrouwen der soldaten op hun aanvoerders en het zoo hoogst noodige elkaar verstaan en begrijpen in de korpsen onrustbarend verminderd.

Te midden van den chaos van zaken, die zijn brein vervulde, vond hij toch nog tijd te denken aan zijn vrouw en een bewijs te geven van zijn kieschheid tegenover haar. Savary ontving schriftelijk bevel niet alle politierapporten aan haar als regentes voor te leggen, doch deze eerst aan de Cambacérès ter inzage te geven.—“De Keizerin is nog te jong; haar gemoed mag niet door de lezing van zulke bijzonderheden worden bedorven of verontrust.”

Nòg een quaestie van groot gewicht had hij voor zijn vertrek naar het leger gaarne opgelost willen zien, n. l. die met den paus. Hierin slaagde hij echter niet. In het begin van 1813, had hij, tot groote verbazing van velen maar tot niet minder groote voldoening van tal van anderen, Pius te Fontainebleau opgezocht en was bijzonder hartelijk ontvangen. De paus had hem “zijn beminde zoon” genoemd, in één woord meer dan voldoende bewijzen gegeven, dat hij zelf zijn grooten tegenstander geen kwaad hart toedroeg.

Met een paar woorden was toen alle misverstand opgehelderd. Het vroeger voorgevallene scheen vergeten; weldra had het gesprek geloopen over de rampen en nooden der Italiaansche kerk en over de middelen om daaraan een einde te maken. Den volgenden dag had Pius dit bezoek met groote statie beantwoord, was toen ook naar de vertrekken der keizerin geleid, had in haar een zachtaardige, goedhartige en met haar hooge positie zeer ingenomen jonge vrouw gevonden en tevens den indruk ontvangen, dat hij op St. Cloud zeer welkom was.

In de nu volgende dagen waren beide groote mannen tot overeenstemming gekomen. Pius had zich verbonden de vroeger gesloten verdragen en vooral de besluiten van het Parijsche Concilie betreffende de canonieke bevestiging der bisschoppen letterlijk na te leven. Hier tegenover had Napoleon beloofd de propaganda en de penitencerie (pauselijke vierschaar voor boetezaken) weder toe te laten en de verbannen geestelijken terug te roepen. Den 25en Januari was het door zooveel duizenden gewenschte nieuwe Concordaat met groote plechtigheid te Fontainebleau, in tegenwoordigheid van de keizerin en van een schitterenden hofstoet, door beide vorsten onderteekend.

Doch wat had men toen gezien? Nog geen maand later hadden de kardinalen Pius weten te bewegen, aan dit stuk een cedule (aanhangsel) toe te voegen, waarin hij de geheele overeenkomst van Fontainebleau terugnam en de kerk weder in den ouden toestand van verwarring dompelde.

Over deze trouwbreuk vertoornd, zich nu ontslagen achtende van al zijn verplichtingen tegenover den Heiligen Stoel, had Napoleon nog denzelfden dag een decreet uitgevaardigd, waarbij het pauselijke gezag in gansch Frankrijk en Italië opgeheven, de metropolitaan te Parijs (aartsbisschop) hiermede bekleed en aan alle Franschen gehoorzaamheid aan het Concordaat van Fontainebleau bevolen werd.

Den 15en April verliet hij St. Cloud en bevond zich reeds tien dagen later te Erfurt bij zijn garde. Eugène stond nog met drie korpsen aan de Beneden-Saale; Ney, voorwaarts van Weimar, had den pas bij Kösen tevens bezet, Marmont stond bij Gotha, de generaal Bertrand met zijn korps bij Saalfeld, Oudinot bij Coburg.

Hiertegenover vond men Wittgenstein met 22.000 man tusschen de Saale en de Beneden-Mulde, Blücher met 21.000 strijders bij Altenburg, de voorhoede der Russische hoofdarmee bij Chemnitz, Tormassof bij Dresden, voorts Wintzigerode met 10.000 man bij Lützen, dus vrij ver uiteen.

Reeds heeft de voorgenomen vereeniging tusschen Eugène’s korpsen en het hoofdleger plaats gegrepen, en hebben de jonge Fransche conscrits o.a. bij Weissenfels een bewijs gegeven, dat men op hen kan rekenen; reeds is de Saale hier en bij Merseburg overschreden en is de oude garde Lützen genaderd op haar weg naar Leipzig, als bij Wittgenstein, die het opperbevel voert, het plan tot rijpheid komt, Napoleons rechtervleugel aan te grijpen. Een divisie van 5000 man zal in breed front, bij Lindenau ten westen van Leipzig, het andere gedeelte van diens leger inmiddels bezighouden.

Door zijn gebrek aan cavalerie wist Napoleon van de opstelling en de marschrichting des vijands nog zoo goed als niets. Alleen was hem bekend, dat Wittgenstein zijn macht bij Zwenkau bijeentrok.

Als Lauriston den 2en Mei bij Lindenau stoot op de Russen, denkt de Keizer dus aanvankelijk hun geheele leger tegenover zich te hebben. Weldra verraadt kanongebulder uit het zuidoosten hem echter, dat hij zich heeft vergist. Enkele minuten blijft hij staan luisteren en kijkt hij naar den in de verte optrekkenden kruitdamp; dan begrijpt hij den toestand. Ney, die Grooten Klein-Görschen benevens het dorpje Kaja heeft bezet, wordt blijkbaar aangevallen.

Terwijl hij Lauriston tegenover Lindenau laat staan, doet hij door een manoeuvre, even geniaal als bezwaarlijk en alleen voor hem uitvoerbaar, de rest van zijn leger achter dezen langs een frontverandering verrichten naar het zuidoosten.—Is deze gelukkig volbracht, dan gaat het er op in, Ney te hulp; hij zelf voorop, voor zijn jonge soldaten uit om ze aan te vuren.—“Waarschijnlijk heeft hij in zijn gansche leven nooit zooveel gevaar geloopen als dien dag,” schreef Marmont, die bevel had ontvangen rechts naast Ney in ’t gevecht te treden.

Tot vijf uur blijft dit onbeslist; dan begint er bij de tegenpartij afmatting te ontstaan. De Keizer voelt, dat het kritieke oogenblik is gekomen. Drouot, de welbekende commandant der garde-artillerie, ontvangt bevel op den rechtervleugel der slaglinie zijn gansche macht, 60 stukken, te doen oprijden om baan te breken. Dan formeert zich de garde tot den aanval. Het dorp Kaja, het centrum der stelling, wordt door haar genomen; over de gansche linie vluchten de Pruisen. Tevergeefs spannen de Russische reserves alle krachten in om het verloren terrein te herwinnen; om zeven uur is de slag bij Lützen geslagen.—“’t Is een onverwachte overwinning geweest, die in den stand der zaken een geheele ommekeer heeft teweeggebracht,” mocht de Keizer gerust zeggen. Zijn jonge soldaten hadden gezegevierd; de vijand was in vollen aftocht naar Dresden en de Elbe. Te voren reeds had Lauriston Lindenau en Leipzig genomen.

Deze glansrijke zege had de gedachte aan den veldtocht naar Rusland bij vriend en vijand eensklaps naar den achtergrond gedrongen. De gelukszon bestraalde dus ’s Keizers vanen opnieuw!

Nu rukt hij in één adem door naar Dresden en staat den 8en Mei voor de Elbe. Met zijn artillerie brengt Drouot een hier staande batterij van 40 stukken tot zwijgen. De Russen en Pruisen ontruimen in allerijl de stad. Den 11en zijn de steenen brugbogen, die Davoust heeft doen springen, door houten jukken vervangen, en trekt het Fransche leger de rivier over, den vijand achterna, die naar Bautzen aan de Spree, naar het oosten is geweken.

Verscheiden kleine gevechten bewijzen hoe dicht de partijen elkander reeds zijn genaderd. Bij Würschen wordt Alexander, die, verstoord op Wittgenstein, het commando zelf heeft genomen, geducht gehavend; den 20en tegen het middaguur worden de verbondenen bij Bautzen door Macdonald en Oudinot opnieuw zoo geducht onder handen genomen, dat een generale aftocht naar Breslau in Silezië het gevolg hiervan is.

De eindbeslissing was echter nog nergens gevallen. Gebrek aan cavalerie was bij Napoleon hiervan de reden. Deze leemte in de samenstelling zijner armee was oorzaak, dat hij betreffende ’s vijands bewegingen zelden vroegtijdig inlichtingen ontving, dat er na een gelukkig gevecht bij de vervolging geen gevangenen werden gemaakt en dat de aftrekkende tegenpartij niet uit haar verband gerukt kon worden.

Den 1en Juni bezette hij Breslau. Tot nu toe had hij overal de zege behaald. Jammer, dat hij ze zoo duur had moeten koopen! Den 1en Mei was Bessières, sinds 1796 overal zijn trouwe krijgsmakker, bij Poserna door een kanonskogel gedood; den 22en bij Reichenbach had ditzelfde lot den hofmaarschalk Duroc, den braven generaal Bruyères en den generaal der genie Kirgener getroffen.

De brief, dien hij aan mevrouw Bessières, hertogin van Istrië en later aan mevrouw Duroc op het gevechtsveld schreef; de vorstelijke wijze waarop hij daarna in de toekomst van deze dames voorzag, gaven wel te kennen hoe bitter hij onder het verlies van die trouwe vrienden leed. Schreiende als een kind had hij aan den arm van de Caulaincourt het sterfbed van Duroc verlaten.

“De dood begint dicht om ons heen te waren,” mocht hij wel zeggen.

Door de laatste nederlagen zeer in ’t nauw gebracht, zoo goed als afgesneden van Berlijn, tot in Opper-Silezië teruggeworpen, gevoelden Alexander en Frederik Wilhelm, dat het voor hen hoog tijd werd onderhandelingen aan te knoopen en tot ergernis van het meerendeel zijner generaals liet Napoleon zich vinden voor het sluiten van een wapenstilstand. Den 4en Juni ingaande, zou deze duren tot 20 Juli. Breslau werd neutraal verklaard, de strook grond aangewezen, de onvruchtbaarste van gansch Silezië, waarop het Fransche leger zou verblijven.

In de hoop gedurende dit tijdsverloop tusschen zijn vijanden verdeeldheid te zaaien en hun coalitie te doen uiteenvallen, had Napoleon in deze ongunstige voorwaarde berust. Ook dacht hij de talrijke versterkingen, vooral aan cavalerie, die reeds naar hem op marsch waren, inmiddels bij zich aan te trekken. Voor het meerendeel waren het conscrits, later Marie Louises genaamd, omdat deze de besluiten teekende en wegens den vorm van hun hoofddeksel, een kwartiermuts, die op een vrouwenmuts geleek,—schako’s waren er toen niet in voorraad—doch Napoleon had de waarde dier slechts half volwassen jonge mannen reeds op prijs leeren stellen.

Een overeenkomst, den 30en Juni te Dresden gesloten, waarbij het aanbod van Oostenrijk om als bemiddelaar op te treden door beide partijen werd aangenomen, was het slot van eenige voorloopige besprekingen. Den 5en Juli zou te Praag een congres bijeenkomen om over den vrede te beraadslagen. Hiermede in verband werd de duur van den wapenstilstand verlengd tot den 10en Augustus.

Het congres leverde echter geen resultaat op. De eischen der bondgenooten, n.l. dat Frankrijks grenzen voortaan zouden worden aangegeven door den Rijn, de Alpen en de Maas, achtte Napoleon na zijn overwinningen bij Lützen en Bautzen volslagen onaannemelijk. De oorlog zou dus opnieuw ontbranden, feller nog dan te voren, want keizer Frans verklaarde thans aan den drang van zijn volk, (doch vooral van zijn omgeving) niet langer weerstand te kunnen bieden en sloot zich aan bij de coalitie. Vóór Waterloo zou dit “Heilige Verbond,” niet worden opgelost.

“Wat zal ik ze afrossen!” moet Napoleon te Dresden hebben gezegd, toen hij de vreemde diplomaten, waaronder Metternich, dien hij grof bejegend had, zijn paleis zag verlaten. Hij scheen totaal te hebben vergeten, dat hij in Duitschland een leger van hoogstens 300.000 man had, slechts voor de helft bestaande uit Franschen; dat de herinnering aan de ramp in Rusland bij deze nog niet was uitgewischt, en dat laksheid, onwil en neiging tot verraad bij de bondstroepen zich reeds duidelijk begonnen te teekenen.—Was de Saksische generaal von Thielmann na een mislukte poging om de forteres van Torgou den Pruisen in handen te spelen, niet reeds met zijn brigade naar deze overgeloopen? Had von Langenau niet ongeveer hetzelfde gedaan?—Toch bleef hij oogenschijnlijk vol vertrouwen en twijfelde niet aan zijn succes,—als hij slechts wat meer cavalerie tot zijn beschikking had gehad.

Een blik op den stand der partijen kan hier niet schaden.

Reeds bij ’t begin van den veldtocht, die, onwaardig genoeg, door de bondgenooten werd geopend (14 Augustus), voordat de wapenstilstand was geëindigd, omspanden hun legerdrommen Napoleons troepen in één wijden boog. In Mecklenburg stonden 40.000 Russen. Met ruim honderdduizend Zweden, Russen en Pruisen hield Bernadotte Berlijn bezet. In Silezië, tusschen Schweidnitz en de Oder bevond zich de hoofdmacht, ruim 200.000 krijgers onder Wittgenstein; bij Lintz hadden 40.000 Oostenrijkers post gevat. Hun hoofdkorps 140.000 man werd onder Schwartzenberg bij Praag samengetrokken.

Stonden in eerste linie dus 560.000 man, dicht achter deze volgden geduchte reserves, die de geheele macht opvoerden tot een totaal van meer dan een millioen hoofden. Bij zulk een sterkte kwamen verliezen van 20.000 of 30.000 soldaten bijna niet in aanmerking.

Van Napoleons armee stonden circa 70.000 man bij Dahmen in Pruisen tegenover Bernadotte; met 100.000 man bewaakte Ney een deel van Silezië. In de omstreken van Zittau aan de Neisse, ten zuiden van Görlitz, bevond zich een korps van eveneens 70.000 man. De maarschalk Saint-Cyr dekte met 16.000 man Dresden en had bij ’t kamp van Pirna zijn stelling. Eindelijk lag de garde, 20.000 man sterk, te Dresden. Hier commandeerde Napoleon zelf.

Davoust, Saint-Cyr, Augereau, Reynier en andere opperofficieren met erkende krijgskundige bekwaamheden voerden nog steeds een legerkorps aan, de troepen vertrouwden op hen; doch naast hen waren anderen gekomen, op wier militaire talenten als troepenaanvoerders heel wat viel af te dingen. Oudinot had in Rusland grove misslagen begaan; Marmont had het kort te voren in Spanje afgelegd, terwijl Lauriston en Bertrand, de eerste een goed artillerist, de andere een uitstekend genist, te velde nog nooit met een troepencommando waren belast geweest en dus voor een bevel over een korps ongeschikt mochten heeten.

Alleen aan ’s Keizers persoonlijke vriendschap hadden de twee laatsten hun tegenwoordig commando te danken gehad; zij dienden letterlijk op proef en dit in een tijd, waarin Frankrijks lot op het spel stond!

Om hem te beletten verandering te brengen in zijn veldtochtsplan, dat hun door het ellendige verraad van generaal Jomini, jarenlang Ney’s chef van den staf, ten deele was bekend geworden, waren de bondgenooten de vijandelijkheden reeds den 14en Augustus begonnen. Tegenover een veldheer als Napoleon baatte hun deze schending van den wapenstilstand niet veel. Toen hij ontdekte, dat men tegen zijn opmarsch naar Bohemen op zijn hoede was wendde hij zich tegen Silezië, tegen Blücher.

Verscheiden kleine en groote gevechten (21–23 Augustus) waren hiervan het gevolg. Blücher was tenslotte verplicht achter de Katzbach, tusschen Liegnitz en Goldberg ten noordwesten van Breslau, een goed heenkomen te zoeken.

Reeds waren bevelen voor een krachtige vervolging gegeven, toen de Keizer bericht ontving, dat Schwartzenberg met ruim 200.000 man uit de passen van Bohemen gedeboucheerd en Saksen binnengerukt was, blijkbaar op Dresden aan. Macdonald met circa 70.000 man tegenover Blücher latende staan, rukte hij nu met geforceerde marschen eveneens naar Dresden, dat intusschen door Saint-Cyr, uit Pirna voor de overmacht teruggegaan, was bezet. De vluchtige versterkingswerken, hier reeds vroeger opgeworpen, waren nog niet eens voltooid.

Onbekend met de omstandigheid, dat de Keizer aan het hoofd zijner garde met de cavalerie van Latour-Maubourg en verscheiden divisiën infanterie Dresden was binnengetrokken; meenende op Saint-Cyr met zijn 17000 man een gemakkelijke overwinning te behalen, vielen de bondgenooten die veldwerken den 26en zoo onstuimig aan, dat ze in een ommezien waren genomen. Ook de voorstad Pirna was weldra in hun handen. De Freyburgerpoort werd reeds door hen bestormd.

Plotseling echter werd deze geopend. Met generaal Cambronne aan de spits stortte zich een dichte colonne garde-infanterie met geveld geweer op de aanvallers en sloeg ze uiteen. Ditzelfde gebeurde bij de andere poorten. De Pruisen vluchtten, verlieten de reeds veroverde schansen, liepen het vrije veld in en werden hier door de escadrons van Latour onder den voet gereden. Die dag kostte den bondgenooten bijna 9000 man, maar—Napoleon had vijf generaals verloren.

In weerwil van den geweldigen regen, die van het terrein een modderpoel maakt, waarin de vuurmonden blijven steken, gaan de Franschen den volgenden morgen tot den aanval over. Wel tellen ze ruim 80.000 man minder in ’t gelid dan de vijand, maar onversaagd gaat het er op in. Reeds brengt de jonge garde ’s vijands linkervleugel tot wijken, als Napoleon in deze een gaping ontdekt. In een oogwenk zitten Murats kurassiers en karabiniers in die open ruimte, breken zich met geweld baan door een hollen weg, storten zich op de daarachter staande Oostenrijksche bataljons van Klenau, houwen en steken alles neer wat voor hun voeten komt en behalen een schitterende overwinning, zonder dat zij zelf groote verliezen lijden, want de regen heeft het gebruik van het toen nog gebezigde steenslotgeweer als vuurwapen volslagen onmogelijk gemaakt; de infanterie heeft dus om zich te verdedigen slechts de bajonet.

Men zag Fransche escadrons de Oostenrijksche carré’s zoo dicht naderen, dat de ruiters met de sabel tegen de bajonetten der tegenpartij tikten. Maar wee deze, als een regiment lansiers of een batterij met dubbele bespanning in de nabijheid kwam. Dan was ’t kortaf: “De wapens neer!” of ’t ging er op met lans en schroot; dan was zoo’n carré verloren.

Dien avond was het leger der bondgenooten in vollen aftocht naar Bohemen; het miste 18 vaandels, 26 vuurmonden en 20.000 man.

Ook generaal Moreau was gesneuveld. Sinds eenigen tijd bevond hij zich bij keizer Alexander in ’t Russische hoofdkwartier. Door schitterende aanbiedingen verlokt, was hij uit Amerika overgekomen om hem met raad en daad voor te lichten. Een kanonskogel van een der gardebatterijen had hem beide beenen boven de knie verbrijzeld. Een jammerlijk uiteinde voor een eenmaal zoo schitterende heldenfiguur! Door zijn hond, die van hem weggeloopen en door een paar Fransche soldaten opgevangen was, en die een halsband droeg met het opschrift: “Ik ben het eigendom van generaal Moreau,” vernam Napoleon, wie bij Dresden tegen hem over had gestaan.

Door een plotselinge ongesteldheid overvallen,—men mompelde zelfs van een mislukte poging tot vergiftiging—zette Napoleon de vervolging in de richting van Bohemen niet zelf voort, doch keerde naar Dresden terug. Door Marmont en Saint-Cyr gesteund, zou Vandamme, die op het slagveld bijna altoos Pech hebbende, doch zeer dappere Vandamme, die taak op zich nemen. Van Peterswalde in ’t Ertsgebergte, waar hij het bergvlak van Kulm en de stad Töplitz beheerschte, zou hij naar deze laatste plaats rukken en ze bezetten, om den vijand den aftocht te beletten. Overtuigd, dat Saint-Cyr en Marmont hem zouden ondersteunen, rukte hij met zijn 20.000 man naar Töplitz, vond hier den 30en den Russischen generaal Ostermann, viel dezen onversaagd aan, doch dolf het onderspit en werd gevangen genomen. Hij was van alle hulp verstoken gebleven.—Saint-Cyr en Marmont hadden hun order te laat ontvangen.

Van nu af begon voor de Fransche adelaars de krijgskans te keeren. Reeds vroeger had Oudinot bij een poging om zich meester te maken van Berlijn, dat Bernadotte met overmacht bezet hield, bij Gross-Beeren een geduchte nederlaag geleden en was naar Wittenberg teruggeworpen (23 Augustus). Terwijl Napoleon den 26en Augustus bij Dresden glansrijk overwon, werd Macdonald aan de Katzbach door zijn eigen onvoorzichtigheid,—hij verliet een uitmuntende stelling aan dit riviertje—door Blücher verslagen. Dit was een ramp, die Napoleon kwam te staan op een verlies van vijftig vuurmonden en 33.000 man, waaronder 20.000 gevangenen. Nòg zwaarder was de slag, die hem trof, toen Ney, die Oudinot in het commando was opgevolgd, bij Jüterbock (Dennewitz) door Bernadotte zoo krachtig werd teruggeworpen, dat hij den rechteroever van de Elbe moest loslaten (5 September).

Nooit sterker dan in die laatste Augustusdagen van 1813 wreekte zich ’s Keizers manier van opleiden zijner hoogste onderbevelhebbers. Blindelings gehoorzamen aan zijn bevelen was vijftien jaar lang hun taak geweest; onder zijn persoonlijk commando vaak prachtige werktuigen, was hun strategisch denken zoodoende niet genoeg tot ontwikkeling gekomen. Door den drang der omstandigheden eensklaps geroepen zelfstandig op te treden, schoten zij thans in doorzicht en besluitvaardigheid te kort, namen verkeerde maatregelen en brachten het leger ten val.

Toch verloor de Keizer den moed niet. Alleen zijn besluiteloosheid omtrent ondergeschikte punten, b.v. het kiezen van een nachtkwartier, had kunnen doen vermoeden, dat het in zijn binnenste anders was gesteld dan zijn uiterlijk verried.—Van de tegenpartij was hem voorloopig alleen bekend, dat zij met haar hoofdmacht de passen van het Ertsgebergte bezet hield en front maakte naar Saksen. Verscheiden niet tot een beslissing voerende demonstraties verrieden, dat Dresden nog altoos haar doel was.

Zoo goed als de geheele maand September verliep zonder dat er veel belangrijks voorviel. De Keizer vormde allerlei plannen voor de toekomst; reeds dacht hij er over, achter de Elbe winterkwartieren te betrekken met Dresden en met Hamburg, waar Davoust met ijzeren vuist commandeerde, tot steunpunten, toen een onverhoedsche beweging der bondgenooten hem tot handelen dwong.

Op voorstel van Blücher was het leger uit Bohemen, door Bennigsen versterkt, rechtstreeks naar Leipzig op marsch gegaan. Blücher zelf rukte naar Wittenberg. Hier wilde hij de Elbe passeeren, met Bernadotte vereenigd, eveneens naar Leipzig marcheeren en het Fransche leger op deze wijze totaal afsnijden van den Rijn. ’t Was een plan, Napoleon waardig.

Nauwelijks had deze dit doorzien, of zijn besluit, ook nu weder even vermetel als geniaal, stond reeds vast. Hij zou teruggaan op Wittenberg, daar Blücher en Bernadotte tijdens hun opmarsch in de flank vallen en hun legers vernietigen, daarna rechtsomkeert makende, op het leger van Bohemen losgaan.

De snelheid, waarmede ook Blücher zijn beweging had ingezet, belette hem dit.

Wilde hij zijn terugtochtsweg naar den Rijn vrijhouden, dan Leipzig met zijn tal van kleine bruggen en overgangen over de riviertjes den Elster, de Pleisse en de Partha terstond bezetten, dan moest hij Blücher bij Leipzig vóór zijn. Terug naar hier! werd het parool voor zijn armee.

Saint-Cyr met ruim 25.000 man te Dresden achterlatende,—een even noodeloos als gevaarlijk verlies aan strijdkrachten, want, behaalde hij bij Leipzig de zege, dan viel die stad toch weder in zijn handen—bereikte de Keizer den 15en October de plaats, waar weldra over zijn lot en dat van Europa zou worden beslist. Dat deze beslissing eerst zou vallen na een worsteling, zooals er tot in 19051 in de krijgsgeschiedenis geen tweede bekend was, kon reeds worden afgeleid uit het verwoede gevecht, den dag te voren bij Wachau voornamelijk tusschen de cavalerie der Fransche en der Russisch-Pruisische voorhoede geleverd.

Nog was de ijzeren ring, waarmede de bondgenooten hem wilden omsluiten, aan de westzijde open; nog stond het hem vrij achter de Saale teruggaande, de bergachtige streken van Thüringen en Hessen op te zoeken en in dit doorsneden, moeilijke terrein een stelling te kiezen, die in elk geval voor de overtalrijke cavalerie zijner tegenpartij een schier onoverkomelijke hindernis zou wezen, toen de ridderlijke koning van Wurtemburg hem verwittigde, dat niet alleen het Rijnverbond doch gansch Duitschland, op aanstoken van Engeland, op ’t punt stond hem afvallig te worden, terwijl hij zelf niet langer bij machte was tegen den steeds wassenden vloed der publieke opinie in te gaan.

Deze welwillende waarschuwing sloeg Napoleon in den wind. Zelfs toen zijn voormalige bondgenoot hem deed weten, dat de koning van Beieren hem reeds verlaten, met de bondgenooten gemeene zaak gemaakt en zijn leger aan de Inn met het Oostenrijksche vereenigd had, en dat deze krijgsmacht, onder Wrede op marsch was naar den Rijn, liet hij zich niet afbrengen van zijn voornemen in de vlakte van Leipzig slag te leveren. Dat zijn macht slechts 150.000 krijgers telde; dat er van deze bovendien duizenden slechts wachtten op een enkel sein om hem te verlaten; dat de tegenpartij bijna driemaal zoo sterk was als hij, legde bij hem blijkbaar geen gewicht in de schaal. Teruggaan naar Thüringen en Hessen stond gelijk met zich overwonnen verklaren. En dit?—Nooit!

Toen hij den terugtocht naar de Saale te elfder uur toch nog weder onder de oogen zag en dien uitvoeren wilde, was het te laat! Toen moest hij slag leveren.

Leipzig ligt midden in een groote vlakte, die zich van de Elbe uitstrekt tot aan den Hartz. Het riviertje de Elster, gewoonlijk weinig meer dan een beek, toen gezwollen en niet doorwaadbaar, loopt door lage, natte weiden van het zuiden naar het noorden naar de stad en vereenigt zich hier met de even onaanzienlijke uit het zuidoosten komende Pleisse. Ten noorden van Leipzig ruischt in een nauw dal met steile wanden de Partha met tal van bruggetjes en waadbare plaatsen.

De toen nog onaanzienlijke stad was omgeven door een ouden ringmuur met zeven poorten. Alleen door die van Lindenau, had het Fransche leger nog ongestoord gemeenschap naar achter. Slechts één brug lag hier over den Elster.

Van 16 tot en met 18 October is hoofdzakelijk gevochten in de terreinen tusschen de Pleisse en de Partha. Daar vindt men ook den Kelmberg, een alleenliggenden heuvel, waarop zich de zoogenaamde Zweedsche redoute bevindt, tijdens den dertigjarigen oorlog door Gustaaf Adolf opgeworpen.

Op den rechtervleugel commandeerde Murat. Daar stonden ook Poniatowski, Victor (bij Wachau) en Augereau. De cavalerie-divisiën van Kellerman en Michaud dienden deze infanterie tot steun. Lauriston en Macdonald benevens de cavalerie van Latour-Maubourg onder de rechtstreeksche bevelen des Keizers vormden het centrum. Hierachter, bij Probstheyda onder Oudinot, had de garde en cavalerie van Nansouty als algemeene reserve plaats genomen.

Ney voerde op de linkervleugel aan de Partha het bevel; hij had Marmont, Reynier en Souham benevens de cavalerie van den hertog van Padua onder zich. Generaal Bertrand had met 15.000 man in last Lindenau, de brug over den Elster en den weg naar Lützen te bewaken. De eerwaardige koning van Saksen, die zijn vriend en bondgenoot niet had willen verlaten en dit bewijs van trouw later boette met gevangenzetting en het verlies van de helft van zijn grondgebied, bevond zich met zijn garde en met enkele Fransche regimenten te Leipzig zelf.

Om acht uur in den morgen gaven de bondgenooten door hun batterijen het sein tot den aanval; hun gansche linie kwam in beweging. Wachau werd zesmaal genomen en hernomen; de Kelmberg, aanvankelijk door Napoleon losgelaten, als te ver naar voren liggende, en toen door den vijand bezet, werd door het 22e regiment met de bajonet hernomen. Terstond daarna trok de Keizer al zijn krachten bijeen om het centrum der tegenpartij te doorbreken. Vooral de Russen onder den prins van Wurtemberg leden hierbij zware verliezen en moesten zelfs een deel hunner artillerie prijs geven. Eerst de nacht maakte hier aan ’t gevecht, dat onbeslist bleef, een einde. Voor zijn houding bij de verdediging van Dölitz schonk de Keizer Poniatowsky dienzelfden avond nog den maarschalkstaf.

Een poging van den Oostenrijkschen generaal Giulay om zich meester te maken van Lindenau, dus van den terugtochtsweg, was na een gevecht van zeven uur met succes bekroond, doch door een krachtigen bajonetaanval van Bertrand ten slotte weder te niet gedaan.

Een onvoorzichtigheid van Ney, die, zelf niet terstond een vijand vóór zich vindende, een van zijn korpsen op eigen gezag naar Wachau had gezonden en daarop door Blücher met overmacht werd aangegrepen, was op den linkervleugel bijna de oorzaak geweest van een ramp. Ney was tot onder de muren der stad teruggedrongen en had zich toen moeten bepalen tot de verdediging der voorstad Halle.

De 17e ging bijna zonder strijd voorbij. De bondgenooten wachtten de komst der Russen uit Polen benevens Bernadotte met zijn Zweden. Napoleon trachtte dien dag door den Oostenrijkschen generaal Merfeld tot een wapenstilstand te geraken, doch ontving niet eens antwoord. Bij de bondgenooten stond het voornemen reeds vast niet tot onderhandelen over te gaan, voordat het Fransche leger tot achter den Rijn was teruggeslagen.

Bij het krieken van den dag werd den 18en de strijd voortgezet. Vooral om en bij het dorp Probstheyda in ’t centrum woedde die het hevigst. Op den linkervleugel was Bernadotte overgegaan tot den aanval. Met een sterke afdeeling kozakken voorop, was die beweging door het passeeren van de Partha boven de stad ingeleid.

Hier stond een brigade Saksische huzaren en lansiers. Eensklaps reed deze op de kozakken toe, alsof zij ze wilde chargeeren, maakte toen rechtsomkeert en verbroederde zich met hem. Weldra volgde een gansche brigade infanterie onder Russel dit voorbeeld. Ook de Wurtembergsche cavalerie pleegde verraad. Een groote gaping ontstond hierdoor in de slaglinie van Ney; slechts met inspanning van alle krachten gelukte het dezen zich te handhaven in en bij Schönfeld tegen de dichte scharen ongeregelde Russische ruiterij, Baskirs, die, alleen gewapend met pijl en boog, vooral veel paarden verwondden.

Ook nu weder maakte de nacht een einde aan de worsteling. Aan beide zijden waren de verliezen zwaar. Hoewel zij op de vleugels waren teruggedrongen, hadden de Franschen hun hoofdstellingen behouden. De overwinning echter was niet behaald; daarbij was de munitie grootendeels verbruikt. Geen langdurig nieuw gevecht kon den volgenden morgen worden begonnen.

Voor Napoleon stond dus geen andere weg meer open dan de aftocht.

Reeds in den nacht van den 18en op den 19en begonnen de Franschen uit hun stellingen ten oosten van de stad terug te gaan, de Elsterbrug over in de richting van het nog bezette Lindenau, over één brug, want de generale staf had verzuimd de noodige overgangen naar achteren te doen maken. Verstopping in de nauwe, bochtige straten, verwarring en vertraging in den afmarsch waren hiervan het gevolg.—Van Napoleons heengaan zelf—hij had den nacht in een logement op de Paardenmarkt doorgebracht—schrijft generaal Chateau: “In de nabijheid van de Elsterbrug ontmoette ik een man in een allerwonderlijkste tenue, die zoo goed als alleen voortreed en, een luchtig wijsje fluitende, toch blijkbaar in diep gepeins was verzonken. Ik zag hem aan voor een burger en wilde naar hem toe gaan om hem een paar vragen te doen, toen ik in hem den Keizer herkende, die met zijn gewoon flegma aan den hem omgevenden chaos van verwarring vreemd scheen te blijven.”

Onder het nu volgende onstuimige opdringen der bondgenooten tegen de voorsteden en de omwalling der stad ging het tactische verband bij de Franschen ten deele verloren. Evenals bij de Berezina werd het ook hier een algemeen: Sauve qui peut!

Woedend werd niettemin nog hier en daar, o.a. bij de poorten en in de huizen gevochten. Een algemeene stormaanval op de stad verhoogde de ontzettende verwarring en het gruwelijke handgemeen in de straten, dat zijn toppunt bereikte, toen de sappeurs, die de Elsterbrug moesten bewaken, deze om twee uur, naar ’t schijnt, door een verkeerd begrepen order, in de lucht deden vliegen en aan het overschot der korpsen van Lauriston, Reynier en Poniatowski, zoodoende den terugweg afsneden. Lauriston zelf werd gevangen genomen; de dappere Poniatowski, reeds tweemaal gewond, verdronk bij een poging om den Elster over te zwemmen. Macdonald redde zich evenals vele soldaten, die zwemmen konden, moedernaakt door de weilanden. Die dag kostte Napoleon wederom tientallen zijner beste generaals en hoofdofficieren.

Maar nog telde zijn leger circa 80 à 90.000 man. Door den vervolgenden Yorck,—Schwartzenberg en Blücher kwamen hiertoe ten deele te laat—slechts in geringe mate lastig gevallen, ging het bij Naumburg over de Saale en bij Freiburg over de Unstrut in goede orde terug.

Blücher had ondersteld, dat de Keizer bij Erfurt weder front zou maken, en was dus na zijn vereeniging met Yorck over Langensalza naar Eisenach gemarcheerd om hem dan in flank en rug te grijpen.

Tot een krachtdaad als standhouden bij Erfurt was de Fransche armee echter niet meer bij machte. Bij Eisenach het Thüringerwoud langs de zuidzijde omtrekkende, wendde Napoleon zich naar Fulda om aldus Maintz te bereiken, greep de Beieren en Wurtembergers, circa 40.000 man, die hem onder Wrede bij Hanau in den weg dorsten treden, vastberaden aan, rekende hier met zijn voormalige bondgenooten op bloedige wijze af (30 October), kwam den 2en November te Maintz en was den 9en terug bij vrouw en kind op St. Cloud. In 45 uren had hij de reis gemaakt van den Rijn naar Parijs.

Te Erfurt had Murat hem verlaten en was naar Italië teruggekeerd, het hoofd vol plannen voor de toekomst.

Notes

1 Wij denken hierbij aan de reuzenslagen aan de Jaloe, bij Liao Jang en Moekden tusschen Rusland en Japan.

← Back to Napoleon

Scroll to Top