Hoofdstuk XIII
Oorlog met Engeland. Een nieuwe Samenzwering
“Steeds heb ik, door alle met de waardigheid der Fransche natie vereenigbare middelen, gestreefd naar vrede met Engeland,” heeft Napoleon op St. Helena gezegd. “Ik voedde haat noch naijver tegen dat land. Wat raakte het mij of het toenam in rijkdom en voorspoed, mits dit ook het geval was met Frankrijk. De heerschappij over den oceaan betwistte ik het niet, alleen verlangde ik, dat het de vlag van Frankrijk eerbiedigde op zee, zooals de keizer van Rusland en die van Oostenrijk dit deden te land.”
Maar Engeland verkoos Frankrijks vlag niet te eerbiedigen. Het tegendeel was waar. Frankrijk moest, zoo beweerde o. a. lord Aukland, vernederd, klein gemaakt, zijn politieke invloed vernietigd worden om de Engelschen gelegenheid te geven hun zeemacht, hun handel en hun industrie zonder concurrentie uit te breiden. Alleen onder deze voorwaarde wilde Albion hooren van een wereldvrede.
Met al den hartstocht van zijn vurig temperament heeft Napoleon dit stelsel bestreden. Een jarenlange oorlog is hiervan het gevolg geweest, maar de verantwoordelijkheid voor dezen strijd draagt Engeland, want dit heeft al de coalities tegen Frankrijk in ’t leven geroepen en ze met millioenen gesteund. Dat de vrede van Amiens zoo spoedig is verbroken, is in hoofdzaak alleen te wijten aan Engeland en zelfs een van Napoleons heftigste bestrijders1 der laatste jaren, heeft dit in zijn biografie van Napoleon I erkend. “De Engelschen,” schreef hij, “hadden gehoopt van den vrede te kunnen profiteeren om hun handel op te heffen uit zijn verval, doch zagen zich reeds enkele maanden later in hun plannen bedrogen. Napoleon had niet alleen niet bewilligd in een vernieuwing van het handelstractaat van 1786, dat den invoer van Engelsche koopwaren in Frankrijk begunstigde ten koste der Fransche nijverheid, maar zelfs een nieuwe overeenkomst gevorderd, die de ontwikkeling van Frankrijks handel onbelemmerd liet. De onderhandelingen werden slepende gehouden of leverden niets op; intusschen vaardigde Napoleon een decreet uit, waarbij de Engelsche koopwaren door hooge invoerrechten werden getroffen. Van stonde aan eischten fabrikanten en kooplieden toen den oorlog; voor hun belangen was deze nog minder nadeelig dan een vredestoestand, die hen ruïneerde.”
Engeland wilde Frankrijk verarmd, onderworpen, Napoleon wilde het groot, machtig en geëerd zien. Van een botsing tusschen deze twee beginselen was een oorlog op leven en dood het noodzakelijke gevolg. Reeds in September 1802 achtte Bonaparte het raadzaam Pruisen, waarmede hij den 5en dier maand een militaire conventie had gesloten, te waarschuwen voor “de Engelsche kuiperijen.” Redenen hiertoe waren voor ’t grijpen. De voornaamste bepalingen van het tractaat o. a., het binnen drie maanden ontruimd hebben van Malta en Egypte waren door de Engelschen nòg niet nagekomen; de pretendent, de graaf van Artois, de Condé’s werden nog geregeld uit de Engelsche schatkist ondersteund, droegen nog de vervallen Fransche decoraties en vertoonden zich hiermede zelfs bij wapenschouwingen, genoten vorstelijke eerbewijzen en spanden openlijk samen tegen de bij den vrede officieel erkende Republiek. Dan stond George Cadoudal, Napoleons belager, te Londen in hoog aanzien, leefde er op staatskosten als een grand seigneur; eindelijk ging er geen dag voorbij, waarin de Engelsche pers en die der émigrés geen variatie leverden op het grondthema, dat tirannenmoord geen misdaad was en regende het pamfletten, waarin Bonaparte en zijn familieleden op de gemeenste manier in woord en beeld werden gehoond en belasterd.
Had Napoleon die aanvallen op zijn persoon met hooghartig zwijgen beantwoord, dan zou hij hierdoor niet alleen Europa achting hebben afgedwongen, maar zijn aanvallers tevens geen voldoening hebben geschonken. Voor het volgen van zulk een gedragslijn was hij echter veel te opvliegend en te lichtgeraakt. Dat in Engeland vrijheid van drukpers bestond en zelfs de persoon des konings daar in schotschriften vaak belachelijk werd gemaakt en over den hekel gehaald, telde hij niet, maar greep zelf naar de pen, gaf in verschillende dagbladen lucht aan zijn verbolgenheid, stelde het Engelsche gouvernement verantwoordelijk voor ’t geen tegen hem werd geschreven en vorderde op hoogen toon een verbod, dat aan dien schimp een einde kwam.
Onder allerlei voorwendsels begon Engeland in November, dus in vollen vrede, zich weder te wapenen. Dat Frankrijk Louisiana, waarop het zelf was belust geweest, in ruil voor klinkende munt wilde afstaan aan Noord-Amerika; dat het Piëmont in 1801 bij zijn grondgebied had ingelijfd; dat de Eerste Consul in Zwitserland als bemiddelaar was opgetreden; dat de kolonel Sebastiani, belast geweest met een zending naar het Oosten, over den toestand van Egypte een omstandig rapport had uitgebracht, dat echter volstrekt niet geheim gehouden doch in extenso in den Moniteur opgenomen was, waren feiten, zoo beweerde de minister Hawkesbury, die ieder op zich zelf wel geen casus belli vormden, maar te zamen genomen blijk gaven van vijandige bedoelingen bij Frankrijk. Het bezit van Malta was des Pudels Kern; dat Engeland dit eiland onder geen beding meer wilde loslaten, nu Napels en Tarente door de Fransche troepen waren ontruimd en het den sleutel der Middellandsche Zee hiermede had in handen gekregen, zei de minister niet, maar was voor niemand een geheim. Wel bleef geheim, dat het Engelsche gouvernement om een schikking mogelijk te maken, Bonaparte door bemiddeling van Jozef verschillende persoonlijke voordeelen als zijn erkenning tot consulaire Majesteit met de erfelijkheid van dezen titel in zijn familie, deed aanbieden, mits hij niet langer aandrong op Malta’s ontruiming.—
Wat kenden de Engelsche diplomaten nog weinig van dien eenvoudigen soldaat, die op alle politiek gedraai antwoordde met heldere, onverbiddelijke logica, die nooit doekjes wond om zijn voornemens, hen met hun diplomatiek gebazel deed versteld staan en o. a. den gezant Whitworth de uitdrukking ontlokte, “dat hij bij zijn onderhoud met hem (1803) veeleer gedacht had een Franschen ritmeester tegenover zich te hebben dan het hoofd van een der machtigste staten van Europa.” Oorlog met Engeland wilde hij bepaald niet. Toen de ontruiming van Malta nog altoos niet volgde, verzocht hij de bijeenroeping van een Europeesch congres om de uitvoering van het tractaat van Amiens te waarborgen, noodigde keizer Alexander, in de quaestie van Malta scheidsrechter te wezen, verpandde bij voorbaat zijn eerewoord, dat hij zich aan diens beslissing zou onderwerpen, zelfs al zou Malta ten eeuwigen dage aan Engeland toebehooren, maar dat zijn eer en plicht hem verboden het af te staan uit vrije beweging en dwong door deze fiere en ridderlijke taal den Russischen gezant Markoff eerbied af.2
Van een congres, zooals hij dit voorstelde, wilde Europa niets weten; dan had het hierdoor niet alleen het door Frankrijk gekozen gouvernement erkend en bevestigd, maar ook de verheffing gesanctionneerd van dien soldaat van onbekende afkomst, die de roem en de grootheid der schoonste dagen van Lodewijk XIV aan Frankrijks horizon deed gloren. Dit wilde Europa juist niet. Frankrijk moest liever klein en zwak dan groot en machtig gemaakt worden.
En keizer Alexander? Deze stond te zeer onder den invloed van Engeland, waaraan hij waarschijnlijk in hoofdzaak zijn vroegtijdige troonsbeklimming had te danken, om in dezen scheidsrechter te willen wezen. Ook Pruisens houding was niet bijster vriendschappelijk.
“Mijn hof wil zeker van zijn oogenblikkelijk zoo gunstige positie gebruik maken om Frankrijk zeer gevoelige slagen toe te brengen zonder dat het zelf er iets van heeft te duchten,” mocht Whitworth wel schrijven aan zijn Russischen collega te Parijs en Bonaparte was zoo overtuigd van zijn onmacht ter zee en wist daarbij zoo goed hoe de zaken loopen zouden, dat hij den minister van financiën Marbois vroeg “of de Fransche reeders niet te bewegen zouden zijn hun ladingen te verzekeren bij Engelsche maatschappijen.”
In Maart 1803 werd het duidelijker dan ooit, dat Engeland den oorlog wilde. In dezelfde maand had Bonaparte op een receptie den Engelschen gezant in heftige bewoordingen te verstaan gegeven, wat hij van Engelands houding dacht.—“Gijlieden zijt tot den oorlog besloten; gijlieden verlangt oorlog. Reeds vijftien jaar hebben wij dien gevoerd; een tijdperk van nog vijftien wilt gij er aan toevoegen en gij dwingt mij er toe!” had hij Lord Withworth letterlijk toegesnauwd, zoodat al de aanwezigen over dien uitval versteld stonden. Geen twee maanden later was het zwaard reeds weder uit de scheede gerukt. Engeland dacht er niet aan Malta los te laten en voor Bonaparte was de Middellandsche Zee dan gesloten; hij bleef dus bij zijn eisch volharden het tractaat van Amiens na te komen en Malta te ontruimen. Ja, Engeland ging nog verder en eischte zelfs Lampedouze tusschen Malta en Tunis gelegen, hoewel dit in het tractaat van 1802 niet eens genoemd was. Deze laatste eisch kon als een soort ultimatum worden opgevat en nog voor het midden van Mei vertrok de Engelsche gezant.
Wederom oorlog dus en met den erfvijand! Weg waren de gedachten aan welvaart en voorspoed, aan dagen van vrede. Al zijn droomen van voorheen, de visioenen van grootheid, van een reusachtig rijk in het Westen van Europa’s vastland rezen weder bij Bonaparte op.—Engeland moest overwonnen, vernederd, verlaagd en als het kon vernietigd worden, dit werd van af dit oogenblik de hartstocht van zijn leven en in de eerstvolgende twee jaren zien wij hem met al den ijver, met al het vuur van vroeger bezig om van Den Helder tot Brest een transportvloot en een leger bijeen te brengen, zoo geducht, zoo geweldig, dat geheel Europa er van versteld stond en Albion de schrik om ’t hart sloeg.
Nog voor de gezant het Fransche territoir had verlaten, waren de vijandelijkheden van Engelsche zijde reeds begonnen met het in bezit nemen van tal van handelsschepen. Bij een decreet van den 22en Mei, den dag waarop Frankrijk haar oorlogsverklaring deed, werd bepaald, dat al de Engelschen, die zich op Fransch grondgebied bevonden, in hechtenis moesten worden genomen.
Bovendien kreeg Mortier last van uit Nijmegen met een leger naar Hannover te gaan en dit keurvorstendom, dat aan den koning van Engeland behoorde, binnen te rukken en te bezetten. De pas 35jarige generaal kweet zich goed van zijn taak, want reeds negen dagen na ontvangst van het bevel tot den inval, had het Hannovraansche leger van bijna 40 000 man zich overgegeven, een succes, dat Napoleons bewondering opwekte. Tevens begon de generaal Saint-Cyr dwars door den Kerkelijken Staat naar de haven van Otranto te marcheeren om deze te wapenen. Moest Mortier zorgen het Pruisisch territoir ongeschonden te laten, Saint-Cyr kreeg in opdracht de grootste gematigdheid tegenover de Italiaansche bevolking aan den dag te leggen; bovendien moesten alle leveringen contant worden betaald, terwijl alle oproerige bewegingen terstond onderdrukt dienden te worden.
Vergezeld van Joséphine begon Bonaparte zelf in Juni een militaire en politieke inspectiereis door het noorden der Republiek en België langs Antwerpen en Vlissingen. Hier bezocht hij alle scheepstimmerwerven, tuighuizen en magazijnen en vond te midden van alle feestelijkheden, welke hem overal doch voornamelijk te Brussel wachtten en waarvan zijn vrouw volop genoot, nog tijd om aanteekeningen te maken betreffende ’t geen hij had gezien en verkeerd bevonden.
Ternauwernood te Parijs terug van dezen vermoeienden tocht door dat bij uitstek roomsche land, waarheen hij uit staatkunde ook den stokouden, pauselijken legaat Caprara had meegenomen, begon hij naar aanleiding van die opmerkingen een reeks van bevelen te geven.—Hier had de schatkist verzuimd, tijdig genoeg fondsen te zenden voor de aannemers; daar had het departement van marine nagelaten de benoodigdheden voor de vloot te bezorgen; verderop was de directie over de bosschen te laat met den aankoop en de levering van hout; nog verder was ’t de artillerie geweest, die vergeten had vuurmonden of munitie af te geven en zoo meer.
Voor dit alles zorgde hij thans zelf. Voor hem bestonden geen bezwaren. Ten slotte begaf hij zich naar Boulogne, het middelpunt van de beweging tegen Engeland, de plaats, waar de hoofdtoebereidselen nu werden gemaakt om 120 000 soldaten, 15 000 paarden en circa 400 bespannen vuurmonden met hun voertuigen in te schepen en over het Kanaal, dat daar ongeveer tien zeemijlen breed was, naar de Engelsche kust te voeren. Het plan was, dat ook van Brest en van Texel tegelijkertijd een groot eskader, elk met 15 000 man aan boord, zou uitzeilen. De oorlogs-en de transportvloot, voor het geheel benoodigd, zou ongeveer 2300 vaartuigen omvatten. Het was inderdaad een reusachtige onderneming. Daar deze geweldige massa schepen van allerlei soort en grootte niet in drie havens gebouwd en bijeengebracht kon worden, werd in alle kustplaatsen van Bayonne tot Texel met onverdroten ijver dag en nacht gearbeid.
Van dit reuzenwerk was Bonaparte de ziel. Omgeven door een staf van ingenieurs en marineofficieren, de bekwaamsten van hun wapen, zag hij persoonlijk alles. IJverig en trouw stonden de minister Decrès en de admiraal Bruyes hem hierbij ter zijde.
Het is te begrijpen, dat het kabinet van St.-James ongerust werd, toen ze die geweldige toebereidselen tot een verpletterenden aanval op zijn grondgebied dagelijks zag toenemen. De oud-minister Pitt nam weder zitting in het Lagerhuis; een reserveleger werd bijeengebracht en een oproeping gedaan tot het vormen van vrijwilligerskorpsen. Tegelijkertijd begon Albion Pitts tactiek van vroeger weder te volgen door samenzweringen der émigrés opnieuw te steunen. Te Londen werd alles voorbereid tot een aanslag; daar vertoonde zich zelfs een Bourbon in een vergadering der chouans, die gezworen hadden den Eersten Consul, hoe dan ook, uit den weg te ruimen. Deze Bourbon, de Graaf van Artois, gaf dus openlijk zijn instemming met het laaghartige plan en compromitteerde zich daardoor voor zijn geheele leven.
Een hertog de Polignac, een markies de Rivière waren erbij betrokken. George Cadoudal, de ons reeds bekende aanvoerder der chouans, stond ditmaal aan het hoofd van de onderneming, die niets minder beoogde dan Bonaparte op den weg tusschen Malmaison en Parijs met honderd gewapenden aan te grijpen, zijn klein escorte van gewoonlijk twaalf guides over de kling te jagen en hem zelf?—Och hem zelf in het hierbij ontstane gevecht overhoop te steken. Dan was hij immers niet gevallen door de handen van een troep moordenaars, maar in een eerlijk gevecht! Dan kon het niet heeten dat de koningsgezinden hun tegenstander door een moord uit den weg hadden geruimd, dan was de eer tegenover Europa gered!
Ook generaal Pichegru, de dappere veroveraar van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, eenmaal Bonaparte’s leermeester te Brienne, later wegens verraad naar Cayenne verbannen, doch ontsnapt en nu te Parijs verscholen, had zich laten vinden bij deze nieuwe poging om de Bourbons weder op den troon te brengen. Zelfs Moreau, die zich op het oorlogstooneel steeds dapper toonde, maar in het burgerlijke leven zwakheid verried en zich geheel door zijn vrouw liet beheerschen, was niet onkundig aan de kwade bedoelingen van Pichegru. Als altijd jaloersch op Bonaparte zou Moreau niet ongenegen geweest zijn bij den val van den Eersten Consul een staatkundige rol te spelen.
Het nieuwe complot omvatte dus personen van verschillende richting, agenten van de Bourbons, voormalige aanvoerders der chouans, ontevredenen als Moreau; maar de ziel, de kern er van vormden de émigrés, de royalisten, dezelfde mannen dus die Bonaparte uit de verdrukking geholpen en met behulp van den grooten ijver van Joséphine uit de ballingschap teruggeroepen had. Niet alleen hadden zij de hoedanigheid van Franschman en staatsburger teruggekregen maar zooveel mogelijk waren hun, de tijdens de omwenteling verloren bezittingen, teruggeschonken. Tot dank voor dit alles hadden ze in 1800 getracht hem door middel van een vat buskruit in de lucht te laten vliegen; thans wilden ze hem op den openbaren weg door een bende struikroovers—want een andere benaming verdienen Cadoudal en zijn aanhangers toch zeker niet—laten vermoorden. Dat zij zelven hierbij geen werkdadige rol speelden, doet ter beoordeeling van hun moreele schuld weinig af, want zij die de moordenaars van goud en wapens voorzien, achten we even misdadig als den moordenaar zelf. Zij zijn bovendien nog lafaards.
Reeds maanden lang wist Bonaparte, dat er in de Vendée iets tegen hem broeide; enkele chouans waren reeds in hechtenis genomen en zijn voormalige adjudant Savary, kolonel der gendarmerie geworden, had daar zelfs duidelijk de sporen ontdekt van een geheime beweging; ook had hij eenige verspreide benden deserteurs en kwaadwilligen uiteengedreven, die, zooals later bleek, handelden op aanstoken van Cadoudal. Voorzien van een massa Engelsch goud, hield deze zich met eenige makkers sinds maanden te Parijs verborgen en stond in rechtstreeksche gemeenschap met Pichegru en Moreau.
Van het bestaan van een complot tegen Bonaparte’s leven was echter nog niets gebleken, toen achtereenvolgens door een samenloop van omstandigheden, waarin Fouché en zijn agenten zeer waarschijnlijk een rol hebben gespeeld, in ’t begin van Februari 1804 eerst Picot, een bediende van Cadoudal, en daarop Bouvet de Lozier, diens voornaamste onderbevelhebber, te Parijs met de wapens in de hand en beiden met een zeer aanzienlijk bedrag aan goud op zak werden gearresteerd. De eerste bekende, dat hij zich reeds sinds Augustus met Cadoudal in de hoofdstad bevond. Bouvet zweeg doch poogde zich in zijn cel op te hangen.
Nog juist bijtijds door den cipier gered, deed Bouvet den minister Real daarop een omstandig verhaal van al ’t geen hij wist, n.l., dat Pichegru zich te Parijs bevond en tegelijk met Cadoudal en diens bende aan de klip van Biville bij Saint Leu in Bretagne was geland; dat een prins van den bloede van het komplot wist en naar Frankrijk zou komen, zoodra hier alles voor den aanslag was voorbereid; dat Pichegru, Cadoudal en Moreau op de boulevard de la Madeleine een nachtelijke bijeenkomst hadden gehad, en dat alleen Moreau’s besluiteloosheid de oorzaak was geweest, dat nog niet tot handelen was overgegaan.
Uit al de hierna volgende verhooren bleek hoe langer hoe duidelijker, dat het geheele komplot uitsluitend door de koningsgezinden en de émigrés in Engeland was op touw gezet, terwijl de groote hoeveelheden Engelsch goud, in ’t bezit der gearresteerden gevonden, genoegzaam aanwezen welk een aandeel Engeland zelf er aan had. De émigrés waren arm; zij hadden door de omwenteling alles verloren.
Was het te verwonderen, dat Bonaparte, die terwille van diezelfde uitgewekenen zijn populariteit en, wat in die dagen van heel wat meer beteekenis was, het vertrouwen van alle oprechte en eerlijke aanhangers der omwenteling had op ’t spel gezet, ziende, wie hier achter de schermen zaten, woedend werd, zoo woedend zelfs, dat hij dagen achtereen zijn plannen te Boulogne, Brest en Texel vergat?
Een voorbeeld zou gesteld worden en den Bourbons moest worden duidelijk gemaakt, dat men niet ongestraft zich in verbinding stelde met lieden als Cadoudal en anderen. Bovendien, die voortdurende onrust nagejaagd te worden en elk oogenblik misschien door een sluipmoordenaar zijn leven te verliezen, daaraan diende voor goed een einde te komen; in drie jaar tijd waren er reeds zeven samenzweringen geweest. Uitgebreide maatregelen werden genomen en Savary lag weken achtereen, met een sterke brigade gendarmes op de loer bij de klip van Briville, nabij Dieppe aan ’t Kanaal, een bij de smokkelaars in die dagen welbekende landingsplaats. Volgens getuigenis van Picot en van Bouvet de Lozier was daar de plek, waar een der prinsen zou landen, zoodra te Parijs alles voor den aanslag gereed was. Op diezelfde plaats waren maanden te voren Pichegru en Cadoudal ook op Fransch grondgebied gekomen en vandaar waren ze langs boschwegen en afgelegen paden naar Parijs gegaan, waar zij zich hadden verscholen.—
Ofschoon uit de verhalen van eenige der gevangen genomen chouans vernomen werd, dat Moreau aan de samenzwering niet wilde meedoen, werd hij den 15en Februari toch gevangen genomen. Niet lang daarna vielen ook Pichegru en tal van bij het komplot betrokken edelen en chouans in handen der politie. Den 9en Maart werd ook Cadoudal na een woedend verzet op straat gevangen genomen.—
Terwijl het proces tegen deze samenzweerders in vollen gang was en men nog niet wist in hoever Fouché en zijn gewetenlooze agenten in deze zaak een rol hadden gespeeld, werd Bonaparte, zoowel misleid door verkeerde voorstellingen en door de inblazingen van zijn vleiers en enkele verdorven of blindelings gehoorzamende personen uit zijn omgeving, tot een daad gebracht, die ten eeuwige dage als een bloedvlek op zijn naam zal blijven kleven.
Wij bedoelen de terechtstelling van den jeugdigen hertog van Enghien, den kleinzoon van den prins van Condé.
In het Badensche plaatsje Ettenheim ten N. W. van Freiburg, niet ver van de Fransche grenzen woonde deze Bourbon reeds sinds het voorjaar van 1801. Had hij vroeger in de gelederen der émigrés als kolonel van een Oostenrijksch regiment tegen Frankrijk gestreden, na den vrede van Lunéville had hij zich in Ettenheim gevestigd uit genegenheid voor de aldaar vertoevende prinses Charlotte de Rohan-Rochefort; tevens om in het Zwarte Woud van de jacht te kunnen genieten. Nog steeds stond hij met Engeland in betrekking en ontving zelfs van dit land een maandelijksche toelage van 150 pond sterling. In zijn omgeving bevonden zich o. a. de markies de Thumery en eenige andere uitgewekenen van minder beteekenis.
In tegenwoordigheid van Talleyrand werd Napoleon door Fouché ingelicht betreffende de aanwezigheid van dezen Bourbon zoo dicht bij de Fransche grenzen.
Bonaparte liet daarop in stilte door een sluwen wachtmeester der gendarmerie, die Enghien van vroeger kende, een onderzoek ter plaatse instellen en daardoor kwam hij onder meer te weten, dat de hertog, hoewel zijn vader hem tegen dergelijke onvoorzichtigheden van uit Engeland ernstig gewaarschuwd had, zich wel eens te Straatsburg vertoonde. Tevens werd meegedeeld, dat ook de generaal Dumouriez (een naamsverandering met Thumery) zich vaak te Ettenheim bevond.
Dit rapport van den gendarme, waarin de naam van den gedeserteerden generaal Dumouriez voorkwam naast dien van Enghien, bracht Bonaparte in verband met de verklaring van Cadoudal voor den rechter, dat een prins van den bloede, wiens naam nog niet zeker bekend was, met Cadoudal te Parijs zou samenwerken tot het volvoeren van den aanslag.—
Hij verweet den minister Real, het nieuwe hoofd der politie op heftigen toon zijn onbekendheid met het feit, dat een Bourbon zich zóó dicht bij de grenzen ophield en belegde daarop terstond tegen den 10en Maart een buitengewone vergadering, waarin de twee andere consuls, de ministers en ook Fouché tegenwoordig waren.
De minister van Justitie deed verslag van ’t geen het verhoor van Cadoudal en diens medeplichtigen had aan ’t licht gebracht. Talleyrand volgde met een lang rapport over de vertakkingen van het komplot, onder anderen in Baden en besloot met het voorstel den hertog van Enghien op te lichten en aan de zaak een einde te maken.
Cambacérès was de eenige, die zich ernstig tegen dit plan verzette, daar hij ook vreesde, dat deze schending van Badens grondgebied op de kabinetten van Europa een ongunstigen indruk zou maken. Maar Napoleon riep hem toe: “Denkt gij dan mijnheer, dat ik mij zal laten vermoorden als een hond? Dat ik niet anderen de verschrikkingen zal laten ondervinden, waarmee zij mij mijn leven willen omringen? Neen, neen, ik zal een slag toebrengen, die hen allen zal doen sidderen.”
Het voorstel van Talleyrand werd met algemeene stemmen, op die van Cambacérès na, aangenomen.
Onmiddellijk werden maatregelen genomen; aan den Badenschen minister werd door Talleyrand bericht gezonden van den voorgenomen aanslag en uit het decreet van den keurvorst van Baden, waarbij aan alle émigrés het verdere verblijf in de staten werd ontzegd, uitgevaardigd een dag na de arrestatie van den hertog, blijkt voldoende, dat er bij den keurvorst niet over werd gedacht te protesteeren wegens de schending van grondgebied. Dat de keurvorst zijn waardigheid aan Napoleon dankte en tevens dat zijn grondgebied onder de kanonnen van Straatsburg lag, werkten zeker mede tot deze zachte stemming.
In den morgen van 15en Maart werd Enghien te Ettenheim door den majoor der gendarmerie Charlot zonder verzet gevangen genomen. Zijn papieren werden in beslag genomen en hij zelf onder bewaking van Charlot eerst naar Straatsburg, vervolgens naar Verdun gevoerd.
De bevelen werden stipt uitgevoerd en het bevelschrift van Charlot was even kort als duidelijk:
“Op last van den Eersten Consul. 14 Maart 1804.
“Begeef u terstond bij nacht naar Ettenheim, neem den hertog van Enghien gevangen en leg beslag op al zijn papieren. Met uw hoofd staat gij voor hem in.
Moncey, generaal der gendarmerie.”
Van Verdun bracht men hem naar Parijs en hier kwam het bevel, dat de hertog naar Vincennes moest worden overgebracht, waar hij den 20en Maart aankwam. Alles ging met de grootste geheimzinnigheid, want aan niemand mocht iets omtrent den gevangene worden meegedeeld en in Vincennes, waar men niets wist van zijn komst, moest in allerijl een kamer voor hem in gereedheid worden gebracht. Het bevel tot opsluiting was inmiddels verschenen.
Dienzelfden nacht nog, want alles moest, volgens Bonaparte’s last aan Savary, voor het aanbreken van den dag zijn afgeloopen, kwam onder voorzitterschap van generaal Hulin op het kasteel een krijgsraad bijeen. Murat, gouverneur van Parijs, had dezen krijgsraad op de gebruikelijke wijze samengesteld; over den beklaagde moest onverwijld een vonnis worden geveld naar aanleiding van de punten van beschuldiging, welke in een bijgevoegd besluit van het gouvernement waren vervat. Dit besluit luidde:
“Vrijheid.—Gelijkheid.
Parijs, 29 Ventôse, jaar XII der Één en ondeelbare Republiek.
“Het gouvernement der Republiek besluit als volgt:
“Artikel I.—De voormalige hertog van Enghien, verdacht van het dragen van de wapenen tegen de Republiek, van ook nu nog in Engelsche soldij te staan, van deel uit te maken van de komplotten, door deze mogendheid gesmeed tegen de binnen-en de buitenlandsche veiligheid der Republiek, zal worden gebracht voor een krijgsraad, samengesteld uit zeven leden, te benoemen door den generaal-gouverneur van Parijs en zitting nemende te Vincennes.
“Artikel II.—De groot-rechter, de minister van oorlog en de generaal-gouverneur van Parijs zijn belast met de uitvoering van dit besluit.
De Eerste Consul
Bonaparte.”
Voor dezen krijgsraad erkende Enghien ruiterlijk, dat hij de wapenen tegen de Republiek had gedragen, het laatst als bevelhebber der voorhoede van het leger van zijn grootvader Condé; ook deelde hij mede maandelijks van Engeland geld te ontvangen, maar nooit had hij in eenige betrekking gestaan tot Pichegru of Dumouriez en gaf zelfs zijn afkeer te kennen van de verachtelijke middelen, waarvan de eerste zich, naar hij gehoord had, wilde bedienen. Dat hij bereid was wederom de wapens op te nemen ontkende hij niet, integendeel, hij deelde zelfs mede, dat hij bij het uitbreken van den oorlog aan Engeland had gevraagd dienst te mogen nemen in het Engelsche leger; de Engelsche regeering had hem echter geantwoord hem daartoe niet de gelegenheid te kunnen geven, maar dat hij aan den Rijn moest blijven, waar hij een rol te vervullen zou hebben.
Ten slotte vroeg hij om een onderhoud met den Eersten Consul, “mijn naam, mijn rang, mijn wijze van denken en het gruwelijke van mijn toestand doen mij hopen, dat hij mijn verzoek niet zal afwijzen,” voegde hij erbij.—
De nachtelijke beraadslaging had een paar uur geduurd en daarna ging de krijgsraad tot beraadslaging over met het gevolg dat de krijgsraad hem met algemeene stemmen schuldig verklaarde en hem ter dood veroordeelde. De wetten op het dragen van wapenen tegen de Republiek waren zeer streng en dat de jonge hertog er prijs op stelde de eerste te zijn, die de degen zou trekken in den oorlog van Engeland tegen Frankrijk, dit laatste had vooral op de leden van den krijgsraad, allen oude soldaten, o. a. de kolonels van de Parijsche regimenten, een zeer ongunstigen indruk gemaakt.
Onmiddellijk moesten de maatregelen worden genomen om het vonnis te voltrekken, want de last was zeer duidelijk geweest, dat alles voor het aanbreken van den dag moest zijn afgeloopen. Wel had Enghien verzocht om een onderhoud met den Eersten Consul te hebben, doch de krijgsraad had zich niet gerechtigd geacht eigenmachtig op te treden en de executie van het vonnis uit te stellen.
Nog voor het daglicht aanbrak, was de laatste telg der Condé’s in een der grachten van het kasteel door Fransche soldaten gefusilleerd! Het drama was afgespeeld en tegen zes uur had Savary van af de borstwering van het slot zich overtuigd, dat aan het bevel van zijn meester was voldaan.
Nog denzelfden morgen deed Savary rapport over hetgeen was voorgevallen aan Bonaparte, die zich echter ontstemd toonde over de groote haast, die gemaakt was en over de mislukking van de opdracht aan Real gegeven om Enghien te hooren omtrent punten, die in verband stonden met het proces tegen Cadoudal en Pichegru.
Met betraande oogen kwam Joséphine daarna zijn kabinet binnen.—“Och, och, wat heb je gedaan! Wat heb je gedaan!”
“Die ongelukkige kerels hebben te veel haast gemaakt,” gaf hij driftig ten antwoord.—
Bij het bekend worden van het vonnis ging er in Europa een kreet van verontwaardiging op.
De Chateaubriand, de schrijver van Atala en van Génie du Christianisme was door Bonaparte benoemd tot gevolmachtigd minister in Wallis (Zwitserland). Toen hij kennis kreeg van hetgeen er in Vincennes had plaats gehad, vroeg hij zijn ontslag alsof hij hiermee zeggen wilde: “Gij hebt een misdaad gepleegd. Een gouvernement, dat zich bevlekt met het bloed van een Bourbon, verkies ik, oud-uitgewekene, niet langer te dienen.”
“In Frankrijk,” zegt Talleyrand “verhief zich geen enkele stem tegen deze daad van snood geweld. Dit is bedroevend doch waar; het kan alleen worden verklaard door de angst van de natie voor het schokken van een gouvernement, dat Frankrijk aan de anarchie had ontworsteld.” De moordaanslag in de Rue Nicaise was blijkbaar nog niet vergeten.
Aan de hoven was men bewogen met het lot van den jongen hertog en vertoornd op Bonaparte, maar van een krachtig protest was geen sprake. Zagen we dat Baden een decreet uitvaardigde, waarbij aan de émigrés het verder verblijf in het land werd ontzegd, ook Beieren en Hessen volgden dit voorbeeld. Was men in de omgeving van de Pruisische koningin hevig verontwaardigd op de gewelddaad van den Eersten Consul, de koning liet door zijn minister aan de Fransche regeering zeggen, dat hij hoopte dat het Bonaparte zou gelukken de samenzweringen tegen zijn persoon en het gouvernement voor goed te vernietigen!
Rusland, juist met Engeland in onderhandeling over een verdrag om geldelijke steun, verzette zich meer officieel. Een uitnoodiging aan Oostenrijk om zich bij het protest aan te sluiten werd beantwoord met een veelbeteekenend: “Nous sommes à la bouche du canon,” zoodat Rusland alleen te Parijs om opheldering vroeg. Het kwam van een koude kermis thuis, want Bonaparte gaf een vlijmend scherp antwoord terug, daarbij doelende op den geheimzinnigen dood van Paul I. Terecht, want Rusland, met zijn historie zoo vol van gewelddaden, had zeker het minste recht een protest te doen hooren.
Aan Zweden verschafte de zaak een mooie gelegenheid om zijn haat eens flink te luchten en sinds dien werd er altijd gesproken van “Mijnheer Napoleon Bonaparte.”
Meer dan een eeuw ligt er tusschen het heden en den dag waarop de hertog van Enghien het leven liet. Veel van hetgeen toen nog in het duister lag, is thans bekend. Intusschen hebben wij ook het tweede keizerrijk leeren kennen met zijn heirleger van mouchards en agents provocateurs, een bende uit de geheime middelen betaalde, gewetenlooze ellendelingen, die menigmaal een onschuldig gezegde tot een misdaad tegen den staat wisten op te blazen. Hoe dieper men doordringt in de bijzonderheden dier laatste dagen van het Consulaat, hoe meer zich de overtuiging vestigt, dat de agent provocateur en de betaalde spion onder de opperste leiding van den gewetenloozen oud-Jacobijn, den gehaten en gevreesden minister van politie Fouché, ook in het drama van Cadoudal en in de verdachtmaking van Moreau en den hertog van Enghien een rol hebben gespeeld. Niets ontzag Fouché om zijn persoonlijk belang te bevorderen en bij Bonaparte in het gevlei te komen om weder tot minister van politie te worden benoemd, hetgeen hem inderdaad ook gelukt is.
En niet alleen Fouché, maar ook Talleyrand heeft in deze zaak een belangrijke rol vervuld en meegewerkt tot de afwikkeling van het drama. Hij heeft er zich zelfs op beroemd, Napoleon tot een krachtig optreden te hebben aangespoord. Was deze dan misleid? Naar onze meening, wat betreft Enghiens aandeel in het komplot, wel, wat zouden anders zijne woorden: “Mijn God, wat hebben de ellendelingen mij laten doen!” voor zin hebben, toen hij later vernam, dat de hertog in die dagen nooit te Parijs was geweest en dat hij ook nooit met Dumouriez in eenige relatie had gestaan.
Maar dit alles neemt niet weg, dat ook Bonaparte schuld treft, want de schending van het neutrale grondgebied vindt geen verdediging met een beroep op het meer voorkomen in de geschiedenis van dergelijke gevallen. Deze schending was in hooge mate af te keuren.
Toch nam Bonaparte de verantwoordelijkheid ook van het vonnis geheel op zich en dat standpunt heeft hij ook nog op St. Helena ingenomen, want in zijn testament lezen wij: “Ik heb den hertog van Enghien doen gevangen nemen en vonnissen, omdat dit voor de veiligheid, het belang en de eer van het Fransche volk noodzakelijk was, nadat was gebleken, dat de graaf van Artois zestig moordenaars op mij had afgezonden. In een soortgelijk geval zou ik wederom zoo handelen.”
Het echt Corsicaansche begrip van de vendetta kwam ook bij deze terdoodbrenging terstond aan het licht, de Bourbons tegen de Bonaparte’s; het leven van Bonaparte was op het spel gezet, men schoot op hem, welnu hij eveneens op hen. De samenzweringen moesten eindigen, men hoort er de eerste jaren ook niet meer van; het voorbeeld had geholpen; “het is misschien een misdaad,” zegt Masson, “het is niet een fout.”
Al is het overtuigend gebleken, dat de hertog van Enghien, noch met Dumouriez, noch met Pichegru in verbinding stond, al wist hij van het komplot niets dan toen het iedereen bekend was, dit alles wist Bonaparte niet, hij was door al wat hij had gehoord overtuigd, dat Enghien wel degelijk daarbij was betrokken.
Dat Cadoudal en zijn chouans het op Napoleons leven hadden toegelegd staat vast; dat Engeland dezen struikroover met goud steunde, valt niet te loochenen en dat Drake, de Engelsche gezant aan het hof van Beieren, een diplomaat van hoogen rang dus nog wel, eveneens tegen Bonaparte samenspande is bewezen.
Persoonlijk heeft hij meegewerkt om dezen schavuit in een geborduurden rok te ontmaskeren.
Vernemende, dat ook nog anderen den Eersten Consul naar het leven stonden, had Drake o. a. durven zeggen, “dat het onverschillig was door wien het beest werd neergeveld, als allen slechts terstond gereed waren om aan de jacht deel te nemen.”
Bemerkende, welken indruk de moord van Enghien alom in het buitenland teweegbracht, zond Bonaparte aan al de hoven van Europa een afschrift van de correspondentie, tusschen dezen Drake en diens agenten gevoerd, om hierdoor het bewijs te leveren, welke ellendige rol Engeland tegenover hem speelde.
Notes
1 Dr. A. Fournier, professor aan de universiteit te Praag.
2 Russische staatsarchieven.