Hoofdstuk XXVIII
Waterloo
“De Honderd Dagen” wordt het nu volgende tijdperk genoemd, dat wij thans zijn genaderd. Den 8en Juli 1815 was Lodewijk XVIII terug in zijn paleis en Napoleon op weg naar St. Helena.
Zijn voorspelling, dat hij zonder een schot te lossen in Parijs zou komen was bewaarheid. Dadelijk na zijn terugkomst stelde de Keizer een ministerie samen, waarin o.a. Cambacérès met de portefeuille van Justitie, Carnot met die van Binnenlandsche Zaken, Davoust met die van Oorlog werd belast, allen dus mannen met goed klinkende namen. Alleen die van Fouché, die weder aan het hoofd trad van de Politie, maakte hierop een uitzondering doch de Keizer had hem mogelijk liever naast dan tegenover zich. Tal van generaals en maarschalken, hieronder tot veler verbazing in de eerste plaats de heethoofdige Ney, kwamen hun diensten weder aanbieden, alsof er niets was gebeurd. Hij heette ze allen welkom; hun zwakheid en hun verraad had hij hun vergeven.
Vóór alles diende thans een nieuwe grondslag van bestuur voor Frankrijk gemaakt en Napoleons houding tegenover het buitenland vastgesteld te worden.
Reeds den 25en Maart had de Raad van State in zijn eerste zitting een programma aangeboden, waarin o.a. te lezen stond dat de Keizer, die niet had geabdiceerd door den wil der natie, de natie bij zijn terugkeer ook weder bevestigde in haar heiligste rechten; dat hij dus dure verplichtingen op zich had genomen en elke gedachte aan een tijdelijk dictatorschap, zooals hij eerst had voorgesteld, moest loslaten. Onder zijn toezicht werd nu een soort van overeenkomst tusschen hem en de natie, de zoogenaamde Acte additionnel, een toevoegsel aan de keizerlijke grondwet opgesteld en aan de bevolking voorgelegd om haar stem erover uit te brengen. Hoewel die acte niemand bevredigde werd ze aangenomen en dit resultaat den 1en Juni op het Champ de Mars met groote plechtigheid bekend gemaakt. De Keizer zwoer toen, dat hij den inhoud dezer acte stipt zou naleven.
Tegelijkertijd ontving de armee haar adelaars terug, zwoer opnieuw trouw aan het Keizerrijk en defileerde ten slotte onder de geestdriftige toejuichingen der honderdduizenden toeschouwers voor den man, die haar vijftien jaar lang was voorgegaan op de baan van roem, eer en glorie en die haar thans nogmaals, doch nu voor den laatsten keer, zou brengen tegenover denzelfden vijand, die het jaar te voren den vaderlandschen bodem had overstroomd en thans opnieuw te wapen snelde.
Want denzelfden dag, dat de Raad van State haar programma van actie had ingediend, hadden Engeland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland zich bij militair verdrag, de Heilige Alliantie, inniger dan ooit te voren tegen Frankrijk samen verbonden. Iedere mogendheid zou 150.000 man onder de wapenen brengen, Engeland bovendien zorgen voor de noodige geldmiddelen. Gansch Duitschland, Nederland, Portugal en Spanje sloten zich hierbij aan. Zweden alleen niet.
Tegelijkertijd werd voorgesteld in ’t zuiden van Frankrijk, waar de bevolking steeds koningsgezind was gebleven, en de hertog van Angoulême reeds tegenover het keizerlijke leger in ’t veld stond, alsmede in de Vendée, waar het verzet ook reeds hevig was, den burgeroorlog te doen ontbranden.
Napoleon verontrustte zich over dezen burgeroorlog niet, zeker als hij was van de overwinning, die ook spoedig door generaal Grouchy behaald werd, maar over den oorlog met het buitenland was hij minder gerust.
Den 4en April gaf Napoleon in waardige taal aan de vreemde hoven per nota kennis van ’t geen er te Parijs was gebeurd, betoogende dat hij in ’t belang van Frankrijk niet anders had kunnen handelen en sprak daarbij den wensch uit om voortaan in vrede te leven.
Tevoren had hij zich reeds persoonlijk tot den keizer van Oostenrijk gewend, waarbij hij zijn plannen meedeelde om zijn zoon in de toekomst een rijk na te laten, dat op hechten grondslag zou staan en tevens deed hij op zijn schoonvader een beroep, teneinde de vereeniging van hem met zijn vrouw, van vader en kind mogelijk te maken.
IJdele pogingen! De mogendheden dachten er niet over hem te erkennen, ze bleven bij hun vroeger besluit, kort na de landing van den Keizer genomen, waarbij hij, de Corsicaansche avonturier, als verstoorder van de rust in Europa in de ban werd gedaan.
Had Napoleon zich van dezen stap niet veel voorgesteld, geheel doelloos werd die, omdat Murat, die door Pauline steeds met hem in relatie was gebleven en die den uitdrukkelijken wil ontvangen had zich rustig te houden tot hij door het Fransche leger ondersteund werd, eerst onder een gezocht voorwendsel Rome bezette en den 31en Maart het masker had afgeworpen en met 50.000 man naar het noorden, naar de Po was gerukt.
Toen het congres te Weenen, toch reeds in hooge mate achterdochtig, hiervan kennis kreeg, werd het nog versterkt in de meening, dat Napoleon was teruggekeerd om Europa opnieuw in vuur en vlam te zetten. Aan de krijgstoerustingen werd dus met verdubbelden ijver voortgewerkt.
Terecht kon Napoleon later zeggen, dat Murats onberaden stap een wapen te meer tegen hem was geweest. Maar de Keizer droeg zelf voor een groot deel de schuld. Waartoe moest hij dezen doldriftigen soldaat aan ’t slot van zijn brief uit Prangins van 16 Maart—toen hij zelf dus nog niet eens in Parijs was gekomen—schrijven: “Spreek en handel zooals uw hart u ingeeft. Marcheer naar de Alpen doch overschrijd ze niet.”
De wapens zouden dus weer moeten beslissen. De bondgenooten hadden reeds plannen ontworpen om met drie colonnes op Parijs aan te rukken en den Keizer wederom op eigen grondgebied slag te leveren. Hun strijdkrachten waren over België, Duitschland en Italië verdeeld. Terwijl Wellington en Blücher met een Nederlandsche strijdmacht van ruim 25.000 man onder de bevelen van den Prins van Oranje stellingen begonnen in te nemen in België, was een Russisch leger op marsch naar den Midden-Rijn, terwijl een Oostenrijksch leger zich tusschen den Boven-Rijn en de Donau bevond. Bovendien trokken troepen van Oostenrijk en Sardinië door Lombardije naar de Alpen en ontscheepte Engeland op de kust van Bretagne soldaten, wapenen en munitie om den opstand in de Vendée te steunen, terwijl een Engelsch eskader in de Middellandsche Zee nog tot hulp kon wezen van de troepen, die uit Italië, Frankrijk zouden binnenrukken. Buiten de reserves hadden de bondgenooten ongeveer 650.000 man ter beschikking, doch de legers waren te verspreid en voor Juli konden de Russische en Oostenrijksche legers aan den Rijn niet gereed zijn.
Wat kon Napoleon hier tegenover stellen? Bij zijn terugkeer in Parijs had hij niet meer dan 200.000 man onder de wapens. De cavalerie had gebrek aan paarden, bij de artillerie had men nog een groote hoeveelheid vuurmonden, doch munitie ontbrak bijna geheel, evenals kleeding en geweren. Daarbij waren verscheiden versterkte plaatsen van hun verdedigingsmiddelen beroofd; de bemanning der vloot was naar huis gezonden, de kust onbeschermd. Linietroepen bewaakten de havenplaatsen.
Reeds in de eerste dagen van April was de Keizer begonnen om in dezen toestand verbetering te brengen. Wel had de eerste oproeping niet dat succes, zooals hij had gewenscht, maar er verschenen toch 75.000 man; ook werden in April en Mei nationale garden onder de wapens geroepen en in deze maand deed hij het verzoek aan alle gepensionneerden tijdelijk weder in dienst te komen. De inlijving van de lichting van 1815 ging best; in enkele departementen zelfs beter dan tijdens de revolutie. De cavalerie werd van paarden voorzien, geweren werden gemaakt, alleen Parijs telde o. a. zes geweerwinkels met 2000 werklieden. Ook voor de munitie droeg hij zorg, en dagelijks leverde Parijs 1250 stuks kleeding.
De werkzaamheid van den Keizer was enorm en het succes daaraan geëvenredigd, want in Juni telde de cavalerie 40.000 paarden en wist Napoleon zijn leger te brengen op 284.000 man met een hulpleger van 222.000 man, ongerekend de ingelijfden van 1815, de gemobiliseerden tijdens den opmarsch in de concentratiekampen enz. Zijn voorspelling, dat er in October 800.000 man zouden zijn, zou worden bewaarheid.
Teneinde voor een inval gereed te zijn waren tal van plaatsen als Toul, Duinkerken, Grenoble enz. in staat van verdediging gebracht, terwijl door hem in het bijzonder zorg was besteed aan de versterking van Parijs en Lyon.
Bekend met de plannen van den vijand, was zijn eerste voornemen de bondgenooten af te wachten en zich te verdedigen met genoemde plaatsen als steunpunten. Hoewel met het oog op de uitstekende verdediging dit plan volgens Napoleon zeker succes zou hebben, moest de Keizer ook met de publieke opinie te rade gaan en deze was er tegen. Daarom werd besloten hiervan af te zien en niet verdedigend maar aanvallend te werk te gaan en voor de vereeniging der bondgenooten had plaats gehad, zich op Wellington en Blücher te werpen en ze afzonderlijk te verslaan. Mocht dit mislukken dan kon de Keizer altijd op het eerste plan terugkomen.
Zijn tegenpartij meesterlijk misleidende en zijn bewegingen verbergende achter een scherm van nationale gardes wist de Keizer den 14en Juni een legermacht van 125.000 man en 370 vuurmonden tegenover Charleroi tusschen Maubeuge en Philippeville bijeen te brengen.
Vóór zijn vertrek uit Parijs (12 Juni) had hij de zorg voor den gang van zaken opgedragen aan een specialen Raad van veertien mannen, waarin o. a. zijn broers Jozef en Lucien, Cambacérès, Davoust, Fouché en de Caulaincourt zitting hadden genomen. Betreffende ’s vijands indeeling en opstelling door spionnen vrij nauwkeurig ingelicht, wist hij, dat de legers van Wellington en Blücher, totaal 210.000 man sterk met 500 vuurmonden waren gescheiden; de eerste een zeer bekwaam doch voorzichtig man, stond in den vierhoek Brussel-Nivelles-Doornik-Oudenaarden, terwijl de tweede, een oude maar doortastende en stoutmoedige generaal, in het vak Charleroi-Dinant-Luik-Namen stond.
De verbindingsweg van de beide legers was die van Charleroi naar Brussel en het doel van den Keizer was nu op dien weg te komen, de legers van elkaar af te dringen en afzonderlijk te verslaan, een strategische doorbreking dus, zooals die hem reeds zoo vaak was gelukt. Hierbij hield de Keizer rekening met het karakter zijner tegenstanders; hij wilde zich het eerst op Blücher werpen, begrijpende dat deze den slag zou aanvaarden en Wellington hem niet zoo spoedig te hulp zou kunnen komen; wierp hij zich echter op den voorzichtigen Wellington dan zou deze misschien den slag ontwijken en spoedig hulp ontvangen van den voortvarenden “Maarschalk Voorwaarts,” zooals Blücher werd genoemd.
In verband met dit alles gaf hij voor den 15en Juni een marschbevel uit, dat ook nu nog als een meesterstuk op dit gebied wordt geroemd. In drie colonnes zou langs drie wegen op de Sambre aangerukt, deze gepasseerd, Charleroi genomen moeten worden. Eenmaal hier meester had de Keizer den straatweg naar Brussel, Wellingtons operatielijn en dien naar Luik, waarop Blücher ageeren moest, voor zich. De straatweg van Namen naar Nivelles vormde den verbindingsweg en sneed den eersten bij Quatre-Bras, den tweeden bij Sombreffe. Van hoeveel gewicht het voor hem was, deze viersprongen beide tegelijk in den kortstmogelijken tijd te hebben bezet, kan o. i. dus zelfs een leek begrijpen. Had hij die in zijn bezit, dan stond hij tusschen Wellington en Blücher in.
In den middag van den 15en wordt de Sambre bereikt, Charleroi bezet, en worden de daar staande Pruisische voorposten teruggedrongen. Terwijl Ney, die Napoleon bij zich heeft ontboden, last ontvangt om met de linkercolonne in de richting van Quatre-Bras voort te dringen en den vijand daar terug te werpen, krijgt Grouchy de opdracht den rechtervleugel te dirigeeren in de richting van Sombreffe, de vijandelijke afdeelingen tot hier te vervolgen en bij deze plaats stelling te nemen.
Door de al te groote voorzichtigheid van Ney en zijn weinige beslistheid bleef hij in den avond van den 15en in de omstreken van Frasne en werd Quatre-Bras op dien dag niet bezet. Ook Sombreffe werd niet bereikt, daar Grouchy, na den vijand teruggedrongen te hebben, van de verdere vervolging moest afzien.
Niettegenstaande deze beide belangrijke punten dus op den 15en niet in handen van de Franschen kwamen, waren de troepen van Napoleon geconcentreerd, terwijl dit bij de tegenpartij niet het geval was.
De kans op ’t geen thans door het overschrijden van de Sambre was geschied, was door Blücher en Wellington voorzien. Voor dit geval was besloten, dat de eerste zijn leger dan bij Sombreffe, de laatste het zijne bij Quatre-Bras samentrekken zou.
Terwijl Blücher zich nu aan deze afspraak hield en Napoleon dus een doel bood, handelde Wellington, zeker uit vrees voor zijn eigen terugtochtsweg naar de zee, aanvankelijk juist omgekeerd. Niet naar Quatre-Bras, doch naar Nivelles, dus zooveel verder naar ’t westen en meer van Blücher verwijderd, verlegde hij het verzamelpunt van zijn krijgsmacht.1
Met zijn leger ingedeeld in twee vleugels, de linker onder Ney, de rechter onder Grouchy, en een reserve onder zijn eigen bevelen, begon Napoleon den 16en den opmarsch, vond bij Ligny een Pruisisch korps, aanvankelijk zonder te weten, dat hij Blücher zelf met bijna zijn gansche macht hier tegenover zich had, greep het in ’t namiddaguur, dus veel te laat, aan en wierp het na een hardnekkig gevecht, waarbij Blücher zelf bijna sneuvelde, overhoop, zoodat het naar het noordoosten begon terug te gaan.
Overeenkomstig de ontvangen bevelen was Ney tegelijkertijd op marsch gegaan naar Quatre-Bras en hier gestooten op een kleine macht Hollanders en Nassauers, nog geen achtduizend man, door den prins van Oranje, die daar het bevel voerde, in allerijl samengebracht, opgesteld en geleid, op zoo meesterlijke wijze, dat Ney een overmacht meende voor zich te hebben en dus niet krachtig dorst aanvallen.—Hiervan zag hij tenslotte zelfs geheel af, toen hij ontwaardde, dat die macht in aantal aanhoudend ontzagwekkender werd, en toen het korps van d’Erlon door een onjuist overgebracht bevel aan zijn commando onttrokken en naar Ligny (Saint Amand) gedirigeerd werd om, heette het, Napoleon bij Fleurus te steunen, en de daar staande Pruisen te omvatten.
Een samenloop van toevallige omstandigheden was dus oorzaak dat Quatre-Bras in handen bleef van den prins van Oranje; dat Wellington, al had hij in strijd met zijn mondelinge belofte aan Blücher dezen bij Ligny in den steek gelaten, niet totaal van dezen werd afgesneden; dat het plan des Keizers niet geheel slaagde.—Het verdere verloop van den veldtocht hing thans geheel af van de vraag of deze, na de Pruisen te Fleurus geslagen te hebben, die verder zoo krachtig en zoo onafgebroken zou doen vervolgen, dat er van een vereeniging tusschen hen en Wellington zelfs veel verder noordwaarts geen sprake meer kon wezen.
Opstelling der wederzijdsche strijdkrachten bij het begin van den slag bij Waterloo.
Leger der Bondgenooten.
Rechtervleugel.—Lord Hill.
Divisie Chassé.
1. Deelen der brigade d’Aubremé. 2. id. id. Detmers. 3. Brigade Mitchell. (ged. v. d. div. Colville.)
Divisie Clinton.
4. Brigade Adam. 5. id. Duplat. 6. id. H. Halkett.
Centrum.—Prins van Oranje.
Garde-divisie Cooke.
7. Brigade Byng. 8. id. Maitland.
Divisie Alten.
9. Brigade C. Halkett. 10. Deelen der brigade Kielmansegge. 11. id. id. Ompteda. 12. Brigade von Kruze. 13. Brunswijksch contingent. 14. Brigade Lambert (v. d. div. Cole).
Linkervleugel.—Lord Picton.
15. Deelen der brigade Kempt (v. d. divisie Picton).
Divisie de Perponcher.
16. Brigade van Bijlandt. 17. Deelen der brigade Saksen Weimar. 18. Brigade Pack (v. d. div. Picton). 19. id. Best (v. d. div. Cole.) 20. id. von Vincke (v. d. divisie Picton).
Cavalerie.—Lord Uxbridge.
21. Brigade Grant. 22. Cumberland huzaren (ged. v. d. divisie v. Estorff). 23. Brigade von Arendschild. 24. id. von Dörnberg.
25. Brigade Sommerset. 26. id. Ponsomby. 27. id. Vandeleur. 28. id. Vivian.
Divisie de Collaert.
29. Brigade Trip. 30. id. van Merlen. 31. id. de Ghigny.
Fransche Leger.
1e Korps.—d’ Erlon.
32. Divisie Jacquinot. 33. id. Durette. 34. id. Marcognet. 35. id. Donzelot. 36. id. Allix.
2e korps.—Reille.
37. Divisie Bachelu. 38. id. Foy. 39. id. Jérome Napoleon. 40. id. Piré.
Reserve-cavalerie.
4e korps.—Milhaud.
41. Divisie Wathier. 42. id. Delort.
3e korps.—Kellerman.
43. Divisie l’ Héritier. 44. id. Roussel d’ Hurbal. 45. Cav. Divisie Domon. 46. id. id. Subervic.
6e korps—Lobau.
47. Divisie Simmer. 48. id. Jeannin.
Garde.
49. Divisie Duhesme (jonge garde). 50. id. Morand (jagers oude garde) 51. id. Friant (grenadiers oude garde). 52. id. Guyot (zware cavalerie). 53. id. Lefebvre Desnouettes (lichte cavalerie).
Juist van een vervolging, zooals hij die in 1796 tegenover Beaulieu en Colli had ingesteld, was ditmaal echter zelfs geen sprake. Den 17en ’s morgens bleef hij te Fleurus, beval een revue over de troepen, zond slechts een cavaleriedivisie den straatweg op naar Luik, waarheen de Pruisen afgetrokken heetten, reed daarop naar ’t slagveld, sprak met de gekwetsten, bleef geruimen tijd met Grouchy, dien hij kort te voren tot maarschalk had verheven en met generaal Gerard praten over Parijs en de toestanden aldaar, gaf eerst in den namiddag aan dezen maarschalk last met een deel van zijn macht de vervolging te beginnen en de zegepraal te voltooien; daarna reed hij per rijtuig naar Ney, die tegen zijn verwachting bij Quatre-Bras nog altijd vijandelijke afdeelingen voor zich had.
Aan Grouchy gaf hij thans kennis van zijn voornemen de rest van zijn leger met dat van Ney te vereenigen en de Engelschen aan te grijpen, wanneer deze aan de zuidzijde van het Soniënbosch mochten stand houden. Langs den straatweg naar Quatre-Bras moest de maarschalk met hem in verbinding blijven, naar het noordoosten naar Gembloux rukken en nauwkeurig aangeven, waarheen de Pruisen waren teruggetrokken.
Door deze late en niet krachtige vervolging na den slag bij Ligny gingen alle voordeelen van de overwinning op de Pruisen verloren; Napoleon had hier zelf veel schuld aan en het is haast onbegrijpelijk dat de Keizer zulk een langen tijd liet verloren gaan.
Napoleon was niet meer dezelfde man van 1796. De vroeger reeds genoemde lichaamsgebreken bestonden niet alleen nog, doch aambeien en nog een andere ziekte, die hem bij ’t rijden veel pijn veroorzaakten, waren hierbij gekomen. Toen Grouchy om nadere bevelen kwam vond hij den Keizer slapende en moest wachten. Zijn geest was nog de oude, zijn lichaam had hiermede geen gelijken tred gehouden; hij was ziek en zijn energie was niet zoo sterk meer als voorheen.
Door het niet uitzenden van verkenningsdetachementen, ook in andere richtingen dan naar Luik alleen, was de voeling met Blücher verloren gegaan.
Hoewel door een val met zijn schimmel overal gekneusd en gewond en alleen als door een wonder aan den dood ontkomen, was de grijze twee en zeventigjarige Blücher, zich niet krachtig achtervolgd ziende, inmiddels niet werkeloos gebleven. Zijn soldaten hadden hem niet zien vallen. Von Gneisenau, zijn geniale chef van den staf, had tijdelijk het commando op zich genomen en bevolen niet naar Namen, dus naar ’t zuidoosten, terug te gaan doch naar Wavre, naar het noorden. Alleen in deze richting was voor hem nog kans zich met Wellington te vereenigen.
In diepe duisternis, onder een zwaren slagregen, langs ellendige, hier en daar schier onbegaanbare wegen begon de nachtmarsch van het 1e en 2e legerkorps. Het 3e zou de achterhoede uitmaken.—In den avond van den 17en Juni stond Blücher zoodoende met het geheele Pruisische leger, wel onvoldoende gevoed doch weder vrij goed van munitie voorzien, behoorlijk in zijn verband en met strijdlust bezield bij Wavre, gereed om aan Wellingtons schriftelijk verzoek te voldoen en dezen twee korpsen ter ondersteuning te zenden naar de stelling bij Waterloo, die de Engelsche veldheer reeds vroeger had verkend en die hij thans ging innemen.—Een uitgestrekte verhooging in ’t door hem bezette terrein bij Quatre-Bras en het bosch van Bossu hadden het Wellington mogelijk gemaakt, door Ney onopgemerkt, zijn positie aldaar geleidelijk en in goede orde te verlaten.
Bij Quatre-Bras komende, (17 Juni 2 uur n.m.) vond Napoleon daar dus nog alleen enkele kleine voorposten-afdeelingen tegenover zich, die eveneens langzaam teruggingen. Zijn plan van den veldtocht, de strategische doorbreking, was, al wist hij dit zelf nog niet, mislukt. Voorts was Grouchy veel te zwak en veel te laat afgemarcheerd om Blücher nu nog te beletten, zich met Wellington te vereenigen.—Ook dit was voor Napoleon nog een geheim.
Ter hoogte van het dorpje Plancenoit maakte hij halt en koos als hoofdkwartier de pachthoeve Le Caillou. Voor een aanval op de Engelschen dienzelfden dag nog was het reeds te laat geworden.—Wellington had zijn kwartier genomen te Waterloo; de prins van Oranje in een kleine boerenwoning, in een kamer, die hij deelde met vijf officieren van zijn staf.
Geen enkele maal te voren heeft Napoleon met zulk een groote troepenmacht,—circa 80.000 man—gestreden op een ruimte, betrekkelijk zoo beperkt als die bij Waterloo. Het geheele slagveld is nog geen twee kilometer breed en slechts drie kilometer diep. Zijn leger werd in slagorde geschaard op de noordelijke hellingen van een lagen heuvelrug, die, van Braine l’ Alleud langzaam klimmende, doorliep naar Maison du Roi en van Wellingtons positie was gescheiden door een veelal met hoog koren begroeid, tamelijk breed dal, dat met zijn kleibodem tengevolge van den zwaren regen van den vorigen avond en den nacht zeer drassig was geworden.2
Met den rug naar het vrij goed doorgaanbare Soniënbosch had Wellington stelling genomen op een uitgestrekt plateau, dat zich van Braine l’Alleud over Mont Saint Jean uitstrekte in de richting van Ohain en Wavre.
Vlak voor zijn front langs, in de laagte, liep de over een groote uitgestrektheid diep ingezonken, holle weg van Ohain, de randen bezet met zware heggen en knotwilgen, voor cavalerie een zoo goed als onmogelijk te passeeren hindernis.—Dat deze weg in dien toestand verkeerde, was aan Napoleon niet bekend; hij is het graf geworden van een deel van Milhauds kurassiers bij hun charge op de Engelsche carré’s.
Vóór de stelling, die voor de uitwerking van artillerie zeer gunstig was gelegen en ook bij een terugtocht voldoende voordeelen aanbood, lagen onder het werkzame artillerievuur: vóór den rechtervleugel het hechte kasteel van Hougomont, door bosch en zware heggen omgeven en in den nacht van den 18en in geduchten staat van tegenweer gebracht; voor het midden de soliede pachthoeve La Haye Sainte aan den straatweg naar Charleroi, eveneens door dichte heggen en aan de wegzijde door een hoogen muur afgesloten; voor den uitersten linkervleugel, het zwakste punt, het kasteel Frichermont, het gehucht Smohain en de boerenwoningen la Haye en Papelotte. Ook hier maakten diep ingesneden holle wegen het naderen zelfs voor infanterie bezwaarlijk. Door gebrek aan pioniermateriaal waren alleen bij la Haye Sainte en langs den zuidrand van het Soniënbosch uitgestrekte versperringen aangebracht.
Nog altoos beducht voor zijn achterwaartsche verbindingen en voor een omtrekking langs zijn rechtervleugel, had Wellington prins Frederik der Nederlanden, toen achttien jaar oud, met 15000 man gedetacheerd naar Hal, met den uitdrukkelijken last zich daar staande te houden en Brussel te dekken. Die macht is daar, onverklaarbaar genoeg, den ganschen dag van den 18en werkeloos blijven staan.
Den nacht van den 17en op den 18en Juni was het hondenweer. Het regende, dat het goot. Niettemin toog Napoleon, alleen door Bertrand vergezeld, om één uur te voet den donkeren weg op, om te weten te komen of Wellington in zijn stellingen was gebleven. Het zien van een reusachtig aantal wachtvuren bij Mont Saint Jean stelde hem gerust. Even daarna ontving hij van Grouchy rapport, dat deze nog niet nauwkeurig wist of Blücher naar Wavre dan wel naar Namen was afgetrokken. Toen hij den 18en ’s morgens het stellige bericht ontving, dat een sterke afdeeling Pruisen dien morgen naar eerstgenoemd stadje was gemarcheerd, zond hij Grouchy bevel eveneens derwaarts te gaan. De gedachte, dat Blücher hem met zijn gansche macht op ’t lijf zou vallen, zooals deze aan Wellington beloofd had, kwam zelfs niet bij hem op. Al zijn aandacht was gevestigd op de Engelschen.
Om acht uur steeg hij te paard, overtuigde zich nogmaals met zichtbaar welgevallen, dat de vijand nog aanwezig was, en gaf zijn gevechtsbevel uit. Om elf uur zouden de troepen hun stellingen innemen, niet vroeger, want volgens Drouots verzekering zou het door den gevallen regen onmogelijk wezen met artillerie of cavalerie in die terreinen te ageeren, vóórdat de zon den zwaren kleigrond een weinig had doen opdrogen. Het dal, dat de legers scheidde, geleek hier en daar op een moeras.
Omstreeks één uur, als de Keizer Ney hiertoe het bevel gaf, zou de strijd beginnen met de vermeestering van het dorp Mont Saint Jean. Om dit hoofddoel te maskeeren zou tegelijkertijd door de divisiën van Reille en Jérome een krachtige aanval worden gedaan op Hougomont. Tevens moest de hoeve la Hay Sainte genomen en ook opgetreden worden tegenover Frichermont.
Een batterij van 64 stukken zou op den rechtervleugel d’Erlon en Ney bij hun aanval op la Haye Sainte ondersteunen.
Met de garde achter zich nam hij omstreeks twaalf uur, toen het eerste schot viel, plaats op de hoogte van Rossomme. Reeds een paar uur te voren had hij Grouchy van zijn voornemen om Wellington aan te grijpen per brief kennis gegeven en hem bevolen over Wavre dichter bij hem aan te sluiten en vaak bericht te zenden.
Toen hij omstreeks één uur bij Chapelle Saint Lambert, in de richting van Wavre dus, door den kijker troepenbewegingen meende te ontwaren en door een gevangen genomen Pruisischen huzaar vernam, dat ginds het korps van Bülow marcheerde, dat niet aan het gevecht bij Ligny had deelgenomen, zond hij Grouchy wederom hiervan kennis met den uitdrukkelijken last elke vijandelijke afdeeling, welke zijn rechtervleugel mocht bedreigen, aan te vallen en te vernietigen.—Niet één dier bevelen bereikte Grouchy, omdat Soult, de chef van den staf, verzuimd had dezelfde order door twee of drie ordonnansen tegelijk te doen overbrengen.
Later nog (half drie) ontving graaf Lobau bevel met zijn korps, 10.000 man, rechts naast hem tegenover dezen nieuwen vijand een flankstelling in te nemen. Ten zuidwesten van Frichermont ter hoogte van Plancenoit bezette Lobau dus het terrein en zond cavalerie in den oostelijken rand van het bosch van Frichermont.
Inmiddels was Hougomont, zonder voldoende inleiding met geschutvuur door Reille aangegrepen, en was in het zeer boschrijke, geaccidenteerde terrein, zonder dat het tot een beslissing kwam, een hardnekkig gevecht ontstaan met de Nassauers, Brunswijkers en Engelsche gardes aldaar.
Middelerwijl was Ney overgegaan tot een aanval op Mont Saint Jean, niet in de gewone formatie: één bataljon gedeployeerd om te vuren en op elken vleugel een gesloten bataljon om de cavalerie af te weren, doch in een nieuwe. De acht bataljons van iedere divisie waren nu gedeployeerd en met vijf pas onderlinge tusschenruimte achter elkander geschaard; zij vormden zoodoende een dichte drom, die niet eens de carréformatie kon aannemen. Vier van die dichte, diepe colonnes, met Ney te paard voorop, vier andere met d’Erlon aan de spits begonnen door het zware terrein het met artillerie bekroonde plateau van Mont Saint Jean thans te naderen.
Om la Haye Sainte, zijn heggen en een nabijgelegen zandgroeve ontspint zich dan een woedend gevecht. De hoeve wordt ten deele vermeesterd; reeds beginnen de voorste Fransche afdeelingen het plateau te bestijgen, en schijnt de zege haar deel te zullen worden, als de cavalerie van Ponsonby, 1400 Grijze Schotten, aldus genoemd naar de kleur hunner paarden, op de diepe, logge colonnes instormen, ze terugslaan in het moerassige, lage dal, twee vaandels en twee batterijen veroveren, maar dan door de kurassiers van Milhaud, die Napoleon heeft afgezonden, zoo geducht worden afgeklopt, dat Ponsonby zelf sneuvelt en de Schotten met verlies van twee derden hunner sterkte achter de infanterie van Kempt een goed heenkomen moeten zoeken.
Wel was een deel van la Haye Sainte thans in handen der Franschen gekomen, maar de aanval, waarvan Napoleon, die zelf naar de pachthoeve was gereden, zich zooveel had voorgesteld, was mislukt. De majoor Baring en zijn Nassauers hadden hun stellingen behouden.—De aanval moest dus later herhaald worden.
Ook het zwaarste werk, de verovering van het plateau zelf, moest nog geschieden; en op den rand hiervan stond nog de Engelsche artillerie, zestig vuurmonden, dicht achter haar de Engelsche infanterie op twee en drie liniën in carré geschaard, daarachter de cavalerie, het geheel onder den Prins van Oranje, die het centrum commandeerde.
Die schijnbaar onverdedigde vuurmonden trokken Ney aan als de magneet het ijzer. Waren die genomen, dan was de zege behaald, redeneerde hij in zijn drift. Bij herhaling deed hij dus een verzoek om infanterie; doch Napoleon, die zijn plaats bij Rossomme had verlaten om zich naar het terrein te begeven, waarop de aanval van de Pruisen onder Bülow zich aanhoudend krachtiger begon te teekenen, wilde eerst met deze hebben afgerekend, voordat hij tot den slotaanval op Wellington overging. Acht bataljons der Jonge Garde hadden reeds last ontvangen rechts naast Lobau positie te nemen, vier en twintig vuurmonden om de aanrukkende Pruisen met schroot te overstelpen.
Ney kreeg dus geen infanterie doch alleen de kurassiers van Milhaud tot zijn beschikking. Zij namen, acht regimenten sterk, stelling in de ruimte tusschen Hougomont en la Haye Sainte; achter hen de lichte cavalerie van de garde onder Lefebvre-Desnouettes. Uit Milhauds: “Ik ga attaqueeren. Ondersteun mij!” hem onder ’t voorbijrijden toegevoegd, had deze begrepen, dat Ney handelde op ’s Keizers last.
Reeds was het vier uur geworden. Op niet één punt van het slagveld was door de Franschen nog eenig groot, blijvend succes behaald.
De ontwikkeling van bovengenoemde ruitermassa ziende, had Wellington terstond tegenmaatregelen genomen. De divisie van den Hollandschen generaal Chassé, die aanvankelijk bij Braine l’Alleud in reserve had gestaan, had last ontvangen zijn rechtervleugel te komen versterken; de Brunswijkers alsmede de brigades Mitchell en Lambert waren naar ’t centrum gedirigeerd; ook een deel der bij la Haye en Papelotte staande troepen, waar het gevecht niet zoo scherp werd gevoerd, waren dichter hierbij aangetrokken. Reeds waren de verliezen in zijn voorste linie groot. Vooral de brigade van Bylandt, die, onoordeelkundig genoeg, op den linkervleugel aanvankelijk ten zuiden van den hollen weg van Ohain had gestaan, dus met deze hindernis in den rug, had veel geleden.
’t Liep naar vijf uur.
Nog altoos was Hougomont in ’t bezit der Engelschen; alleen la Haye Sainte was eindelijk door de Fransche brigade Quiot genomen. Met 42 van de 400 Nassauers, die de hoeve hadden verdedigd, was de heldhaftige majoor Baring, toen al de munitie was verschoten, gedwongen geworden zijn stelling te verlaten. Een tegenaanval, door den prins van Oranje bevolen, was door de kurassiers van Milhaud afgeslagen.
Staande op het plateau voelde Wellington, dat het kritieke moment naderde. Ginds voor hem in de laagte tusschen la Haye Sainte en Hougomont had Ney zijn cavalerie, bijna 5000 ruiters, kurassiers en lanciers verzameld. Schier oogverblindend weerkaatste de zon haar stralen op al die helmen, kurassen en lanspunten. Nog enkele minuten, en als een orkaan zou die ruitermassa zich storten op zijn carré’s, die, als de ruiten op een schaakbord, in twee liniën op vier gelederen geschaard en ieder ongeveer twee bataljons sterk, achter een lange lijn van vuurmonden den aanval wachtten. De prins van Oranje, de ziel der verdediging van het centrum, een voorbeeld van kalmte en moed, een waardige zoon van zijn dappere voorzaten, reed rustig tusschen de carré’s rond en wekte met een enkel vriendelijk soldatenwoord zijn krijgers op tot onbezweken volharden.
Daar klinken in de verte cavaleriesignalen! De escadrons komen in beweging. Niet langs den straatweg van Charleroi,—deze is door de lijken van mannen en paarden versperd en onbruikbaar geworden—niet rechts daarvan, want daar ligt de diepe, holle weg van Ohain eveneens reeds vol doode paarden en kurassiers, die bij een vorige charge hals over kop in de diepte zijn gestort—ten westen er van zal worden gechargeerd op de Engelsche artillerie, die onafgebroken vuurt. Daar is de helling van het plateau ook minder steil.
De taaie klei maakt snelle gangen echter onmogelijk. Op de helling glijden heel wat paarden terug, maar tenslotte is de vlakte toch bereikt. Vier regimenten kurassiers formeeren de eerste linie.—Galop! schalt de trompet. Chargeert! en nu gaat het los op de Engelsche kanonnen, waarvan de artilleristen zich ijlings bergen binnen de carré’s; dan op de divisie Alten, die reeds zooveel heeft geleden en nu bijna totaal onder den voet wordt gereden of neergestoken. De garde te paard van Sommerset, de brave Hollandsche karabiniers van Trip doen wel een tegenaanval, maar nu werpt Ney, als altoos een oorlogsgod gelijk, met verscheurde, bebloede uniform doch zelf ongedeerd Lefebvre-Desnouettes met zijn lansiers en jagers op hem.
Op de hoogvlakte ontstaat een ontzettend handgemeen. Pallas en lans, bajonet en sabel brengen wonden en dood. Nog gruwelijker, nog meedoogenloozer wordt de worsteling, als ook de zware cavalerie der garde met haar vijfduizend paarden aanrijdt en zich in den chaos stort.—Napoleon heeft den aanval van Ney uit de verte gezien. Hoewel deze veel te vroeg is ondernomen, wel een uur te vroeg, heeft hij begrepen, dat, nu de zaken eenmaal zulk een richting hebben genomen, Ney niet in den steek kan worden gelaten. Hij heeft Kellerman dus last gegeven dezen te ondersteunen.
Ruim een uur lang duurt de worsteling op het plateau; verscheiden carré’s zijn dan uiteengeslagen; andere staan nog als muren. Tot de achterste linie der Engelschen dringen de Fransche ruiters ten slotte door. Bij den trein ontstaat een paniek. In wilde vaart slaat daar alles op de vlucht, den weg op naar Brussel. Reeds voelt Wellington dat de slag zal zijn verloren.
Maar nu zijn de krachten van man en paard ook bij de Franschen uitgeput. Infanterie is er niet om het behaalde succes der ruiterij te voltooien. Zijn laatste reserve, de oude garde, 5000 man, wil Napoleon niet uit de hand geven, want reeds is de jonge garde in scherp gevecht gewikkeld met Blücher, die de Lasne-beek ongehinderd heeft kunnen overschrijden, die, bij Bülow gekomen, dezen bevolen heeft krachtig aan te grijpen met zijn gansche macht, en die nu als een onweerswolk uit het oosten komt opzetten, terwijl van Grouchy, die Blücher toch vervolgen en met zijn Keizer steeds voeling houden zou, geen spoor is te ontdekken.
De cavalerie, niet meer gevechtsvaardig, totaal uitgeput, moet dus terug. Ney’s onbesuisde, onverantwoordelijke daad heeft geen blijvend succes gehad. Thans rennen de Engelsche artilleristen uit de carré’s van hun zoo dapper staan gebleven zusterwapen terug naar hun stukken, laden ijlings met kartetsen en jagen de langzaam wijkende escadrons het moordende lood in den rug.
’t Is zeven uur.—Bij Smohain, Frichermont en Plancenoit wordt woedend gevochten. Eerst wanneer hier een deel der oude garde te hulp is geschoten, blijft het laatste dorp in handen der Franschen; doch reeds overstroomen massa’s Pruisische tirailleurs het terrein; reeds komt de reserve-cavalerie van het 1e Pruisische korps den linkervleugel der Engelschen bij Smohain de hand reiken. Pruisische granaten vallen in massa op Plancenoit.
Thans besluit de Keizer zijn laatste tien bataljons oude garde op de zwaar vermoeide, sterk gedunde gelederen van Wellington te werpen en dus de beslissing te brengen. Vier bataljons zullen tusschen la Belle Alliance en la Haye Sainte als reserve blijven staan; met de zes andere zal Ney, wien op dezen Zondag reeds vier paarden onder het lijf zijn doodgeschoten, ten aanval gaan.
Daar komen ze, de ijzeren mannen, de berenmuts op ’t hoofd, ’t geweer in den arm, gesloten en gericht als op het exercitieveld, in zes afzonderlijke aanvalscolonnes, de hoogte op. De vanen wapperen in den avondwind; de tamboers slaan. De aanval geldt de zeer gedunde Brunswijksche en Nassausche bataljons der voorste linie.—“Velt ’t geweer!”—Vive l’ Empereur! schalt het nog eenmaal dreunend en dreigend als een laatste vaarwel uit drie duizend kelen boven het slaggewoel uit.
De prins van Oranje heeft het dreigende gevaar gezien; hij rent geheel alleen naar de voorste linie der Nassauers. Daar wordt zijn paard doodelijk gewond, hij zelf door een kogel in den linkerschouder getroffen. Reeds staat hij op ’t punt door een troepje kurassiers te worden gevangen genomen, als eenige Hollandsche karabiniers hem gewaar worden, de kurassiers verjagen, hem op ’t paard helpen van de Constant Rebecque, een zijner ijlings toegeschoten stafofficieren, en hem achteruit brengen. Eerst in een paardendeken, later op een matras, die gelegd is op een uitgehaakte huisdeur, wordt hij naar Waterloo vervoerd.
Krachtig aangegrepen door de garde-brigade Maitland, die achter het hooge koren heeft verscholen gelegen doch nu eensklaps oprijst en ze met doodende salvo’s begroet, dan door de jonge Hollandsche soldaten van Chassé, bijgenaamd Generaal-bajonet, eindelijk door de artillerie heftig onder vuur genomen, hun verliezen voortdurend ziende vermeerderen, deployeeren de gardebataljons. Zij willen dit vuur beantwoorden doch berooven zich hierdoor van den steun van de twee gardebatterijen, die hen zijn gevolgd. Wel langzaam en in carré geformeerd, maar toch zonder genade moeten zij ten slotte terug voor den thans over de gansche Engelsche slaglinie met al wat nog adem heeft ondernomen tegenaanval.
Tot achter la Belle Alliance worden de bataljons teruggedrongen. Hier slaagt Ney er in ze in twee carré’s te formeeren. Hulp kan hem niet meer worden verleend, want Napoleon heeft ook zijn vier laatste bataljons doen front maken tegen de steeds onstuimiger wordende aanvallen der Pruisen.—Nu gaat ook La Haye Sainte, het met zooveel bloed gekochte bosch van Hougomont, eindelijk zelfs Plancenoit verloren; en als het aanvankelijk bleeke, later zeer heldere maanlicht zijn stralen over het slagveld begint te werpen, is het Fransche leger in vollen aftocht langs den straatweg naar Charleroi, heeft de zwaargewonde generaal Cambronne binnen een der ineenzinkende laatste carré’s der garde den vijand zijn brutaal Merde! toegesnauwd, en heeft generaal Michel den vijand, die hem aanmaant zich over te geven, zijn fier: “De garde geeft zich niet over; ze sterft,” doen hooren.
Tevergeefs heeft de Keizer met Jérome, die gekwetst is, en enkele opperofficieren in een carré den dood gezocht; eindelijk is hij gezwicht voor hun smeekgebeden en is ook hij, door den stroom van vluchtelingen medegesleurd, den aftocht begonnen. Om half een in den nacht doodmoe te Genappes gekomen en hier in zijn reiskoets willende plaats nemen, wordt hem dit door de vervolgende Pruisische huzaren belet. Al zijn papieren en kostbaarheden in den steek latende, een tijdlang zelfs blootshoofds en ongewapend, moet hij weder ijlings te paard stijgen en dwars door het land heen verder vluchten.
Scherp nagezet door de huzaren, die met hun dreigend: Kaput Fransosen! den schrik en de ontsteltenis nog verhoogen en menigen soldaat en officier tot zelfmoord brengen, stormen de Franschen, waarvan velen het geweer hebben weggeworpen, als weerlooze, in ’t nauw gedreven dieren onafgebroken voort naar Charleroi. Tevergeefs pogen graaf Lobau en de generaals van de garde Petit en Pelet hen tegen tien uur bij Quatre-Bras tot staan te brengen. Slechts enkele artilleristen gehoorzamen; zij jagen een hagelbui van kartetskogels in de voorste escadrons des vijands, doch zetten den aftocht dan weder voort en geven de naar wraak dorstende Pruisen opnieuw gelegenheid op de weerloozen in te houwen. Eerst laat in den nacht wordt de vervolging gestaakt. Dan kunnen de paarden niet meer.
Tusschen le Caillou en la Belle Alliance hadden Blücher en Wellington elkander bij toeval ontmoet en elkander met de behaalde overwinning gelukgewenscht.
De meeste schrijvers over Waterloo geven vooral Grouchy de schuld van de nederlaag. Was hij tijdig naar zijn Keizer op marsch gegaan, dan zou volgens enkelen alles gered zijn geworden, al beweert daartegenover o. a. Charras, dat het aan den afloop niets zou veranderd hebben en misschien was ook dit korps in de vlucht meegenomen, terwijl het nu in goede orde kon terugtrekken.
Juist in den laatsten tijd is het oordeel over dezen Franschen bevelhebber niet meer zoo hard als vroeger en al erkent men, dat hij te laat op marsch is gegaan, de richting waarin hij aanvankelijk ging was verkeerd, maar juist dit kan men Grouchy niet verwijten.
Toen hij den 18en bij Wavre kwam, vond hij daar de achterhoede van het Pruisische leger onder von Thieleman, door den slimmen Blücher juist achtergelaten om hem bezig te houden. Niettegenstaande zijn generaals hem verzochten in de richting van Waterloo te gaan, van waar men duidelijk kanonvuur vernam, meende Grouchy zijn plicht te doen door in Wavre te blijven en hierdoor kreeg Blücher de gelegenheid over Rixensart ongehinderd weg te trekken, Wellington te hulp. Daardoor onthield hij den Keizer een steun van 30.000 soldaten, die de weegschaal naar de Fransche zijde hadden kunnen doen overslaan, want alleen door het tijdig ingrijpen van Blücher kon Wellington de zege behalen. Diens troepen hadden te veel geleden; ze waren te uitgeput om nog slagvaardig te heeten of ernstigen weerstand te bieden. Zelfs aan de vervolging konden zij later slechts een korte poos deelnemen.—In zijn rapport aan den regent van Engeland heeft Wellington dit trouwens ruiterlijk erkend.
In ’t holst van den nacht bereikte de Keizer Charleroi en was den 21en Juni uitgeput en ziek naar lichaam en geest op het Elysée terug. Hier kon de Caulaincourt van hem hooren hoe Ney zich als een krankzinnige gedragen en de gansche cavalerie opgeofferd had. Daarna liet hij zich vallen op een canapé, was terstond in slaap, werd een uur later wakker, nam een lauw bad en ontving, nog hierin gezeten, Davoust. De ministers waren bij elkander gekomen en wachtten hem vol angst en kommer, kwam deze zeggen. “Wat een ramp, maarschalk!” riep Napoleon uit.
“Met de noodige wilskracht komen wij dit alles te boven!” antwoordde Davoust, terwijl hij bedaard de waterdroppels afdroogde, waarmede zijn heer hem onwillekeurig had bespat.
Notes
1 Dat Quatre-Bras toch door Ney bezet gevonden en voor Wellington behouden gebleven is, is alleen te danken geweest aan den generaal de Perponcher, die bij afwezigheid van den Prins van Oranje,—deze bevond zich bij Wellington te Brussel op een bal—den zedelijken moed bezat het bevel niet op te volgen doch bij Quatre-Bras met zijn divisie te blijven staan (16 Juni, half twee ’s nachts).
2 De schetskaart is vervaardigd op de schaal 1: 40.000. De nummers stemmen overeen met de op een afzonderlijke bladzijde geplaatste namen der troepenkorpsen en hun chefs.