Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks
‹Better GutenbergNapoleonHoofdstuk X. — Vrede met Oostenrijk · 14 of 35Contents›

Napoleon

by Herman Théodore Chappuis

14 of 35 · Contents · Download EPUB

Hoofdstuk X.

Vrede met Oostenrijk

In ’t costuum van lid van het Instituut had hij Parijs verlaten, in de uniform van opperbevelhebber keerde hij er terug (3 Juli) en sprak deze verandering in zijn gewaad mogelijk nog niet duidelijk genoeg voor den omkeer, die door Marengo in zijn geest was ontstaan, zijn houding en zijn daden bewezen weldra, dat hij, door gansch Frankrijk thans half vergood, zich van zijn macht was bewust geworden.

Uit was het op eens met de mogelijke plannen der Bourbons. Kort na elkaar had hij van den pretendent twee brieven ontvangen, waarin hem duidelijk was te verstaan gegeven, dat, wanneer hij dezen op den troon van Frankrijk bracht, hij zelf maar moest aangeven, welke hooge positie hij verlangde voor zich zelf en zijn vrienden.

Joséphine kende het bestaan dier brieven, trachtte hem te overtuigen, dat het costuum van connétable hem veel beter zou kleeden dan de rok van consul, doch klopte aan doovenmansdeur. “In ’t buitenland acht men mij dan lichtzinnig en inconsequent, dat men mij verdenkt van geheime plannen ten voordeele van een Bourbon? Dat ik in de beloften en verbintenissen niet het minste vertrouwen stel, weet men dus niet. Werd die man baas, dan zou het stellig niet lang duren of ik werd behandeld als een rebel,” gaf hij haar zoo luide en zoo kortaf ten antwoord, dat Europa het kon hooren. Tegen Bourrienne zei hij: “Jij kent dat volkje niet. Gaf ik het den troon, dan zou het dien volgens hen niet aan mij, doch aan Gods gratie hebben te danken. De émigrés zouden dadelijk den baas spelen en al het nieuwe omver werpen. Wat zou er worden van de belangen sinds 1789 geboren? Wat van de menschen, die nationale goederen kochten, van de generaals, kortom van allen, die tijdens de omwenteling hun leven en hun toekomst op ’t spel hebben gezet?”

In ’t begin van September schreef hij zijn antwoord:

“Ik heb een brief ontvangen, mijnheer; ik zeg u dank voor uw beleefde woorden. Uw terugkeer in Frankrijk moogt u niet wenschen. Gij zoudt uw weg moeten nemen over vijfhonderd duizend lijken. Offer uw eigen belangen op aan de rust en het geluk van Frankrijk; de historie zal er u naar beoordeelen. Voor de rampen uwer familie ben ik niet ongevoelig; gaarne zal ik bijdragen tot de rust en den vrede van uw bestaan.”

Met wien hij te doen had, hoeveel staat hij kon maken op de mooie beloften van den pretendent, blijkt uit later gevonden brieven. Den 4en Juni 1800 verzocht de pretendent hem den troon zijner voorvaderen terug, twee dagen later wenschte hij den struikroover George Cadoudal per brief hartelijk geluk, “dat hij eindelijk aan de handen van den tiran was ontsnapt.” “Thans zijt ge vrij; ge zijt bij mijn broeder; al mijn hoop herleeft. Een echt Franschman zooals gij behoef ik niets meer te zeggen,” volgde er aan ’t slot en na den aanslag van 24 December 1800 betuigden de bedrijvers er van dienzelfden “braven” Cadoudal schriftelijk hun leedwezen, dat Bonaparte was ontkomen.

“Met innig genoegen erkennen wij, dat het vaderland aan U zijn redding, de Republiek aan U haar bevestiging heeft te danken en de natie een welvaart, die gij in één dag tijd hebt doen volgen op tien jaar eener meer dan stormachtige omwenteling,” had de president van den Senaat bij de eerste officieele begroeting tegen hem gezegd en de denkwijze van zoo goed als geheel Frankrijk met deze woorden weergegeven. Vol oprechte geestdrift waren al de groote staatslichamen, de burger-en de militaire autoriteiten, de directeur der Fransche Bank en tal van hooggeplaatste personen hem gaan begroeten.—

Hoe kon het anders? Enkele maanden pas voerde hij het bewind en veiligheid, vertrouwen en rust waren getreden in de plaats van een toestand van grenzenlooze verwarring, van angst en onzekerheid. Een groote overwinning had Frankrijk weder gevoerd aan de spits der volken. De vrede was in ’t verschiet; de angst voor een Europeeschen oorlog verdwenen. Allerwege zag men weder teekenen van welvaart. Dank zij de instelling der Fransche Bank, waardoor vertrouwen en crediet weder waren teruggekeerd, kregen de renteniers hun coupon weder uitbetaald in klinkende munt. De publieke fondsen waren van 12 tot 40 gestegen en toonden neiging tot rijzen naar 50. Gansch Frankrijk was bezig een gedaanteverwisseling ten goede te ondergaan, en dit alles niet door een mirakel of een bovennatuurlijke kracht, welke volgens de “kleine luyden” Bonaparte zou bezitten, maar alleen door een man, toegerust met een groote mate van gezond verstand, gerugsteund door een ijzeren wil en een stalen werkkracht, een man, die wist wat hij wilde, die daarbij over alle détails heenzag als ver beneden hem, en die alleen het einddoel scherp in het oog hield. Geen stap op ’t oorlogsveld, geen zet op ’t wereldschaakbord deed hij in die jaren zonder een voorafgaand nauwgezet wikken en wegen van ’t geen hiervan het gevolg kon zijn. Aan het toeval liet hij zoo weinig mogelijk over. Eerst als ’t vertrouwen op zijn geluk hem roekeloos deed worden, en zijn dorst naar nòg meer roem hem verblindde, was het hiermede gedaan. Die hoop naar vrede zou echter niet zoo spoedig worden vervuld, want Marengo had wel een wapenstilstand, geen beslissing gebracht. Rijkelijk door Engelsch goud gesteund onder voorwaarde, dat het niet afzonderlijk zou vrede sluiten, schoof het kabinet van Weenen de onderhandelingen op de lange baan, een tactiek die Bonaparte met zijn voortvarenden geest en zijn afkeer voor al dat diplomatieke getalm en gekonkel toornig maakte en verschillende kleine staten van den Duitschen Bond, door Frans II aan hun lot overgelaten, tot een afzonderlijk verdrag met Frankrijk bracht, voordat een congres, dat te Lunéville zou bijeenkomen en waarheen ook Engeland een vertegenwoordiger zou zenden, een beslissing had gebracht.

De herfst verliep, de winter trad in. Tot tweemaal toe was de wapenstilstand verlengd; het congres te Lunéville vorderde niet, en de kans op een spoedigen vrede scheen nog in de verre toekomst te liggen. Het wachten moede, beval Bonaparte terstond na het einde van den tweeden wapenstilstand weder aanvallend op te treden.

Den 25en November begon Moreau zijn operaties en leidde deze zoo goed en gelukkig, dat hij in weerwil van zijn geringere getalsterkte aartshertog Johan, die von Kray in het opperbevel had vervangen, den 3en December in de met sneeuw bedekte passen en boschwegen van Hohenlinden met zwaar verlies terugsloeg. Van deze overwinning ijlings partij trekkende, bezette hij daarop Salzburg, dreef de Oostenrijkers door een reeks van roemrijke gevechten terug tot achter de Traun, maakte zich meester van Linz, stond hier slechts tien uur van Weenen en was den 23en December voor het sluiten van een wapenstilstand alleen te vinden onder het uitdrukkelijk beding, dat Oostenrijk zijn belangen scheidde van die van Engeland.

Geducht in ’t nauw gedreven, bewilligde keizer Frans hierin. ’t Was hoog tijd, want, terwijl Moreau de eer der Fransche wapenen zoo hoog hield aan den Donau, was Augereau met een gallo-bataafsche divisie in Bohemen niet minder gelukkig, toog Macdonald door Wallis en over de gletschers en de passen van den Splügen naar de Mincio om daar de hand te reiken aan Brune, die Massena in Italië was opgevolgd. Ook hier aan de Etsch, de Brenta en de Piave leden de Oostenrijkers de nederlaag; Macdonald naderde Trente; Murat was met een divisie op marsch naar de Po; Brune rukte Treviso binnen.

Toen kwamen de Oostenrijksche gevolmachtigden ook hier onderhandelen. De afstand van Mantua, Peschiera, Ferrara en Ancona was de prijs van een wapenstilstand, die den 29en Januari 1801 te Lunéville werd gesloten.

Alleen Napels stond thans nog vijandig tegenover Frankrijk; Murat zou koningin Caroline echter weldra tot vrede dwingen.

In Duitschland en Italië verslagen, door zijn vroegere bondgenooten losgelaten, want Rusland en de paus hadden openlijk voor Frankrijk partij gekozen en Engeland was niet in staat hem te steunen, zag Frans II in, dat een vrede alleen hem kon redden. Den 9en Februari 1801 werd deze te Lunéville geteekend, maar de voorwaarden waren niet malsch. De basis er van vormde het tractaat van Campo Formio, waarbij de linker Rijnoever aan Frankrijk was gekomen en Oostenrijk zich de Etsch als grensrivier had zien aanwijzen. De keizer erkende de Bataafsche, de Helvetische, de Ligurische en de Cisalpijnsche republiek en keurde goed, dat deze laatste het gansche dal van de Po, de Sesia en de Tenaro tot de Adriatische Zee zou omvatten; het aan zijn stamhuis ontnomen Toscane, waar zijn broeder groothertog was, werd onder den naam van koninkrijk Etrurië toegewezen aan den hertog van Parma, schoonzoon van Karel IV van Spanje.

De Engelschen zagen de haven van Livorno, een hunner voornaamste stapelplaatsen aan de Middellandsche Zee, voor zich gesloten; Otranto, Tarente en Brindisi kregen Fransch garnizoen. Geheel Italië was weder in Fransche handen; Spanje beloofde Portugal gewapenderhand te dwingen, Engeland afvallig te worden. In vijftien maanden tijd was het Frankrijk dus gelukt de tweede coalitie uiteen te breken en aan Europa’s vastland den vrede voor te schrijven. Bonaparte had een bewonderaar gekregen in czaar Paul I, die wel half gek van trots, doch tevens ingenomen was met den man, die aan de omwenteling een einde gemaakt en den 18en Brumaire gebracht had, die hem de negen duizend krijgsgevangen Russen had teruggezonden, hem het zwaard van Lisle Adam, den grootmeester der Maltezer ridders had geschonken en hem het reeds twee jaar door de Engelschen belegerde Malta wilde afstaan.

Jammer dat de in Italië nieuwgevormde staten de innerlijke kracht misten, voor hun zelfstandig voortbestaan zoo gebiedend noodig; dat Frankrijk ze voortdurend met geld en troepen moest ondersteunen en dat de Eerste Consul, tuk op eigen grootheid en macht, niet verkoos Italië die eenheid en kracht te schenken, die het zou gehad hebben, wanneer het gansche land onder het huis van Savoye was gebracht.

Engeland alleen met William Pitt zijn oppermachtigen eersten minister aan de spits, volhardde nog in zijn haat tegen de Republiek doch had zijn bondgenooten verloren. Het einde van den strijd tegen de coalitie had Bonaparte niet afgewacht om een aanvang te maken met de radicale verbetering van Frankrijks inwendigen toestand. Op de gevolgen der nieuwe regeling van de geldmiddelen wezen wij reeds. Thans kwamen handel en industrie dus in de eerste plaats de gemeenschapsmiddelen, de groote wegen, de kanalen en de bruggen aan de beurt. De laatste tien jaren was hieraan zoo goed als niets gedaan. Het servituut van kosteloozen arbeid aan de wegen was onder de Republiek afgeschaft, geld tot onderhoud was bijna niet toegestaan; de gevolgen waren niet uitgebleven. Goed begaanbare wegen bezat het land bijna niet meer; die er nog waren, werden door de chouans in Bretagne, door talrijke rooverbenden in ’t zuiden en in de Vendée onveilig gemaakt.

Op de begrooting voor 1801 bracht de Eerste Consul dus terstond twaalf millioen francs uitsluitend voor het herstel der hoofdwegen; die naar de grenzen zooals naar Lille, Straatsburg, Marseille, Bordeaux en Brest waren het eerst aan de beurt. De weg over den Simplon, de korste verbinding met Italië, werd onder handen genomen en tot een prachtigen weg gemaakt. Op den Mont Cenis kwam een klooster in denzelfden geest als dat op den St. Bernhard. Dan werd het werk aan het kanaal van Saint-Quentin, de verbinding tusschen de Somme en de Oise, waaraan in langen tijd niets was gedaan, evenals aan dat van de Ourcq met kracht hervat en Frankrijk dus door een waterweg met België verbonden. Voorts ontving Chaptal last een ontwerp samen te stellen tot hervorming van het openbare onderwijs met een grondslag van zes duizend studiebeurzen tot vorming van onderwijzers en werd bij decreet van 4 Maart 1801 de opening eener tentoonstelling van voortbrengselen der nationale nijverheid bepaald.

Een niet minder gewichtige arbeid, het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek, samengesteld door een schaar rechtsgeleerden als Tronchet, Portalis en anderen werd in diezelfde dagen getoetst aan het oordeel der rechtbanken van appèl en van het hof van cassatie. Dat Bonaparte zelf aan dit ontwerp heeft medegewerkt, dat hij de schrijver er van is, zooals zijn vleiers vaak hebben beweerd, is onwaar; het geheel was een resumé van het werk der Constituante en der Conventie, dat beoordeeld en gewijzigd door Frankrijks schranderste juristen eerst daarna in den Raad van State werd gebracht om hier den eindvorm te krijgen; wel komt hem ten volle de eer toe, dat hij niet alleen dit wetboek, later naar hem Code Napoleon genoemd, maar nog tal van andere hoofdwetten op het gebied van koophandel, publiek recht enz. aan de natie geschonken en hierdoor aan de sinds eeuwen heerschende wetteloosheid en willekeur voor goed een einde gemaakt heeft.

Een niet minder groote weldaad bewees hij aan het land door de afschaffing van de wet op de émigrés, dat jammerlijke product van woede en vertwijfeling uit de donkerste dagen der omwenteling, dat meer onschuldigen dan schuldigen had getroffen, de afwezigen had gelijkgesteld met iemand, die de wapenen had opgevat tegen de Conventie en door het Directoire gehandhaafd en vaak genoeg gebezigd was tegen zijn persoonlijke vijanden. Van de later gevolgde amnestie bleven alleen uitgesloten de personen, die tegen Frankrijk de wapenen hadden gedragen, bij de uitgeweken prinsen een betrekking bekleed of titels en graden van vreemde mogendheden aangenomen hadden zonder machtiging van het gouvernement.

De tegenwoordige eigenaars van gronden, indertijd door den staat als nationaal goed aan hen verkocht, werden tevens opnieuw in hun bezit bevestigd; de kleine landbouwer, die voor zijn zuurverdiende spaarpenningen voorheen een lapje grond had gekocht, behoefde dus niet langer vrees te koesteren, dat dit hem bij de terugkomst zijner vroegere meesters kon worden ontnomen. De gevolgen van dezen maatregel voor Bonaparte zelf waren bijna onberekenbaar; niet de sympathie, de liefde van één enkele partij, die van de gansche bevolking ten platten lande veroverde hij hierdoor stormenderhand; voor al die eenvoudige lieden, bij wie het bezit van hof en haard vaak gaat boven dat van vrouw en kind was hij, de soldaat, eensklaps geworden de man uit het volk, l’Homme, de strijder voor het recht, voor hun eigendom. Terecht kon hij, die nooit tot eenige partij had behoord in die dagen zeggen, dat zijn partij thans was de gansche natie. Nog krachtiger openbaarde zich de sympathie, toen hij stappen deed om de geestelijken de vrije uitoefening hunner kerkplichten terug te bezorgen en den eenvoudigen, doch zeer menschkundigen abt Bernier, die reeds in de Vendée zooveel had bijgedragen tot de demping van het oproer aldaar, opdroeg met kardinaal Spina, den afgezant van den Heiligen Stoel te Parijs, te beraadslagen over de middelen, die tot een verzoening met den Paus konden leiden. Uitgaande van het beginsel, dat een ieder vrij moest zijn om “zondag” te houden, wanneer hij dit verkoos, verbood hij de plaatselijke autoriteiten hiertegen op te treden; alleen voor rijksambtenaren bleef de bepaling, dat de decade de officieele rustdag was voorloopig nog van kracht.

Bij de schending der koninklijke graven te Saint-Denis door het grauw, was het stoffelijk overschot van Turenne teruggevonden en tijdelijk overgebracht naar een vertrek in den Plantentuin. Thans deed Bonaparte het met indrukwekkende plechtigheid bijzetten in de koepelkerk van het hôtel der Invaliden; den dag daarop legde hij den eersten steen voor een gedenkteeken, gewijd aan de nagedachtenis van zijn krijgsmakkers Desaix en Kléber, beiden op één dag gevallen, de eerste bij Marengo, de laatste in Egypte onder den dolk van een sluipmoordenaar. Reeds vroeger had hij aan Washington, den bevrijder van Noord-Amerika, openbare hulde doen brengen.

Hoewel Bonaparte’s tegenstanders in dit alles slechts een middel zagen, door hem tot eigen grootheid aangewend, oefenden deze plechtigheden op de Parijsche bevolking in ’t algemeen een weldadigen invloed uit. Een bewijs uit vele. Den avond der Turenne-vereering werd er in de schouwburg een gratis-voorstelling gegeven, waarbij hij tegenwoordig was. De zaal was eivol, toch liep alles in de beste orde af; slechts nu en dan werd de stilte door een daverend: “Leve de Republiek! Leve generaal Bonaparte” verbroken.

Bijna onbegrijpelijk is ’t, dat, terwijl hij dus alle middelen aanwendde om Frankrijk de zoo lang en vurig verbeide rust, welvaart en vrede terug te geven, terwijl hij niets onbeproefd liet om handel en nijverheid, landbouw en veeteelt aan te moedigen, terwijl hij kunsten en wetenschappen beschermde, tot verbetering van het onderwijs ingrijpende maatregelen nam, aan het geloofsleven van negen tiende der natie tegemoet kwam en eindelijk door een uitgebreide amnestie voor misdrijven tegen den staat Frankrijk om zoo te zeggen aan de uitgewekenen had teruggegeven, er toch telkens weder personen werden gevonden, laaghartig genoeg om hem naar het leven te staan.

De samenzwering van Arena, Ceracchi en eenige andere republikeinsche heethoofden in October 1800 kunnen wij stilzwijgend voorbijgaan; ze kwam niet tot uitvoering; anders was het met die van 24 December d. a. v.

In den schouwburg zou “die Schöpfung” van Haydn voor de eerste maal met groot koor ten gehoore worden gebracht; hoewel hij door Fouché was gewaarschuwd, dat er geruchten liepen van een nieuwen aanslag op zijn leven, had Bonaparte zich door Hortense, die dweepte met muziek, laten overhalen deze uitvoering bij te wonen.

Begeleid door zijn gewoon piket garde te paard reed hij met Bessières en zijn adjudant van dienst, in één rijtuig dus, om acht uur naar de opera, toen het rijtuig aan den ingang van de nauwe, bochtige rue St. Nicaise een oud, met een hit bespannen karretje ontmoette, dat den weg half versperde; een tevens uit de rue de Malte komende fiacre zou dezen weldra geheel hebben verstopt. Een der grenadiers te paard, die vijf en twintig pas vooruit was, zag dit, dreigde den koetsier van de fiacre als hij niet in galop doorreed, gooide een man, die voor den hit stond tegen den muur, gaf den hit zelf een klap, dat hij op zijde sprong en maakte dus in een oogwenk ruim baan, zoodat Bonaparte’s koetsier, die de zweep over de paarden legde, in volle vaart kon doorrijden. Deze snelheid redde Bonaparte het leven. Nog geen twintig pas was het rijtuig in de rue de la Loi (thans rue Richelieu), toen een ontzettende knal de lucht deed daveren. Een op genoemd karretje geladen helsche machine was ontploft. Ruim honderd dooden en gekwetsten lagen in de rue St. Nicaise onder het puin van eenige ingestorte huizen begraven; Bonaparte en zijn escorte waren ongedeerd gebleven. Ook de dames, die thuis door het zoeken naar een sjaal eenige minuten opgehouden en met Rapp een anderen weg gevolgd waren, hadden geen letsel bekomen.

“Die schelmen hebben mij in de lucht willen doen vliegen” zei Bonaparte koeltjes, doch Joséphine, in de loge gekomen, was te diep ontroerd om haar tranen te kunnen verbergen; ondanks het stormachtig huldebetoon, dat op de bekendmaking van den aanslag volgde, was zij niet tot blijven te bewegen. Bonaparte keerde met haar naar huis terug. Hier brak zijn toorn los.—“Dit was niet het werk van de chouans, de priesters of de émigrés! In dit schelmstuk hadden de Jacobijnen, de moordenaars van 1792, de Septembriseurs de hand gehad. Die alleen waren tot zoo iets in staat” bulderde hij.

Wel trachtte Fouché hem tot andere gedachten te brengen, doch hij kon niet gelooven, dat de royalisten, dezelfde personen dus, die hij kort te voren met gunsten overladen had, hem thans naar het leven hadden gestaan; Fouché kon het bewijs niet leveren; dus—moesten de daders worden gezocht bij de koningsmoorders, de Jacobijnen, die hij, Fouché, beweerde Bonaparte, uit vroegere relatie had ontzien en gespaard.

Een gevolg van deze redeneering was, dat honderd en dertig personen, die zich onder het schrikbewind door hun heftige taal en gedragingen hadden doen kennen, zonder dat er van hun medeplichtigheid aan den aanslag iets was gebleken, bijna zonder vorm van proces werden verbannen, “als gevaarlijk voor de veiligheid van den staat,” dat het proces tegen Arena en Ceracchi c. s. krachtig werd doorgezet om voor de vier hoofdschuldigen te eindigen met een doodvonnis (31 Januari 1801) en dat Bonaparte zijn vertrouwen op Fouché begon te verminderen. Dat de man talent bezat, vooral in politiezaken zijn weerga zocht, hem den 18en Brumaire en daarna tot demping van het oproer groote diensten had bewezen, erkende hij, maar dat hij van den laatsten aanslag onkundig was gebleven kon hij niet vergeten; hij dacht erover hem zijn ontslag te geven; dat Joséphine en de Bourrienne partij voor hem trokken, wekte zijn wrevel zelfs in zoo hooge mate op, dat hij in bijzijn van de eerste op zekeren avond tegen Laplace en Girardin zei: “Een rijk waar de vrouwen de staatszaken regelen is verloren. Frankrijk viel door de koningin. Let op Spanje; ook daar regeert de koningin. Als mijn vrouw iets mocht willen, zou dit voor mij voldoende zijn om juist het tegenovergestelde te doen.” Joséphine was dus gewaarschuwd.

Had Jozef zich in die dagen te Parijs bevonden, dan was Fouché terstond gevallen, want niet alleen Jozef, doch Elisa, Lucien en de gansche aanhang van die drie, met Roederer en Fontanes aan het hoofd, waren zijn vijanden. Zoo fel waren die op hem gebeten, dat het brieven en beschuldigingen regende en dat Roederer aan Joséphine zelfs dorst toevoegen, dat zoolang zij haar minister van Politie behield, niemand zijn leven meer zeker was en dat allen gevaar liepen binnen een paar maanden te worden vermoord. Wel diende Joséphine, onvoorzichtig genoeg, hem ter dege van repliek, doch het woord was gesproken. De oorzaak van dien haat lag niet zoozeer in Fouché’s verleden als in de houding na Brumaire door hem aangenomen tegenover Lucien. Deze jonge minister, die, wars van elken gezetten arbeid, de behandeling der zaken van zijn ministerie zoo goed als geheel overliet aan zijn ondergeschikten en belangrijke stukken vaak niet eens zelf onderteekende, maar evenals Jozef steeds uit was op het verkrijgen van herediteitsrechten, was na den dood zijner lieftallige gade (14 Mei 1800) in deze richting nog verder gegaan; hij had zich, door zijn omgeving slecht geraden, opgeworpen tot leider van de publieke opinie en was begonnen rechtstreeks aan te sturen op een groote anti-revolutionnaire, katholieke, monarchale reactie; in September had hij als lofredenaar van Turenne zelfs de nadering van “een Grootsche Eeuw” aangekondigd en besloten met de woorden, dat het republikeinsche Frankrijk zijn grootsche bestemming eerlang vervuld zou zien.

Had hij het hierbij gelaten, dan was, zijn jeugdigen leeftijd in aanmerking genomen, dit gebazel hem nog wel te vergeven geweest, doch geen maand later had hij aan alle prefecten en verdere onderhoorige ambtenaren onder persoonlijk couvert, een vlugschrift van zijn hand doen toekomen, getiteld: Parallel tusschen Cesar, Cromwell en Bonaparte. Het vraagstuk der herediteit had hij daarin sterker dan ooit op den voorgrond gebracht, terwijl het slot een scherpe insinuatie inhield aan het adres der Fransche legerbevelhebbers.

Met deze brochure had Fouché, als republikein o. a. een vijand van alle herediteit bij den regeerder, als zijnde monarchaal, zich naar Bonaparte begeven, hem gewezen op den slechten indruk, dien ze op het publiek zou maken, zoo kort na den aanslag van Arena, welke toch al voor een politieke manoeuvre van het gouvernement werd gehouden en hem overtuigd, dat hij door een dergelijk geschrift wel verdacht gemaakt, niet gediend kon worden.

Lucien, zich moetende verantwoorden, had het geducht aan den stok gekregen met Fouché, hem overladen met verwijten over zijn vroeger gedrag als lid der Conventie en daarop allerlei liefelijkheden moeten slikken over eigen braspartijen met actrices, zijn knevelarijen en zijn liederlijk gedrag.

Doodbedaard had Bonaparte de heeren die zaak laten uitvechten en toen erkend, dat de brochure wel zijn eigen denkbeelden weergaf, maar dat het slot ervan gekkenwerk was; toch zou hij zijn broeder ten slotte nog hebben gehandhaafd, indien Moreau zich niet ernstig was komen beklagen over de beleediging het leger door Lucien aangedaan en wanneer niet reeds lang tal van feiten hadden bewezen, dat Lucien zijn vriendjes den baas liet spelen op zijn ministerie om te stelen en te rooven naar hartelust. Ook Joséphine had een handje helpen duwen; doodsbenauwd voor dat herediteitsbeginsel, zoo zwanger van monarchale ideeën, terwijl ondanks alle badkuren en kunstmiddelen van dokter Corvisart van een zwangerschap voor haar geen sprake meer was en een echtscheiding haar dus stond te wachten, had zij zich bij Bonaparte op schoot gezet en had hem haar en wangen gestreeld. “Toe Bonaparte, maak je niet tot koning; die gemeene Lucien drijft je er toe, doch laat hem praten.”

Na een zeer heftig en pijnlijk tooneel tusschen de twee broeders, had Lucien daarop als minister zijn ontslag gekregen, was op een kolossaal tractement, met de kans op een aantal millioenen in de toekomst, benoemd tot gezant te Madrid. (7 November 1800.)

Fouché was Lucien dus vijandig. Het vraagstuk van een opvolger had Bonaparte daarop zelf wat meer van nabij bezien. Dat hij het recht moest hebben zijn opvolger te benoemen, stond dadelijk bij hem vast; hij schoof Jozef als te achteloos en voor zaken ongeschikt op zijde, Lucien den opposant en antimilitarist eveneens en vestigde de oogen op Louis. “Deze bezat niet één der gebreken van zijn broers, doch wel al hun goede hoedanigheden,” meende hij. Die zou hem dus opvolgen.

Eerlijk, oprecht en vol plichtsgevoel was Louis zeker, maar overigens had Bonaparte bezwaarlijk een slechter keuze kunnen doen, want diezelfde steeds zwijgende, droefgeestige jonkman met zijn onbeduidend gezicht, fletse oogen en sterke neiging tot afzondering, was niet alleen ziek, maar verborg onder dit ziekelijke uiterlijk een groote mate van jaloersche eigenliefde en een onstandvastigheid, die hem ongeschikt maakten voor eenige regelmaat in zijn bestaan, terwijl lichte aanvallen van vervolgingswaanzin hem nu en dan voerden tot daden, die verrassend valsch en dubbelzinnig ook in de oogen van anderen, door hem zelf in vollen ernst onberispelijk werden geacht.

Van dezen geestestoestand kende Bonaparte niets; meenende dat Louis’ melancholie en sentimenteele begrippen (een gevolg van zijn ziekte) voortsproten uit invloeden van buiten, dat hij dus een tijdlang in een andere omgeving verkeeren, reizen moest, in één woord “ontbolsterd” worden; hij zond hem dus naar Duitschland.

Joséphine, die Louis evenmin begreep, wist nauwelijks wat haar man voornemens was, of haar plan, dat Louis met haar dochter zou trouwen, stond onherroepelijk bij haar vast. Dan kon er van echtscheiding geen sprake meer zijn.

Hortense was ruim zestien en niet mooi maar zeer bevallig; zij danste uitmuntend, teekende, zong, speelde piano en harp, deed aan belletrie en was, zoolang ze niet ruw of norsch werd bejegend, zachtaardig en meegaande; daarbij was zij nog altoos even doodelijk van haar moeder van wie ze niet één harer gebreken zag. Om deze reden hield ze niet van haar stiefvader. Iedereen zei, dat hij een groot veldheer was en een even talentvol administrateur als geniaal bewindvoerder, dus moest zij dit wel gelooven; misschien bewonderde zij hem hierin ook wel, doch in den dagelijkschen omgang was hij vaak grof, somtijds ongemanierd en altijd despotisch; hij bracht haar moeder aan ’t schreien, moest altijd op zijn wenken worden bediend en liet iemand zelfs in zijn slaapkamer niet met rust; zoodoende gevoelde zij voor hem niet de minste sympathie en was ze zelfs bang voor haar stiefvader.

Door haar huwelijk met hem had haar moeder in haar oog een mésalliance begaan; voor haar, de dochter van een der aanzienlijkste edellieden van Frankrijk, die het leven had gelaten voor zijn vorst, was slechts een wettige regeering denkbaar, die der Bourbons; ook al door de bij madame Campan ontvangen opvoeding gevoelde zij zich het beste thuis in de salons van den ouden adel.

Een paar aanzoeken om haar hand had zij reeds afgewezen; een poging van Duroc had evenmin succes gehad. Van ’t geen Joséphine over haar had besloten, vernam zij voorloopig niets.

Terwijl Bonaparte de eerste dagen van 1801 o. a. bezigde met het zoeken naar een plaatsvervanger voor Fouché, Joséphine haar plannen met Louis begon uit te werken, Elisa, Jozef en Lucien met hun aanhang niets onbeproefd lieten om Fouché ten val te brengen, was deze zelf onafgebroken bezig met het zoeken naar het bewijs, dat niet de Jacobijnen, maar de royalisten den aanslag van de rue St. Nicaise hadden gepleegd. Was eenmaal dit bewijs geleverd, dan zou al het geïntrigeer van de familie en de royalisten in den Raad van State tegen hem met één slag den nek zijn gebroken. Hij vond het. Den laatsten Januari bracht hij het zelf naar Malmaison; niet alleen Carbon en Saint-Rejan de hoofdschuldigen, had hij in handen, zelfs den brief, waarin deze laatste aan Cadoudal zijn diep leedwezen betuigde, dat de aanslag was mislukt.

Hij zegepraalde; zijn aanvallers zwegen. Door Bonaparte werd hij als minister van Politie gehandhaafd. Wel ging hier en daar een stem op, dat hij honderd dertig zijner makkers van voorheen, zonder verzet had laten verbannen, doch de eigenaar van die stem vergat, dat Frankrijk in die dagen nog een Augiasstal was, waarin een ferme zwaai met den bezem geen weelde was. Juist dit zuiveringsproces heeft ten gevolge gehad, dat Bonaparte zich twee jaar achtereen ongestoord heeft kunnen wijden aan zijn taak, Frankrijk weder te maken tot een mogendheid van den eersten rang. Een nieuwe stap in deze richting was het sluiten eener overeenkomst met den paus tot herstel van de roomsch-katholieke kerk in Frankrijk. Het overleg tusschen Bernier en kardinaal Spina had vruchten gedragen. Na langdurig gehaspel was ’s pausen raadsman, de even sluwe als hebzuchtige, doch oogenschijnlijk zeer eenvoudige kardinaal Consalvi naar Parijs gekomen om met Bonaparte persoonlijk te onderhandelen en kreeg van dezen kort en bondig te verstaan, dat hij slechts enkele dagen tijd had om tot een besluit te komen en dat, deze periode verstreken, de betrekkingen met Rome onherroepelijk zouden worden afgebroken.

Dit hielp. Den 15en Juli 1801 kwam het verdrag tot stand, dat onder den naam van Concordaat de verhouding regelde tusschen Kerk en Staat. De Republiek werd hierbij verdeeld in tien aartsbisdommen en vijftig bisdommen; een bezoldiging van staatswege trad in de plaats van het voormalige grondbezit der geestelijkheid. Het gouvernement oefende toezicht uit over den eeredienst en benoemde de aartsbisschoppen en bisschoppen; uitsluitend van den paus ontvingen die dan de wijding.

Een staatskerk werd de roomsch-katholieke niet; hiermede zou aan de aanspraken der andere eerediensten zijn te kort gedaan; dit zou in strijd geweest zijn met de republikeinsche beginselen van gelijke rechten voor allen. Ook van een schifting tusschen beëedigde of constitutioneele, niet beëedigde of aan Rome trouw gebleven en gehuwde geestelijken had de Eerste Consul niet willen hooren, hij had de vorming geëischt van een volslagen nieuwe geestelijke instelling, die aan alle scheuring en verdeeldheid een einde maakte en die de wijze en eerbiedwaardige priesters van alle partijen zonder onderscheid samenbracht in één lichaam. Persoonlijk had hij zich met zijn collega’s bereid verklaard de mis bij te wonen; verder had hij zich tot niets willen verbinden.

Voor den inwendigen toestand van het land was de vrede van Lunéville een zegen geweest; een deel der troepen kon nu gebezigd worden tot verdelging der talrijke rooverbenden, die bijna alle wegen onveilig maakten en het vrije verkeer en hiermede den binnenlandschen handel ernstig bedreigden; fondsen waren vrij gevallen, die thans in werken des vredes o. a. voor het afdoende herstel der wegen—alleen in 1802 acht en twintig millioen francs—een bestemming vonden. Thans kon ook gezorgd worden voor het blijvend voortbestaan van de prachtige bosschen, die de laatste tien jaren verwaarloosd en slecht beheerd, van de bijl der houtdieven alom de sporen droegen. Bij duizenden keerden de ontslagen soldaten naar hun haardsteden terug; de landbouw herleefde hierdoor geheel, vooral nu het wild, als herten en wilde zwijnen grootendeels was uitgeroeid. In het zuiden begon het aantal zijdeweverijen, tijdens de omwenteling tot twee duizend ingekrompen, reeds te klimmen naar de zeven duizend. In één jaar steeg het cijfer van invoer van 325 op 417 millioen francs. Ongekend, reusachtig was het door den Eersten Consul thans reeds bereikte resultaat; toch rustte hij niet. Wanneer rustte die man ooit! Frankrijk had zoo goed als al zijn koloniën verloren; wilde het ook als koloniale mogendheid zijn vroegere plaats hernemen, dan moest ook in die richting met alle kracht gewerkt worden.

Reeds was de koning van Spanje bereid gevonden de provincie Louisiana, eenmaal een Fransche kolonie, aan de golf van Mexico, aan de Republiek af te staan; dan werden toebereidselen gemaakt om het zoo kostbare eiland Sint Domingo terug te winnen, dat zich tijdens de Constituante onder den neger generaal Toussaint-Louverture onafhankelijk verklaard had; voorts stelde Bonaparte alles in het werk om het nu reeds zooveel maanden lang aan zich zelf overgelaten leger in Egypte te hulp te komen. In de haven van Brest werd hiertoe een eskader uitgerust; in Italië een legerkorps van 17000 man bijeengebracht om te Otranto scheep te gaan, maar terwijl de groote man op ieder ander gebied de zege weg droeg, op dat zijner koloniale politiek zag hij de fortuin voortdurend tegen zich gekeerd.

Verschillende factoren werkten hiertoe samen. In de eerste plaats stond hij, de heerscher over millioenen menschen volslagen machteloos tegenover de elementen, n.l. den wind en de zee; dan verkeerde zijn marine nog in een tijdperk van wording, had hij zijn vlagofficieren, eenmaal in volle zee, niet meer onder zijn rechtstreeksche bevelen en waren verscheidene van die heeren, hoe dapper overigens ook, niet berekend voor de taak, die hij hun opdroeg; eindelijk voerde Engeland met zijn geweldige vloot bijna onbeperkt heerschappij op den oceaan.

In de nu volgende twintig jaren heeft dit eilandenrijk op Napoleons leven, denken en handelen zulk een reusachtigen invloed uitgeoefend, dat hierbij eenige oogenblikken langer dient te worden stilgestaan.

← Back to Napoleon

Scroll to Top