Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks

Multatuli / Onze groote schrijvers, deel 2

by Jeanette van den Bergh van Eysinga-Elias

9 of 14 · Contents · Download EPUB

Het tweede Huwelijk

Meer en meer gaat Multatuli inzien, dat Indië alleen gered kan worden, door Nederland te redden van den leugen. Hij roept, wie nog niet heelemaal zijn verleugend, op tot den strijd, tot het streven naar waarheid. Indië geraakt eenigszins op den achtergrond en “de naam Insulinde representeert voortaan (zijn) algemeen streven, als Nasareth het Christus-idee.”

In het politieke en het maatschappelijke leven, in zeden, opvoeding en godsdienst zal hij den leugen aantoonen. Hij trekt te velde tegen Droogstoppelarij in alle beteekenissen: d. i. “tegen al wat op zedelijk, maatschappelijk en staatkundig gebied klein, gemeen, bekrompen of benauwd is.” (I. 403.)

Zijn levensomstandigheden blijven even onzeker; feitelijk heeft hij vanaf 1860 van zijn pen geleefd, later ook van ’t geven van voordrachten, maar eerst tegen 1870 laat hij alle hoop op herstel zijner carrière varen en neemt ’t besluit schrijver te worden. Verscheiden geestverwanten steunen hem met grooter of kleiner bedragen. Maar ’t is een bodemlooze put: het impulsief “weldoen” kan hij nooit laten, als hij geld op zak heeft; zijn verblijf in hotels kost schatten, en met de uiterste zuinigheid kan Tine niet uit de schulden blijven. Zijn hoop is eerst gevestigd geweest op een nationale inschrijving ten bate van Max Havelaar, op pogingen om hem over zijn 17 dienstjaren pensioen te verleenen, maar er gebeurt niets. Als zijn Ideën opgang maken biedt hij zijn portret in 500 exemplaren voor ƒ 10 of ƒ 50 (met autograaph) te koop aan, om met die som ter verwerkelijking zijner plannen een tijdschrift op te richten: de geestverwanten laten hem in den steek.

Af en toe blijft hij enkele weken, een enkelen keer langer tijd bij zijn gezin in Brussel. In den zomer van 1864 schieten een paar leden van de “Dageraad”, voor wie hij soms optrad, belangeloos eenige kamertjes voor hem af op den zolder van zijn uitgever. Daar woont hij anderhalf jaar, tot hij naar Duitschland vlucht, omdat hij tot boete en gevangenisstraf veroordeeld was: hij had n.l. een schouwburgbezoeker, die een actrice in tegenwoordigheid van haar kind bespotte, een oorvijg toegediend! Als Tine hare wissels onmogelijk kan voldoen, vlucht ze naar Amsterdam, naar de verlaten zolderkamertjes van haar man en in een restaurant in de buurt bezorgde Dekker zijn vrouw en kind het middagmaal op crediet.

In 1862 was hij begonnen aan de uitgave zijner Ideën; naar aanleiding hiervan kwam hij in briefwisseling met Mimi Hamminck Schepel, een zeer begaafd meisje uit een deftige, behoudende, Haagsche familie. Minnebrieven en Ideën werden er niet geduld: van een vriendin kreeg ze deze boeken te leen. Ze werd meegesleept en bezield door Multatuli’s strijd voor waarheid en recht: de troosteloosheid van de geschiedenissen van gezag, het tragische van het martelaarschap grepen haar aan, maar haar jeugdige geestdrift zette het leed om ’t onrecht om in bezielden moed. Haar begrijpend en meelevend enthousiasme zijn voor den verkondiger der Ideën, een heerlijken troost en steun geweest in zijn moeilijk leven. Heel spoedig groeit deze vriendschap, uit geestverwantschap geboren, tot liefde: inniger en bestendiger is deze liefde geworden, dan die voor Sietske en anderen. En Mimi heeft een zwaren, moeilijken strijd te voeren gehad tusschen haar tot liefde ontbloeide vereering voor Multatuli en haar plicht en liefde jegens hare ouders. Deze kúnnen zich in de romantische liefdesopvattingen niet indenken, nog minder invoelen. D. D. stelt Tine steeds voor als de alles begrijpende, meevoelende vrouw; hij spoort Mimi aan hare liefde aan zijn vrouw te bekennen. En om haar man tegen praatjes, als zou zij een ongelukkige, verlaten vrouw zijn, te verdedigen, reist zij met haar kinderen naar Den Haag om Mimi’s ouders gerust te stellen; ’t is haar gelukt, schrijft ze aan een vriendin, die familie het nobele karakter van D. D. te doen begrijpen, en ze ervan te overtuigen, dat het hooge enthousiasme van hun dochter wèl geplaatst was. Ze voelt zich gelukkig anderen gelukkig te hebben kunnen maken en zelf was ze beloond, doordat haar man over haar tevreden was. Na den dood harer moeder gaat Mimi naar ’t buitenland, later is ze onderwijzeres aan de Arnhemsche kweekschool; ter wille van haren vader mijdt ze D. D. Maar als deze armer en verlatener dan ooit in Duitschland rondzwerft gaat ze naar hem toe, om tot het einde toe met en voor hem te leven. En terwijl Mimi zijn tweede vrouw is, blijft hij naar Tine en de kinderen verlangen: en dat is geen “literatuur”, in zijn romantische liefdesverhoudingen is hij oprecht, ja hij suggereert zich zelfs, dat ook Tine hierin met hem meevoelt. Dit nu is het tragische, dat Tine wel gepoogd heeft hem te waarschuwen, maar ten slotte nooit krachtig hare opvatting heeft gesteld tegenover de zijne: ze wilde den prikkelbaren man sparen, ze wil als vrouw van een genie alles offeren; ze weet zich als weinig vrouwen bemind, en ze verwijt zich soms, dat ze zich niet genoeg verheffen kan tot zijn hoogheid van ziel. Toen hij altijd bij haar was kon ze alle moeilijkheden dragen, maar in hare eenzaamheid overmant haar de melancholie. Haar grooten troost vindt ze in de kinderen en in hare vriendschap voor Stéphanie, die ze als jong meisje te Brussel leerde kennen. Stéphanie was in den vollen zin des woords Tine’s Fancy!

Maar de romantische liefdesverhoudingen keurt ze af, ze kan er zich niet mee vereenigen. Als ze weet dat Mimi bij haar man is, neemt ze het besluit te trachten voor zich en de kinderen te zorgen: ze vraagt hulp aan vrienden om naar Indië te gaan.

De pogingen van Van Vloten e.a. om haar aan een vast inkomen te helpen, mislukken. Dan komt de uitnoodiging van Stéphanie, die met professor Omboni gehuwd is, om in Italië te komen, als een uitredding. Door eigen arbeid als gezelschapsdame, later als onderwijzeres, heeft Tine met hulp van vrienden voor zich zelve en de kinderen gezorgd. D. D. doet ook wat hij kan en eindelijk, in 1869, is er hoop op hereeniging van het gezin. Door een erfenis is Mimi in staat in Den Haag een huis in te richten: en daar neemt het gezin met Mimi hun intrek. Door journalistieken arbeid was D. D. van een bescheiden vast inkomen verzekerd.

Uit Tine’s brieven aan Stéphanie blijkt het, dat dit jaar in Den Haag haar alle illusies heeft benomen: de kinderen blijken van hun vader vervreemd, die toch zoo veel van ze houdt. Ze is niet op haar gemak: “waar alles onnatuurlijk is, ben ik niet mezelf”, de verhoudingen zijn allerverwardst en pijnlijk voor haar, want haar hart veroudert niet. Ze bekent aan hare vriendin, dat ze Italië niet had moeten verlaten. Als D. D. met Mimi voor eenige weken naar Duitschland is gegaan, reist ze met de kinderen naar Milaan. Haar kinderen ontwikkelen zich voorspoedig, haar zoon krijgt een betrekking in Venetië, waar ze bij hem woont: en hier is ze, verzwakt door al het leed en de ontbering, in 1874 gestorven.

Onder de definitieve scheiding van Tine en zijn kinderen heeft D. D. blijvend geleden. Doordat hij zijn ideaal van vrije liefde werkelijk heeft uitgeleefd, heeft hij groot leed gebracht over de vrouw, van wie hij is blijven houden zelf heeft hij de kinderen er door verloren. En de tweede vrouw, Mimi, heeft ten slotte ook geleden onder zijn telkens opvlammende nieuwe neigingen. Wat Tine voor hem is geweest in de Indische huwelijksjaren: de vrouw, die zijn materieele bestaan verzorgt en daardoor ook evenwicht brengt in zijn innerlijk leven, maar die in de eerste plaats met hem opgaat in zijn geestelijke roeping,—dat is Mimi voor hem geweest in zijn laatste twintig levensjaren.

Het ligt in den aard der omstandigheden, dat bij een vrij huwelijk de vrouw den meesten moed toont: zij breekt met maatschappelijke opvattingen, die haar veel sterker bonden dan den man. En ze deed het, niet in een eerste vlaag van dwepende vereering, maar na jarenlange gedachtenwisseling en aanvankelijke weifeling. Maar toen eens haar besluit genomen was om ondanks wet en conventie de uitspraak van haar hart te volgen heeft zij trouw en standvastig haar liefdestaak vervuld. “Ik vind uw leven het ideaal van een vrouwenleven,” schrijft haar eens een onzer eerste “geëmancipeerde” vrouwen! Zij weet in zijn rusteloos bohêmeleven weer eenige rust en huiselijkheid te brengen: logementen, waar hij anders maanden kon blijven hangen, heeten nu de pest in zijn brieven en hij eet voor weinig geld eigenlijk beter dan in een logement: op spiritus kookt Mimi hun potje! Met vertalen en journalistiek werk tracht ze ook wat te verdienen. En dat sobere, werkzame leven wordt overstraald door een geluk, dat ze aldus heeft beschreven: “Ja, we waren zeer arm in Coblenz; maar in weerwil van die armoede is de indruk die mij uit dien tijd is overgebleven een indruk van rijkdom en heerlijkheid. We woonden er in één kamer in de Rheinstrasse boven een banketbakker, Werner. De kamer was vriendelijk en zindelijk maar uiterst eenvoudig ingericht. We hadden haar gehuurd voor zes thaler ’s maands. Maar op dat kanapétje aan die wrakke tafel zat hij... Multatuli. Zijn positie was ellendig, maar dat kon niet zoo blijven. Als hij zeide: Jou althans kan niemand mij afnemen! dan was ik voldaan. Ik ook had zorg en smart, maar de grootte van zijn leed hield mij staande en maakte mij moedig. Er was iets groots in alles. We hadden ongelukken gehad en zaten daar als schipbreukelingen op een rots. Onze eenzaamheid, de schoonheid der natuur, de groote geschiedenis die wij zagen afspelen als een boeiend drama, ’t was alles aangrijpend. En dan met hem! Als uit een eeuwig frissche fontein zoo welden zijn opmerkingen, beschouwingen, boutades uit zijn hoofd, uit zijn hart. Zij kleurden en verlevendigden voor mij de gebeurtenissen die reeds uit zich zelf zoo merkwaardig en ook in de zijdelingsche lichten waarin wij ze zagen zoo pikant en bijzonder waren.” (Brieven VII, 103–104).

Een jaar na Tine’s overlijden is het tweede huwelijk gesloten: een bewuste concessie aan het verachte publiek, en een verstandige daad ter wille van de twintig jaar jongere tweede vrouw, die al bijna een tiental jaren zijn leven gedeeld had. Zelf noemt hij het “een verdrietige noodzakelijkheid, omdat we niet onafhankelijk zijn van de wereld.”

Al heeft D. D. de laatste 20 jaar van zijn leven in Duitschland geleefd, toch bleef hij in geregeld contact met Holland. Een enkele maal tracht hij invloed uit te oefenen op de politiek; in 1867 “weert (hij) zich als een oud konijn” om het ministerie te laten vallen, maar in hoofdzaak tracht hij invloed te oefenen op den geest van zijn volk. Verschillende vrienden zijn hem bijgevallen. Vosmaer is vol bewondering en sympathie, met Van Vloten (die hem later bitter zal grieven met zijn “Onkruid onder de tarwe”, een scherpe kritiek op D. D. als mensch en schrijver), Busken Huet, Tiele, den Vlaming De Geyter, met Mina Krüseman e. a. is hij in schriftelijk verkeer.

Tusschen 1866–1869 bezorgde Huet hem een vast medewerkerschap aan de Opregte Haarlemmer Courant: hij moest geregeld “kleurlooze” berichten geven. Om eigen beschouwingen toch te kunnen plaatsen, gaf hij deze als citaten uit een door hem gefingeerd blad de Mainzer Beobachter. Toen dit den uitgever ter oore kwam, hield zijn medewerking op. In verschillende bladen heeft hij bijdragen en feuilletons gegeven; zoo verschenen De Japansche gesprekken, De Millioenenstudiën: maar de lezers ergerden zich of begrepen het niet, zoodat de redacties voortzetting niet aandurfden.

De vriendschappelijke relatie sedert 1871 met den uitgever Funke is zoowel aan zijn werk als aan zijn financiën ten goede gekomen. Wel was d’Ablaing, de eerste uitgever van de twee eerste bundels Ideën een vriend en geestverwant, maar hij kon D. D. financieel niet genoeg steunen, omdat hij zelf herhaaldelijk krap zat; zoo moest hij op honorarium wachten, of kon geen voorschot krijgen, dat onmisbaar was, om aan ’t werk te kunnen komen. De verstandhouding met d’Ablaing, die zoowel voor den schrijver als voor zichzelf voordeel beoogde uit diens Ideën, leed hieronder: ’t liep uit op wederzijdsche beschuldigingen en verwijdering.

Funke daarentegen verlichtte door voorschotten en ruime honoraria de geldzorgen, en verschafte D. D. “loisir” om te schrijven. Hij waardeerde hem niet alleen als schrijver, maar wist ook zijn eigenaardigheden te eerbiedigen. Zoo verschenen tusschen 1871 en 1877 herdrukken met aanteekeningen van de twee eerste bundels Ideën, die in 1862 en 1864 waren verschenen. Tusschen 1870 en 1873 kwamen daar nog bundel III–VI bij; bundel VII werd onderbroken door de zenuwspanning na Tine’s overlijden en kwam eerst drie jaar later gereed.

D. D. bleef in Duitschland wonen; eerst te Wiesbaden, na 1880 te Nieder-Ingelheim waar de vader van hun pleegkind Wouter ze in staat stelde een huisje te koopen. Hier sleet hij zijne laatste, nu zoo rustige levensjaren en overleed er den 19den Februari 1887. Ook door de bemoeiingen van de aanbieders van het Huldeblijk waren de financiëele zorgen verlicht. Een som van ƒ 20.000 werd bijeengebracht en daarvoor werden lijfrenten voor D. D. en zijn vrouw gekocht. Ook dit bewijs van Hollandsche waardeering heeft den grooten man bitter gestemd bij alle dankbaarheid aan warme vrienden. “Het is die armzalige taxatie die me grieft.—Ik ben wel voor een millioen uitgescholden aan den eenen kant en voor even zoo veel in de hoogte gestoken aan den anderen kant. Vrome tijdschriften verklaren dat ik God onttroond heb.—Ik heb nu ’t zelfde inkomen als toen ik 43 jaar geleden als negentienjarig jongetje klerk bij de algemeene Rekenkamer te Batavia was.—We weten nu wat toejuiching, opgang en Godonttroonen in Holland waard is!” (Brieven X. 192–193).

TER VERSPREIDING.

AAN DE LEZERS MIJNER IDEËN.

Weldra zal de Zegelwet worden afgeschaft. Ik wenste daarvan gebruik te maken, om, door het uitgeven van een Dagblad, meer algemeen ingang te verschaffen aan de denkbeelden welke, naar ik hoop, iets zullen bijdragen tot genezing van ’t “Contagium dat er heerst in onzen staat.”

Ik beroep mij hieromtrent op wat ik schreef, en aantoonde, in den Havelaar, in de Minnebrieven, in den Vrij-Arbeid, in de Ideën.

Om een Dagblad optezetten, heb ik geld nodig, en wel een aanzienlijke som. Het zou mij onmogelijk zijn, in een dagelijkse Courant te verdedigen wat ik voor waarheid houd, zonder zekere maat van onafhankelijkheid, en die onafhankelijkheid gaat verloren, als het finantiëel gedeelte van zodanige onderneming in handen is van geldschieters.

Zulke afhankelijkheid is een der hoofdoorzaken waardoor onze Couranten zijn... zo-als ze zijn.

Dagelijks ontvang ik brieven van belangstellende personen, die mij vragen op welke wijze men mij blijken geven kan, hetzij van sympathie mot mijn moeielijk verleden, hetzij van belangstelling in mijn persoon en tegenwoordigen arbeid, hetzij van deelneming in mijn streven voor de toekomst.

Ziet-hier nu een antwoord op die vragen. Ik heb mijn portret laten vervaardigen, en verzoek U dat te kopen tegen hogen prijs. De som die ik zal nodig hebben om te geraken tot betrekkelijke onafhankelijkheid, is groot; vooral daar ik sedert jaren gebukt ga onder allerlei moeielijkheden, die niet kunnen worden weggenomen door mijn aandeel in de opbrengst der Ideën, al is dan ook, voor Holland, de opgang van mijn geschrijf buitengewoon.

Ik zal elk Exemplaar mijner portretten tekenen met een spreuk of ’n gezegde uit mijn werken; wie dus ongaarne een te hogen prijs betaalt voor mijn afbeeldsel, betale die voor mijn autograaf Of liever, men beschouwe z’n uitgaaf ala een bijdrage tot de betrekkelijke onafhankelijkheid, waartoe ik langs dezen weg geraken wil.

Wie, om een der genoemde redenen, een portret van mij verlangt, wordt uitgenodigd, in postwissel of aangetekenden brief, tien of vijftig Gulden te zenden aan mijnen Uitgever, de firma B. C. MEIJER, Kalverstraat 246, Amsterdam.

Voor tien Gulden zal een STEENDRUK-EXEMPLAAR worden gezonden; voor vijftig, een PHOTOGRAFIE, beiden goed uitgevoerd, (door Mitkiewicz te Brussel.)

Ik voel mij verpligt hier uitdrukkelijk te verklaren, dat ik mij niet kan verbinden tot het uitvoeren van mijn plan, als ik daartoe niet word in staat gesteld door vrij algeméne deelname. Zonder volkomen onafhankelijkheid—en wat rust!—kan ik geen Courant uitgeven. De welwillende bestellers van mijn portret zouden in dat geval bun uitgaaf moeten beschouwen als een blijk van sympathie voor mijn persoon, of van enige ingenomenheid met mijn werk.

En—in verband met ontstentenis van behoorlijke wetten tegen namaak—ik verzoek ieder geen portretten van mij te kopen waarop mijn handschrift niet staat.

Duur?... Och, aan niemand kan deze zaak zo-veel kosten, als ze mij kost!
MULTATULI.
Aan de
Firma R. C. MEIJER.
Amsterdam.
Mijnheer: Ik verzoek U mij te doen geworden:
Een Steendruk-Exemplaar / Photografie-Exemplaar van het Portret van MULTATULI.
waarvoor hierin gesloten Tien / Vijftig Gulden.
Handteekening:
Naam:
Woonplaats:

(Wordt verzocht het niet begeerde, of niet gezondene, door te halen, en Naam en Woonplaats duidelijk te schrijven).

Prospectus voor den verkoop van MULTATULI’S portret, waardoor hij de middelen hoopte te vinden om een Dagblad te kunnen oprichten, 1865.

← Back to Multatuli / Onze groote schrijvers, deel 2

Scroll to Top