Verlof in Holland
Vol illusies gaan Dekker en zijn vrouw op reis naar Holland. Zij hadden eenige duizenden bespaard, zoodat ze met het verlofstractement schijnbaar een onbezorgden tijd tegemoet gingen.
Geliefde betrekkingen hadden zij niet in Holland: Dekkers ouders en zijn oudste zuster waren overleden, eveneens zijn boezemvriend Des Amorie van der Hoeven. Maar toch gaat zijn verlangen naar Holland uit, hij heeft er graven te bezoeken. Hij wil zich vrij kunnen bewegen in Holland. Hij wil er genieten. In Menado heeft hij eens geschreven:
“Ik wil namelijk in Holland:
“Haring eten, één kwartier na ’t inrijden van de eerste kar. Boerekool eten, als het goed koud is. Maar er moet meer zijn, iets meer zijn dan voor mij alleen: ik ben geen groote eter. Mijn knecht moet ieder binnenroepen, die er uitziet als ware hem boerekool welkom.
“Naar de kermis gaan en op mijn gemak in eene poffertjeskraam zitten, om de jongens te zien eten die ik binnen zou roepen.
“Alle arme kinderen in Europa, laat ik St. Nicolaas houden. Ieder krijgt zijn naam in letterbanket “en wat daarnevens past”, zooals Tollens zegt. Ik wil mij laten kiezen voor de Tweede Kamer.
“Den Rodolphe uithangen, min het boksen. O, die Sue, die dief! ’t Is waar, in ’t schrijven is hij mij vóórgeweest, maar ook alleen in ’t schrijven.
“Ben ik klaar met de weinige armen, die in Europa verscholen zijn gebleven voor de Argusoogen der Christelijke liefdadigheid, dan laat ik in Den Haag de Opera spelen voor mij alleen. Maar ’t moet op de affiches staan dat het voor mij is.”
En daarom leeft hij zuinig, om in dien verlofstijd de droomen van zijn jonge jaren in werkelijkheid te beleven. En dan is er nog iets: in Holland hoopt hij zekerheid te krijgen of hij voor iets in staat is of niet. Nu lijdt hij onder gedurigen twijfel en dat beneemt hem de kracht om door te zetten: want met schrijven hoopt hij naam te maken.
En zoo gaat hij met gespannen verwachtingen op reis: de eerste teleurstelling baart St. Helena, waar hij, vurig vereerder van Napoleon, Longwood bezoekt: “alles misselijke teleurstelling” schrijft hij in zijn aanteekeningboekje en voegt er mismoedig aan toe: “Poëzie in eeuwigdurenden strijd met proza. Die strijd is ongelijk, want poëzie is overal kwetsbaar zelfs zonder dat proza het zoo bedoelt.”
Met Kerstmis overnachten ze te Hellevoetsluis, daarna trekken ze naar Den Haag en Amsterdam. Een vroolijk, zorgeloos leven begint nu: D. onthaalt weeskinderen in een buitentuin te Amsterdam op lekkers en speelgoed, als hij daar een dag is met de kinderen zijner overleden zuster. “De assistent-resident met verlof maakte dien dag den indruk van een verkleeden prins uit een tooversprookje,” schrijft zijn nichtje Sietske jaren later als zij de herinneringen aan haren beroemden oom op schrift stelt.
D. maakt door den verloofde van Everdine’s nichtje kennis met een kring Leidsche studenten, wat aanleiding geeft tot het over en weer geven van feestjes. Hij beleeft vermakelijke avonturen met een vriend uit Natal, die per advertentie aan een vrouw wil komen, en schaakt een meisje om een anderen vriend gelukkig te maken. In het belang zijner gezondheid gaat hij een reisje naar België en Frankrijk ondernemen, maar hij blijft hangen in Spa: hier speelt hij en verliest wat hij nog heeft.
In 1855 reist hij weer naar een speelbank: nu naar Homburg. In zijn brieven aan zijn vrouw beschrijft hij zijn reisavonturen: zijn reis-amouretjes biecht hij eerlijk op, een ervan begint met een kennismaking door middel van vrijmetselaarsteekenen in een spoorwegcoupé (in zijn verloftijd had D. zich bij een loge aangesloten), daarna gaan ze samen in het posthuis eten. “Zij zag er goed uit. Ik was, in weerwil van mijn toestand, altijd ik. Onze kniëen en handen raakten elkaar. In Duitschland is eene romantische atmospheer... zie uwe plaatjes... enfin, in weerwil van alle weerwillen: het was zoo.” En als hij zijn avontuur nog verder verteld heeft, raadt hij Everdine’s gedachten en besluit: “Nu denk je dat het een gemeen meisje was, nietwaar? Neen, geloof me. Dat woord eer en deugd in den gewonen zin genomen, ik hecht daaraan als je weet niet zoo veel.” We zien hier la nouvelle morale en action.
Terwijl hij zelf al op zwart zaad zit blijft hij arme zielen in nood spontaan helpen. Een staaltje daarvan schetst hij in zijne ontmoeting met arme muzikanten: “Ik heb uitgaande en zelfs thuiskomende nog van mijn armoedje hulp verleend, en het was mij een bitter genoegen daarbij als het ware tot God te zeggen: Zie, hoe ik handel. O ’t is wreed!”1
Nog geen jaar is hij in Holland of de geldzorgen beginnen te nijpen, en dit is te erger, daar ze dan juist de geboorte van hun eerste kindje verwachten. De minister geeft 3 maanden voorschot op zijn tractement, maar telkens herhaalt zich de misère. Inplaats van in 1854 naar Indië terug te gaan tracht hij telkens uitstel te krijgen: eerst om zijn eigen gezondheid, later om een ziekte van zijn kind. Hij lijdt aan zwaarmoedigheid, aan “een hoogen graad van melancholie en ongeregelde werking van hersenen en ruggemerg volgens medische verklaring.” De kwaal waarom hij in Indië verlof kreeg is in Holland verergerd. Het geregelde ambtenaarsleven was voor zijn gestel beter, dan een verloftijd vol spannende avonturen en nijpende zorgen. Daarbij kwamen verschillende teleurstellingen.
Hij had gehoopt een fortuin van dertig mille dat aan zijne vrouw zou toekomen te bemachtigen. En in de weken van zijn omgang met Leidsche studenten was het zijn illusie daarvan te Leiden te gaan studeeren om doctor in de Nederlandsche Letteren te worden. Hij gaat naar zijn vriend, den uitgever Kruseman te Haarlem, om dezen te raadplegen over de kans om als schrijver in Holland te kunnen leven. “Mijn hoofddoel was van hem te weten te komen of ik talent had uit het oogpunt van een boekhandelaar. Hij begrijpt dat ik dit weten moet. De toejuiching van een tafelvriend etc. beduidt niets, maar een boekhandelaar moet de waarde van het talent als koopman kunnen schatten. Hij moet kunnen weten of er door de natie geld voor gegeven zal worden, want zonder dat loopt alles spaak. Ofschoon zijn oordeel niet decisief was, beschouw ik toch zijn oordeel over het geheel als gunstig. Decisief kan het antwoord niet zijn, want 1º. had hij van mij geene proeven genoeg en 2º. is alle litterarische succes een dobbelspel vooral van een debutant. ‘De eerlooze’ scheen hij wel mooi te vinden. Waarschijnlijk zal dat stuk niet gespeeld kunnen worden omdat... er in Holland geen goede acteurs zijn”.
Als zijne pogingen om een erfenis te bemachtigen, om als schrijver van zijn pen te leven, om aan de speelbank het onmisbare geld te bemachtigen—als dat alles mislukt is, neemt hij eindelijk passage naar Indië, nadat hij weer de noodige voorschotten heeft opgenomen.
Zoo komt hij einde 1855 in Batavia aan. Zijn verlof heeft zijn zenuwgestel verder ondermijnd, zijn illusies zijn niet vervuld, en hij steekt diep in de schuld!
Notes
1 Brieven II: 141–146.