Better Gutenberg
Free, beautifully formatted public-domain ebooks

Multatuli / Onze groote schrijvers, deel 2

by Jeanette van den Bergh van Eysinga-Elias

8 of 14 · Contents · Download EPUB

De Minnebrieven

Door de drukte en opwinding over zijn zaak is hij zelden in de stemming om te schrijven. Op aandrang van redacties en uitgevers geeft hij enkele stukjes in de Tijdspiegel; zijne Indrukken van den dag verschijnen bij Thieme; op aandringen zijner politieke vrienden schrijft hij enkele krantenartikels en een Rotterdamsch uitgever weet hem te bewegen een stuk te schrijven ten bate van de slachtoffers van een banjir. In deze bladzijden, getiteld: “Wijs mij de plaats, waar ik gezaaid heb” tracht hij met statistische tabellen den Hollanders aan het verstand te brengen, welk groot belang zij bij Indië hebben; maar vooral wil hij de Hollandsche harten tot ontferming bewegen door een ontroerend beeld van het lijden van den inlander. Evenals Saïdjah’s geschiedenis is ook de inlandsche idylle van ’t feest ter eere van ’n gedooden tijger, die door den banjir zoo wreed werd verstoord, sentimenteel. Al die feestvierenden hebben hun eigen vreugdevolle verwachtingen, en die spreken ze uit in de korte zinrijke regels van hun dichtspel: ’t verlangen van de vrouw naar haar eerstgeborene, en dat van de bruid, de trots van den man op zijn klewang, op zijn snelrijdend paard; maar “sterker is de kracht van den stroom,” riep een oud man die veel banjirs beleefd had. En dan komt de banjir en alle geluk, alle verwachting wordt weggevaagd en die hoopvolle menschen worden dan geschetst als lijken, lijken die dreigen met de pest, zegt de krant. ”’t Zijn de lijken van mensen!” roept Multatuli.

Zy voelden, hoopten, vreesden, als wy. Ze hadden aanspraak op levensgeluk als wy...

Lezer, Nederlander, het waren mensen, die Javanen!

En de overblyvende, die treurig staart op de verwoeste landstreek, en vruchteloos rondschouwt naar de plaats waar hy gezaaid heeft, is ’n mens! En waar hy het lyk zoekt van z’n kind, krimpt hem het hart ineen, zoowel door de vreeze van niet te vinden wat hy zocht, als uit angst dat hy ’t vinden zal. En waar hy slaagt in z’n droevig nasporen, snydt hem de wanhoop door de ziel, zooals dat wezen zou by Uzelf, lezers! wanneer gy ’t lyk vond van uw kind, van uw bruid, van uwe moeder...

Die Javaan, is ’n mens, lezer!”

Een beroep op ’t menschelijk medegevoel is deze idylle, maar in de vrees, dat dit niet verstaan zou worden, besluit hij met een beroep op het welbegrepen belang van den Hollander bij een dankbare gezindheid van den inlander.

“De lyken daarginder zullen worden weggenomen. De lieve ryke natuur zal met haar groen kleed alles bedekken wat bloot lag, alles versieren wat verstoord werd. Gouden halmen zullen vredig ruischen op de graven der gestorvenen. Na jaren zullen de meisjes in de dorpen byeenzitten, en gretig luisteren naar de verhalen over den banjir. De ouden van dagen zullen de ellende schetsen die ze bywoonden of vernamen van hun ouders...

Is ’t u onverschillig, Nederlanders, Christenen, beschavers, hoe het slot zal luiden van die verhalen?

Uw kleinkinderen zullen die mede aanhooren. Want de toekomst uwer kleinkinderen is in Indië. Is ’t u onverschillig hoe zy zullen hooren spreken over hun voorvaderen? Is het u om ’t even hoe gy zult genoemd worden in de pantoens van het nageslacht? Wilt ge dat er op den aanhef:

Hard is de rots die er staat aan den ingang van het dorp, een weerslag volge als deze:

Harder is ’t gemoed van den blanken broeder aan de overzyde der zee?

Wilt ge dat?

Of wilt ge dat de oude dorpspriester z’n hand zal leggen op het hoofd van uw kind, en tot hem zeggen:

Kom tot ons... zet u neder aan ons maal en neem uw deel van wat we hebben... want ik heb uw vaderen gekend!

En ten slotte, gy die zegt te weten dat er ’n onsterfelykheid is, en ’n oordeel... gy die predikt dat dit leven ’n tyd is van arbeid om te geraken tot hooger staat... gy die beweert te gelooven dat u hier ’n veld is aangewezen ter bebouwing waarop eenmaal ’n oogst zal te gaêren zyn, ryk of schraal naar de mate van uwen yver... u vraag ik of ge beschaamd wilt staan op de vraag die eens zal worden voorgelegd aan ieder Nederlander die Indië zyn eigendom noemde:

“WYS MY DE PLAATS WAAR GE GEZAAID HEBT.”

Voor de mentaliteit van ’t Nederland dier dagen is het teekenend, dat dit stukje van den armen idealist ƒ 1300 opbracht van de ƒ 11000, die ons land naar Java zond.

Dergelijke ondervindingen stemden D. D. bitter: hij vraagt zich af of zijn woord tevergeefs heeft geklonken, of Nederland evenmin recht wil doen als de Indische regeering. Door den geweldigen opgang, die zijn boek had gemaakt, had hij de stemming zoowel ten opzichte van zichzelf, als ten opzichte van den Javaan overschat.

Niet alleen de Indische regeering, ook de regeerende kringen van Nederland, ook de burgerij, die in het onrecht berust, gaat hij aanvallen. En hij verwacht veel van de jongeren en van de vrouwen. Hun gezichtskring te verruimen, hun enthousiasme tot daden op te zweepen wordt nu zijn doel. Vooral jonge meisjes ontvlammen in geestdrift voor de idealen van Multatuli: ze bieden hem haar medewerking aan in zijn strijd, zonder zich bewust te zijn, waarin die hulp zou kunnen bestaan. Multatuli aanvaardt die hulp: die aanhankelijkheid doet hem goed. Zoo ontstaan tal van vriendschappelijke verhoudingen, die in vele gevallen amoureus getint waren. Tegenover hun omgeving is het hun eerste taak Multatuli’s persoon en denkbeelden te verdedigen en als ze er toe in de gelegenheid waren hebben verscheidenen dezer vriendinnetjes hem financiëel op royale wijze bijgestaan. In den zomer van 1861 biecht hij aan Tine op dat hij vier amourettes heeft: voor zijn werk heeft hij behoefte aan jongeren, die hem met groote gehechtheid en overgave aanhangen.

Veel sympathie heeft hij gevonden bij de kinderen zijner overleden zuster. De vader en stiefmoeder maakten zich al spoedig ongerust over de enthousiaste vereering van de negentienjarige Sietske en haar broertje voor de revolutionnaire idealen van hun oom.

In den cirkelgang van ’t eentonig meisjesleven met zijn kleine plichten en benepen vooruitzichten, viel Multatuli binnen als een meteoor. En op hem heeft de geestdrift van dit jonge meisje in de opwinding en toch betrekkelijke eenzaamheid van het hotelleven een groote bekoring uitgeoefend. Zelf klaagt de negentienjarige over haar lot in deze woorden: “Na ’t zien van zoo’n tuin voel ik eerst regt hoe prozaisch mijn dagelijks bleekveldje is... och, je begrijpt me wel! Maar bekommer je daarover niet, want bij al die gêne en bekrompenheid is er iets heerlijks: ik mag denken wat ik wil, ik mag droomen wat ik wil, ik mag hopen wat ik wil, dàt kunnen ze mij niet verwijten, dat kunnen ze mij niet ontnemen. Dáárin kan niemand mij dwingen!” en later getuigt ze:... “Brieven en ’t levende woord brachten me onder een begoocheling die me bezielde met een geloof, dat bergen verzetten kon.”

Steeds enthousiaster schrijft hij aan Tine over dit nichtje: Siet is mijn oogappel, Siet inspireert me. Zij is de eenige persoon die ik gebruiken kan als hulp om te schrijven, met Siet kan ik driemaal meer voortbrengen dan alleen. Hoewel Tine reeds aan zijn “caprices” gewend was, en hoewel haar stelselmatig werd voorgehouden, dat zij boven een gewoon huwelijk verheven moest zijn, heeft deze verhouding tot Sietske haar erg gehinderd. En hij kwam in een moeilijk parket, toen ’t hoe langer hoe duidelijker werd, dat Tine niet dezelfde was als het beeld van de ideale, alles begrijpende en aanvaardende vrouw, dat hij in zijn brieven aan Ottilie, aan Sietske van haar had ontworpen. Zijn vriendinnetjes dwepen dan ook met Tine, verscheidenen hebben bij haar gelogeerd, en Sietske wil niets doen, dat Tine zou afkeuren. Hoewel vervuld van Sietske, toch blijft Tine de eerste: “Je weet heel goed dat ik dood ongelukkig zou wezen zonder jou, en je begrijpt heel goed het onderscheid tusschen eene caprice en de verhouding tusschen u en mij die oneindig inniger is,” schrijft hij haar als antwoord op een verdrietigen brief, waarin ze hem verwijt, dat Siet hoogstwaarschijnlijk meer waarde voor hem heeft dan zij. Dergelijke bezwaren vindt hij “klein en niet in harmonie met alles.” Op zijn aansporing gaat Sietske werken voor het examen voor onderwijzeres; zij moet zich ontwikkelen om hem van dienst te kunnen zijn.

Sietske heeft zich door hare akten onafhankelijk gemaakt: ze heeft werk gevonden in Engeland, later in Indië. Als ze in Amsterdam is blijft ze haar oom helpen; hare vereering bekoelt, slaat om in antipathie, en dan is haar sympathie voor Tine, die haar geregeld had geschreven, toen ze in Engeland was: Tine begreep hoe ze daar met vele gedachten alleen stond.

Onder den indruk van de hartstochtelijke vereering van Sietske is in den zomer van 1861 zijn scheppingsdrang plotseling opgevlamd: in enkele weken schrijft hij de Minnebrieven. Evenals in de dagen, dat hij Max Havelaar schiep, geniet hij van zijn eigen schepping. Aan Tine schrijft hij: “Ik heb een stijl die ik zelf niet ken. Je zult zien, muziek en onweer. Ik maak mij tot den eersten schrijver van Europa.—Men erkent dat ik een omkeering maak in de literatuur. Ja, omkeeren is mijn métier!”

De Minnebrieven zijn in opzet en vorm ongelijk aan Max Havelaar, en evenzoo zullen ook de Ideën en de Millioenenstudiën weer een eigen vorm hebben. Ook in dit opzicht is Multatuli aan het omkeeren geweest. Na al de geijkte genres geeft hij aan iedere uiting van zijn geest een nieuwen vorm; Max Havelaar was een roman, waarin ’t romantisch verhalen met ’t satirisch schetsen en pathetische pleidooien voor recht met fellen hoon afwisselen.

De Minnebrieven bestaan uit een reeks brieven, parabelen, politieke stukken en beschouwingen, soms zeer persoonlijk, dan weer zeer objectief van karakter: geen zijner werken beantwoordt zoozeer aan Multatuli’s ideaal van methode, n.l. de afwezigheid van alle methode als dit boekje. Ieder onderdeel is de zuivere uitdrukking zijner stemming geworden: deze wisselingen van stemming in zijn strijd om recht, om vrijheid, die meer en meer een strijd werd tegen alle vormen van gezag, waarin de levende geest ten doode toe bekneld was, spiegelen zich in vorm en rhytme der minnebrieven af. De volle rijkdom van zijn geest en van zijn taalgenie is hier ontplooid in hooge ernst, bitter sarcasme en in zwevende, speelsche phantasieën. In dit schijnbaar onsamenhangende en grillige geschrift zit toch lijn, het is beheerscht door een gedachte: het vinden, verliezen en herwinnen van Fancy.

De scherpe tegenstellingen tusschen ’t zachte en ’t bittere in zijn gemoed, zijn streven naar recht en zijn hoonen van alle gezag vinden in Fancy, in zijn dichterlijk schouwen hun hoogere eenheid en verzoening. Fancy geeft hem de kracht om de disharmonie in zijn innerlijk leven te overwinnen.

De Minnebrieven zijn geen minnebrieven, of liever, ’t zijn vergeestelijkte minnebrieven. De liefde voor Sietske, de briefwisseling met Sietske, de afkeer van haar stiefmoeder, zoowel als de liefde voor Tine en de kinderen en zijn Indisch streven vormen er den achtergrond van. Sietske is geïdealiseerd tot Fancy, maar Fancy doet zich in haar brieven aan Max voor als een gewoon meisje, dat voor haar examen leert, omdat hij anders te wolkerig schrijft, om begrepen te worden door meisjes, die niet in de wolken wonen. Daarom vraagt Fancy aan Max om haar iets te leeren. Max biecht zijne zonderlinge liefdesgeschiedenis aan Tine op en zij moedigt hem aan, want Fancy is ook de steun in haar zwaar en moeilijk leven. Geboren uit de bekoring door Sietske op hem uitgeoefend, is dit boekje toch een apotheose voor Tine geworden: Tine wordt boven Max door Fancy tot vertrouwde uitverkoren. En in de inleidende bladzijden blijkt het, dat Tine Max’ waarachtige Fancy is uit deze schoone passage: “Eene vrouw is niets. Niets bij de optelling van lasten, maar veel, oneindig veel, ja alles, zoodra er sprake is van hulp en steun! Ik zou volstrekt geen pleizier hebben in gebrek lijden, als ik m’n vrouw niet had...

O, ge weet niet hoe ’n vrouw liefheeft... ge kunt niet begrijpen, met hoe groote woekerwinst zij den man de indrukken weergeeft, die hij neerschreef in haar ziel! Kunnen de vrouwen het helpen dat zoo vele mannen daarin niets wisten neer te schrijven? Kan men oogst verwachten, waar niet gezaaid is... baring, zonder bevruchting?” En als het lot den man neerbuigt door smart, dan toont de vrouw de oogst van haar huwelijk als ze zegt: “Waarom weent ge? Hebt ge mij niet een schat te bewaren gegeven? Zie, hoe ik gewoekerd heb met het talent dat ge neerlaagt in mijn schoot. We zijn rijk, rijk in liefde, rijk in adel! Ik heb bewaard wat gij weggaaft! Ik heb gespaard en uitgezet met groote winst, wat door u werd verkwist! Ik ben uw huishoudster geweest, ja, de huishoudster uwer ziel!”

Fancy is echter ook een verheerlijking van Sietske: maar Fancy is nog meer, ze is het beeld van Multatuli’s dichterlijke genius, ze is het droomwezen, dat hem bezielt. Zijn dichtergemoed ziet dan ook in meisjes, die hem enthousiast tegemoet komen, verschijningen van de eeuwige schoonheid, van de poëzie. Maar als de betoovering breekt, dan is weer een andere zijne Fancy, die hem inspireert: het is de telkens terugkeerende ontgoocheling van een dichterliefde. Maar naast die vluchtige Fancy-verschijningen heeft hij vasten steun voor zijn ziel gevonden in de trouw van Tine, die in hem gelooft, en die in hare groote liefde alles verdraagt. En Tine is in de Minnebrieven geïdealiseerd tot de vrouw, die alles begrijpt en meevoelt en goedkeurt, tot de vrouw, die Fancy smeekt haren Max te blijven steunen.

Uit de werkelijke brieven van D. D. aan Tine blijkt echter, dat zij zich over deze “caprice” ongerust maakt, nu hij haar onomwonden verklaard heeft, dat Sietske zijn Fancy is. Tot troost schrijft hij haar: “Zonder dat ik er aan dacht ben jij in de M. B. de hoofdpersoon geworden. Faber, de advocaat, merkte mij dat op (hij is heel fijn) hoe ik door de dichterlijke verheffing van Fancy, ù in de hoogte stak. (Dat is geheel natuur geweest en ik heb de waarheid gezegd als een kind of dronken man.) Weet je hoe dat blijkt? Fancy is met u eigen, intiem, identiek. Zij (de wil, de kracht, de energie, de fantasie) zij is met u vertrouwelijk en mij fopt zij. Voor u is zij bondgenoot, voor mij meesteres. U zegt zij de waarheid, met mij speelt ze.” Maar ’t is het tragische lot van de vrouw van den dichter geweest, dat Fancy zich telkens voor hem openbaarde in andere, jonge vrouwen, terwijl zij voor hem de blijvende Fancy was... op den achtergrond. Deze tweeledigheid in zijn liefdeleven tracht hij telkens haar te doen begrijpen, maar ze kàn er niet in meeleven, ze kan het hoogstens uit groote liefde... dulden.

De humor en de geestigheid der Minnebrieven hebben een tragischen ondergrond. Ook in dit opzicht vinden we een scherpe tegenstelling in de motieven.

Tot grappige misverstanden geeft Fancy’s dubbelzijdig wezen aanleiding. Ze is een huishouderig meisje èn tevens ’t wezen van poëzie en schoonheid, aan wie Max vraagt: “Wie zijt gij eigenlijk? Hoe heet gij? Waar woont ge? Moet ik u zoeken in de wolken of in de straten eener stad? Moet ik vragen aan de schildwachten die de poort bewaken: hebt gij gezien wat mijne ziel liefheeft? Moet ik ’n tooverspreuk uitvinden, om u te doen nederdalen van omhoog? Om u op te zweren uit de diepte? Woont ge op ’n ster die stof is? Draait en slingert uwe woning als de mijne, die onder heeft noch boven? Kunt gij de zon zien, Fancy? Of, Fancy, zijt gij de zon? Zijt gij ’t middelpunt der aarde, dat alles aantrekt... Maar, Fancy, dan is elke regendrup een boodschap aan u! Dan is elke bliksemstraal die wegschiet in den grond, een minnebrief aan u! Ja, ja, ik zal dezen brief neerwerpen op de straten, en de voorbijganger zal meenen dat er onderschepping mogelijk is, door ’n koperstuk te geven voor de bladzij... maar hij zal zich vergissen... de bliksem zal ’t niet toelaten... Schrijf mij of hij terecht is gekomen? En zend mij ’n lok uwer haren, Fancy... wanneer ge haren hebt als anderen... wat ik niet hoop!” En dan komt het grappig contrasteerende antwoord van Fancy: “Ja, haren heb ik wel, maar ik woon... neen, ik woon niet. M’n ouders wonen, en ik ben bij hen. Doe in ’t vervolg een postzegel op uw brieven. Ik ben somwijlen schraal bij kas, en ge begrijpt dat er op onze begrooting geen gelden worden toegestaan voor port aan minnebrieven.” En ze klaagt over haar huishoudelijke plichten, het rekken van lakens, die lang genoeg zijn, het maken van anti-makassars, tegen haarolie, die ze niet gebruiken. En Max antwoordt verdrietig dat hij met haar huishouderij niet wil concurreeren. Tine dringt hem om Fancy vergeving te vragen, want zonder Fancy kan hij niet leven. En weer schrijft Fancy hem: ze is een meisje, maar ze wil de zijne zijn... geheel-en-al, ze zal hem aanhangen en hem doen overwinnen. “Maar vergeef mij intusschen, dat ik maar een meisje ben, en leer mij een en ander, als het waar is tenminste dat ge meer weet dan ik. Ik weet zeer weinig, en dit is natuurlijk... door al die beddelakens. Is het waar dat kousenweven is uitgevonden door de liefde? Hebt ge mij niet genoeg lief om ’n machine uit-te-denken die huishoudt? Ach, m’n moeder is dood! Er is geen poëzie in ons huis, alles is dor en droog en fatsoenlijk en vervelend. Ik ben geestig maar kan hier niets uitvoeren met m’n geest. En m’n hart is overkompleet.”

Als Max haar iets zal leeren, begint hij haar de fout aan te wijzen, die aan de gangbare wereldbeschouwing ten grondslag ligt: in “een kort begrip van de leer der zaligheid” laat hij een scherp licht vallen op al de ongerijmdheden in de leer van schepping, zondeval en verlossing.

Maar wie wil leeren, moet zelf leeren begrijpen: de grond van alle misstanden steekt hierin, dat gezag en traditie heerschen in den staat, in de samenleving, in den godsdienst, inplaats van redelijkheid.

Dat licht hij toe in een negental Geschiedenissen van Gezag: en dit Gezag berust op kracht, list, bedrog, onwetendheid, geloof. Dit zijn de bronnen van ’t gezag van vorsten, opvoeders en ouders, van priesters, van de publieke opinie en van den man over de vrouw. Overal waar de redelijkheid, de gerechtigheid, de liefde uit menschelijke verhoudingen verdwijnt, daar treedt onrechtmatig gezag in de plaats. De verleugening van ’t maatschappelijk en geestelijk leven zal Multatuli ontmaskeren, door alle geüsurpeerd gezag te ondermijnen. In de eerste plaats tast hij conventioneele deugd en Godsdienst aan. En als Fancy dit troosteloos vindt wijst Max haar op gezag door liefde, op welvaart door rechtvaardigheid, op geluk door deugd: mensch zijn dat is alles!

Maar Max blijft twijfelen aan Fancy’s meisjesschap: en hij vraagt Tine, wie ze is, en Tine kent haar ook, al jarenlang. “Zij heeft mijn leven heerlijk schoon gemaakt en ik wijt de schrale voeding onzer kinderen niet aan haar, zooals gij meermalen deedt in buien van onrechtvaardigheid.” En Fancy geeft aan de kinderen dichterlijke gedachtetjes en ze leert ze ook jokkentjes, en ze fluistert hun moeder het juiste woord in, om hun hartjes te treffen, als ze uit speelschheid een ander leed berokkenden. Maar Fancy beknort Tine, omdat ze haar heeft verklapt aan Max: “Lààt hem zoo dom als-i is. ’t Is maar een man, hij die altijd roept: Ze is maar ’n meisje!” En dan schrijft Fancy deze woorden aan Tine: “Ik zal u blijven steunen in uw moeilijke taak, edele moedige verhevene vrouw... trouwe dappere echtgenoot... sterke moeder... heldin! Ik zal blijven bij u, naast u, in u! Ik zal u begeleiden tot de laatste ure, en die ure zal ik u zoet maken door ’t vóórhouden eener schilderij van uw rein leven, dat het u zij als ’n spiegel van gelukkiger toekomst! Want ik zegge u hier, wat ik nooit zeide tot hem, U zeg ik dat gij onsterfelijk zijt!”

Op Fancy’s noodkreet, dat ze om de ontvangen minnebrieven gedreigd wordt met ’t verbeterhuis volgt een reeks brieven van nijdige vaders, stiefmoeders, dominee’s, kappellieden en ooms, die allen even verbolgen zijn over Max’ verdorvenheid. Door de aanvallen en de laster van publiek, de armoede van zijn gezin en den tegenspoed met zijn Indische plannen komt hij onder den druk der ellende, waardoor hij de voeling met Fancy verliest. Zijn brieven aan Tine worden zakelijk en als hij zich boven de sfeer van het proza verheft, wordt hij cynisch. Hij zendt haar zijn brief aan den gouverneur-generaal, allerlei gegevens ten bewijze dat de Javaan wordt mishandeld, en een brief aan de kiezers te Tiel, waarin hij het stichten van een derde partij aanbeveelt, die de meening zou voorstaan, “dat men den Javaan niet moet mishandelen.”. Ondanks Tine’s noodkreten blijft Fancy zich schuilhouden. Max blijft moedeloos: voor publiek kan hij niet schrijven, maar wel voor Tine. Voor haar dicht hij drie bitter cynische sprookjes: evenzoovele aanklachten, dat het publiek den schrijver van Max Havelaar niet wil begrijpen, hem hoogstens prijst om zijn mooien stijl: in de eerste parabel biedt een impresario aan de moeder, die zoo mooi gilde toen ze haar kind in ’t water nasprong om het te redden, een engagement aan bij ’t theater; in de tweede parabel wordt Chresos, die de beroovers van zijn dorp aanklaagde, veroordeeld door den magistraat die met de roovers heult; en in de Kruissproke bereikt de verbittering zijn hoogtepunt. De tragedie van Christus’ dood is een feest geweest voor de Joden te Jerusalem, een feest voor kinderen, die kruismannetje speelden, nog wekenlang, een feest voor volwassenen belust op sensatie. Het lijden van den man, die wèl deed, is een schouwspel, een amusement voor ’t domme publiek, dat van zijn streven geen flauw besef heeft. Maar tot dit domme publiek hooren niet alleen de Joden uit Christus’ dagen, Multatuli roept er ook de mannen van handel en beurs en industrie, burgers en theologen bij: ook voor hen is de kruistragedie slechts een vermaak, een schouwspel; immers Christus woorden praten zij na, zonder er naar te handelen.

De verbittering over de miskenning der zuiverste en hoogste bedoelingen verjaagt Fancy uit zijn gemoed, zoodat hij verzinkt in het proza der politieke propaganda. Maar dit kan hij niet verdragen, hij wordt ziek en in ijlende koorts schrijft hij een brief aan Tine, waarin alle motieven der Minnebrieven rhapsodisch verward terugkeeren, maar in die dooreenhaspeling zit toch zin: “Ben je de moeder of de vrouw? Waar zijn de kinderen? Zijn de kleertjes al verkocht? Hu, huup... waar is je tulband? Zingt, kinderen, zingt, uw vader draagt het kruis! Dag Schmoel... dag Nathan... dag Judas! Heb je Fancy gezien? Mee, mee, allen mee... Jochébed, (in de Kruissproke tilde zij haar kind omhoog, om het goed te laten genieten) wil je dien gouverneur-generaal wat omhoog houden? Zwaar is hij niet! Geef hem ’n buffel... één, hoort ge?” Max’ herstel beteekent Fancy’s terugkeer: hij herinnert zich de keeren, dat hij Fancy in zijn leven ontmoet heeft: Fancy’s goedkeuring lichtte hem toe uit de oogen van een voorbijgangster, toen hij als kind een goede daad verrichtte, hij vond haar terug in het jonge meisje, dat hem om voorlichting vroeg, in de oogen van een werkman, die langs zijn venster klom. En hij heeft nu van haar de zekerheid, dat zij hem zal geven “den wil, later de kracht, in ’t eind de overwinning.”

In de maanden van inspiratie en van succes verwacht hij niet alleen herstel van carrière, maar ook een volksbeweging, die hèm aan ’t hoofd van ’t koloniale bestuur zal plaatsen: hij droomt met Sietske van het keizerschap van Insulinde en Sietske beleefde in hare verbeelding al de kroning te Buitenzorg. In deze stemming slaat hij den raad van een goed vriend in den wind, om zijn eischen niet te hoog te stellen: door de openbare sympathie zal het bestaan van zijn gezin nooit verzekerd zijn en nu hoofd en richting van ’t koloniaal bewind van richting veranderd zijn, zou ieder ’t in hem prijzen, zoo hij weer in dienst trad. Zijn droomen van macht en hervorming hadden hem echter zoo in beslag genomen, dat hij dezen practischen raad niet meer kon opvolgen.

Het succes van de Minnebrieven was lang zoo groot niet als dat van zijn eerste boek: dat leek nog op een roman, maar de kritiek wist met de Minnebrieven geen raad: enkele bladen prijzen de “verhaaltjes”, vele zwijgen.

De hoop om op Indische zaken invloed te oefenen geeft hem in datzelfde jaar een brochure Over vrijen arbeid in Nederlandsch-Indië in de pen. Hij hoopt op den val van het ministerie en op de benoeming van Rochussen, zijn beschermer, tot minister van koloniën; deze hoop is verijdeld. Zeer helder zet hij uiteen, dat vrije arbeid van inlanders moet leiden tot teugellooze exploitatie door industrieelen. En dat deze veel meedoogenloozer zal zijn dan de knevelarijen onder het Cultuurstelsel. Beide stelsels verduidelijkt hij door een teekenend beeld: De teugel door den gouverneur-generaal vastgehouden, die onderverdeeld is in lijnen en koorden, die ten laatste elk individu bereiken en in toom houden, is het beeld van het gezag. “Verander al die lijnen in buizen, zet de twaalf-millioen dunne, twintigmaal onderverdeelde bij-buisjes op de borst van twaalf-millioen Javanen, breng ’n zuiger, ’n Hinken stoomzuiger aan op de hoofdbuis, en daarna...

Pomp, pomp, pomp, zeg ik u. Pomp voor den duivel... en voor Nederland.—Dat is ’t kultuurstelsel. Geef elken avonturier toegang tot de machine, tot de hoofdbuis, tot de onderbuis, tot de kleine nevenbuisjes... Vergun hem z’n eigen buizen, de buizen van de WelEdele Heeren Droogstoppel en Consorten, te plaatsen op de borst van twaalf millioen Javanen...

Laat hem boren dóór die borst, tot hij ’t hart raakt... En dan... ja, dan...

Pomp... pomp... pomp... voor den duivel... en voor de vrije arbeiders...”

Niet in het stelsel zit de fout, maar in baatzuchtige toepassing. Het liberale denkbeeld van vrije arbeid past niet in het inlandsch gezagsysteem: het zal geen vrijwilligheid van den arbeid scheppen of waarborgen. Nadrukkelijk waarschuwt Dekker zijn landgenooten, dat Indië voor Nederland verloren zal gaan, “als Nederland niet zorgt, dat den Javaan recht wordt gedaan”.

← Back to Multatuli / Onze groote schrijvers, deel 2

Scroll to Top