Naschrift
Wij zijn aan het einde van ons onderzoek gekomen. De vraagstukken in onze Nederlandsche spelling, die vroeger of later verschil van gevoelen hebben uitgelokt, of die tot dusverre tot twijfel en onzekerheid aanleiding gaven, maar nooit opzettelijk werden beantwoord, hebben wij achtereenvolgens behandeld. Wij hebben alles getoetst aan de algemeene beginselen, die tot leiddraad moesten verstrekken, alle punten in onderlingen samenhang beschouwd, en getracht onze keuze zooveel mogelijk in overeenstemming te brengen zoowel met de behoeften der practijk als met de eischen der wetenschap. Gaarne erkennen wij, dat ons onderzoek niet al de moeilijkheden uit den weg heeft geruimd, die aan het zoo ingewikkeld leerstuk der orthographie onafscheidelijk zijn verbonden. De rijke verscheidenheid van klanken, die eene levende taal bezit, met het geringe aantal letterteekenen, waarover men te beschikken heeft, altijd nauwkeurig af te beelden, en daarbij tevens de eischen in acht te nemen, die zoowel de afstamming der woorden en hunne onderlinge verwantschap, als de betamelijke eerbied voor het gevestigd gebruik kan doen gelden: ziedaar zeker eene taak, die met onoplosbare bezwaren gepaard gaat. Maar wij durven ons vleien, dat onze arbeid de zaak toch een stap verder gebracht heeft; dat in de door ons aangenomen spelling talrijke gebreken zijn opgeruimd, en de tot hiertoe in ons vaderland gevolgde schrijfwijze zeker heeft aangewonnen in nauwkeurigheid, zuiverheid, regelmaat en consequentie. De moeilijkheden, die de spelling in de practijk en bij het onderwijs blijft opleveren, mogen dan onvermijdelijk wezen: het is reeds veel gewonnen, indien wij er in geslaagd zijn die aanmerkelijk te verminderen. Men houde hierbij wel in het oog, dat die moeilijkheden niet alleen in ons Nederlandsch bestaan. Schijnt wellicht, bij eene oppervlakkige beschouwing, in andere talen de spelling eenvoudiger en gemakkelijker, het is ook inderdaad niet meer dan schijn. Zoodra men de orthographie van het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch vooral, nauwkeurig overweegt, ontdekt men overal inconsequentie, gemis van regelmaat, verwarring en willekeur: gebreken, die alleen daarom minder sterk in het oog vallen, omdat zij nooit behoorlijk in het licht zijn gesteld, terwijl men veelal lijdelijk berust in het eenmaal aangenomen gebruik, door het wetgevend gezag van enkele taalgeleerden of door den voorgang der beste schrijvers bepaald. Dat gebruik kent men uit leerboeken of woordenlijsten, die men raadpleegt zonder zich om gronden en beginselen, om regelmaat of verwarring, te bekommeren. Ook onze Nederlandsche spelling kan op dezelfde wijze uit gelijksoortige hulpboeken worden gekend, en reeds in zooverre staat onze taal bij vreemde niet achter. Maar zij heeft dit boven andere vooruit, dat hare schrijfwijze—langdurig onderzocht, veelzijdig besproken en telkens opnieuw beproefd—met bewustzijn uit erkende en deugdelijke beginselen is afgeleid en naar een vasten maatstaf geregeld; dat zij weet wat zij doet, en waarom zij zóó en niet anders handelt. Waarlijk, een voorrecht, dat wij wel op prijs mogen stellen! Indien eene verstandige spelling gunstig getuigt van de denkkracht der natie, dan zal voorzeker die onzer moedertaal niet tegen ons volk getuigen.