Elfde hoofdstuk
In den toren der oude moeder
Wij reden door de poortdeur binnen. Naar de beschrijving, ons door den kleermaker gegeven en door den indruk dien het gebouw, van uit de verte, op mij gemaakt had, dacht ik zoo iets als een slot of kasteel te zullen zien. Maar hoe viel dat tegen!
Het was wel een lang en hoog gebouw, maar mocht veeleer een bouwval heeten. De ramen keken ons vensterloos aan en het dak was op tallooze plaatsen zonder bedekking. Het pleister van de muren was verdwenen en langs het front van het gebouw lag het poeder waarin de verweerde tegelsteenen waren overgegaan.
Wij reden tot voor de hooge dubbele deur, waar ons een kerel ontving wiens lange en smalle galgetronie alles behalve vertrouwen inboezemde.
—Dit is Humun, de lijfknecht van den Heer,—zeide de kleermaker.
Aha, daar hadden wij al terstond den man, voor wien wij op onze hoede moesten zijn! Hij maakte voor mij een diepe buiging en wees op twee pootige knapen, die achter hem stonden, zeggende:
—Effendi, mijn Heer betreurt het zeer dat gij niet kunt loopen. Daarom gaf hij bevel dat deze mannen u naar hem toe zouden dragen. Zij zijn zoo sterk, dat gij u gerust op hen kunt verlaten.
Ik steeg van mijn paard. De beide dragers strengelden twee armen en vouwden de vrij zijnde handen zóó, dat die een zitting vormden, terwijl de armen voor leuning konden dienen. Op dien levenden draagstoel gezeten, werd ik, door het voorportaal en twee vertrekken, naar de ontvangkamer gebracht. Mijn makkers volgden mij.
De ontvangkamer was redelijk gestoffeerd. Langs de wanden stonden divans. Op een geringe verhooging, tegenover den ingang, zat de zoogenaamde slotvoogd. Naast hem was een dergelijke verhoogde zitplaats, die blijkbaar voor mij bestemd was, en tegenover ons lagen eenige matrassen voor mijn metgezellen.
De dragers bleven met mij in de deuropening staan. Onze gastheer boog, zonder op te staan en zeide:
—Zijt mij welkom, groote Effendi! Allah zegene uw ingang in mijn huis en doe u vele dagen bij mij blijven! Houd het mij ten goede dat ik u niet staande begroet, maar blijf zitten, maar Nikris (podagra) belet mij u de verschuldigde beleefdheid te bewijzen. Laat u naast mij nederzetten. Uw volgelingen zullen, hier voor ons, uitrusten van hun vermoeienis.
Men zette mij naast hem neer en de drie namen tegenover ons plaats.
Ik sprak eenige beleefde woorden van dank en verontschuldiging die hij afbrak met de verzekering, dat niet ik hem, maar hij mij dank verschuldigd was.
De dragers hadden zich verwijderd, en de lijfknecht bracht pijpen en koffie.
In het Oosten is men gewoon den rijkdom van een man te beoordeelen naar zijn rookgerei. Naar dien maatstaf was Murad Habulam een zeer rijk man.
De pijp die men mij gaf, en ook die waaruit hij rookte, hadden een roer van echt rozenhout, dat met gouddraad omwonden en met edelgesteente versierd was. De mondstukken verdienden in een museum ten toon gesteld te worden. Het barnsteen was half doorzichtig, wolkrijk, een soort dat in het Oosten veel hooger geschat wordt dan het doorschijnende.
De kleine kopjes, waarin de koffie gediend werd en die men, ‘fingans’ noemt, stonden op schotels van filigraan, en toen ik de koffie proefde, moest ik bekennen nog maar eenmaal en wel in Caïro, zoo iets lekkers te hebben gedronken. Ze werd naar Oostersch gebruik, natuurlijk met het fijngestooten bezinksel genoten. Een kopje hield ongeveer vier vingerhoeden in. Ook de tabak was van de fijnste soort. Jammer, dat de pijpekoppen zoo klein waren. Als men ongeveer vijftien trekjes had gedaan, moesten zij opnieuw gestopt worden, waar Humun, ’s meesters lieveling, voor zorgde.
Daar de beleefdheid meebracht, dat men zijn gasten niet zoo terstond naar hun omstandigheden vraagt, werden slechts algemeene opmerkingen ten beste gegeven.
Toen dit een poos geduurd had, schoof de heer des huizes wat dichter naar mij toe en vroeg:
—Hebt gij een goede reis gehad, Effendi?
—Allah heeft mij veilig geleid,—antwoordde ik.
—Afrit, de kleermaker, zeide mij, dat gij van Sbiganzy waart gekomen.
—Ik was sedert gisteren daar.
—En voor dien?
—In Radowitsch en Ostromdscha.
—Zoo zijt gij altijd door op reis geweest?
—Ja, want wij komen van Edreneh en Stambul.
—Van Stambul! Allah heeft het dan wel goed met u voorgehad, dat hij u in de stad van den Padischah heeft laten geboren worden!
—Ik ben daar niet geboren. Ik kwam van Damascus over Falesthin (Palestina) daarheen.
—Dus zijt ge een Damaski?
—Ook dat niet. Ik ben een Frank, een Germani, en ik reisde van uit mijn vaderland naar de groote Sahar (Sahara) om van daar naar Gypt (Egypte) en Belad el arab (Arabië) te gaan.
—Allah is groot! Hebt gij zoover moeten reizen? En hebt gij goede zaken gemaakt?
—Ik reis niet voor zaken. Ik wil de landen bezoeken en de volken, die er wonen, hun taal en hun zeden leeren kennen. Daarvoor heb ik mijn vaderland voor zoo langen tijd verlaten.
Hij zag mij ongeloovig aan.
—Daarvoor? Allah! Wat geeft het u of gij al bergen en dalen ziet, de menschen en beesten, woestijnen en wouden? Wat hebt gij er aan, of gij al ziet, hoe men zich kleedt, en hoort, hoe men spreekt?
Dat was weer de oude domheid, waarop ik al zoo dikwijls was gestuit. Die menschen kunnen en willen maar niet begrijpen dat men alleen uit belangstelling volken en landen bezoekt. Een handelsreis, een bedevaart naar Mekka, verder gaat hun begrip niet.
—Houdt gij van Dschografia (geografie)?—vroeg ik hem.
—Veel. Ik lees zulke boeken heel graag.
—Wie hebben die boeken geschreven?
—Geleerde menschen, die zulke landen bezochten.
—En die menschen zijt gij toch zeker wel dankbaar, dat zij die boeken, waaruit gij zooveel leert en die u zoo aangenaam bezig houden, schreven?
—Natuurlijk!
—Welnu, ook in mijn vaderland zijn menschen, die zulke boeken verlangen. Vele, vele duizenden zijn er, die ze lezen. Er moeten dus ook mannen zijn, die ze schrijven, waarvoor zij eerst verre landen moeten bezoeken. Een zoodanige ben ik.
—Gij zijt dus een Ehli Dschografie. Maar ik vraag u nògmaals: wat hebt gij er aan? Gij verlaat uw huis en harem; gij offert alle genoegens van het leven op, om in den vreemde allerlei moeite, honger en dorst te lijden en misschien wel in groot gevaar te komen.
—Ja, dat is zeker het geval.
—En dan sluit gij u op, om uw oogen met schrijven te bederven, opdat de nieuwsgierige menschen zouden kunnen lezen, wat gij al zoo ondervonden en gezien hebt. Wat hebt gij er toch aan?
—Is dan het reizen op zich zelf geen genot?
—Neen, het heeft groote moeite.
—Gij zoudt dus ook geen hoogen berg beklimmen om de zon te zien ondergaan?
—Néén. Daar ben ik te verstandig voor. Waarom zou ik mijn gemakkelijken divan vaarwel zeggen, waarop ik kan rooken en koffie drinken? Waarom zou ik klimmen en dalen, als het mij niet anders geeft dan moe-worden? Dat is toch nergens toe nut. De zon gaat op en onder, ook al ga ik niet boven op een berg zitten. Allah heeft alles heel wijs ingericht, en ik kan door mijn klauteren niet het minste aan zijn raadsbesluiten veranderen of verbeteren.
Inderdaad zoo denkt de Moslem. Allah il Allah! Zijn kismet beheerscht alles en allen, en die voorstelling is de oorzaak van hun grenzenloos flegma.
—Zoo zoudt gij, alleen om kennis te verkrijgen, niet naar verre landen willen reizen?—vroeg ik.
—Neen, beslist neen!
—Maar een voordeel heb ik er van. Het voorziet in mijn levensonderhoud.
—Hoezoo? Kunt gij bergen eten en rivieren uitdrinken, die gij vindt?
—Neen, maar als ik een boek geschreven heb, waarin ik van mijn reizen vertel, dan krijg ik daar geld voor, en dat is mijn inkomen.
Nu had ik toch eindelijk iets gezegd dat hij nog zoo dwaas niet vond.
—O, zeide hij,—nu begin ik te begrijpen. Gij zijt geen Geograaf, maar een Kitabschi (een boekhandelaar).
—Neen, maar de Kitabschi betaalt mij voor wat ik schrijf, daarna drukt hij het af en maakt er een boek van, dat hij aan de lezers verkoopt. Zoo maken wij allebei zaken.
Hij bracht zijn vinger aan zijn neus, dacht een oogenblik na en zei toen:
—Nu weet ik het. Gij zijt het die de koffie uit Arabië haalt, en de Katabschi is de man die ze verkoopt aan de menschen.
—Ja, dat is nagenoeg zoo.
—Schrijft gij alles op, wat gij ziet?
—Niet alles, maar alleen wat belangrijk is.
—Maar wat is belangrijk?
—Wat mijn denken en mijn gevoel meer dan gewoon bezig houdt.
—Bij voorbeeld, als gij een bizonder goed mensch ontmoet?
—Ja, die komt in mijn boek.
—Of een ergen deugniet?
—Ook dien beschrijf ik, opdat de lezers hem zouden kennen en verafschuwen.
Hij trok een bedenkelijk gezicht. De zaak begon hem gevaarlijk te worden.
—Hm!—bromde hij. Dus goeden en slechten worden door u in het land bekend?
—Zeker.
—Noemt gij ook hun naam in uw boek?
—Stellig.
—Wie en wat zij zijn en de plaats en het huis, waar zij wonen?
—Heel nauwkeurig zelfs.
—Wat zij gedaan hebben en wat gij met hen hebt gesproken en over hen hebt hooren zeggen?
—Dat allemaal.
—Allah, Allah! Gij zijt dan een groote verrader! Men moet bang voor u zijn.
—Goede menschen hebben van mij niets te vreezen. Integendeel, men zal ze overal prijzen, want mijn boeken worden in alle talen overgebracht. De slechten krijgen echter hun loon, als zij overal bekend en aan de verachting prijs gegeven worden.
—Zult gij ook over Sbiganzy schrijven?
—Zeer veel zelfs, want ik heb daar zeer veel ondervonden.
—Misschien schrijft gij dan ook wel over Kilissely?
—Ongetwijfeld, want Kilissely is te mooi, dan dat ik het zou vergeten.
—Wat zult gij er van zeggen?
—Dat weet ik nog niet. Ik moet eerst afwachten, wat ik hier zie, hoor, beleef en ondervind. Maar dat gij prachtige pijpen hebt en de lekkerste koffie, die ik ooit heb gedronken, dat zal ik van u roemen en prijzen.
Hij keek zwijgend voor zich, en gedurende eenige oogenblikken sprak geen onzer. Ik had hem, vanaf het oogenblik, dat ik binnen gekomen was, goed opgenomen. De man kwam mij zoo bekend voor. Waar had ik dat gezicht meer gezien?
Hij maakte op mij niet den indruk van een rijk man te zijn. Zijn tulband-doek was oud en vuil en zijn kaftan eveneens. Van zijn beenen zag ik slechts dat zij dik omzwachteld waren, van wege het podagra. Desniettegenstaande waren zijn voeten niet omwonden maar bloot, en staken in oude dunne afgesleten pantoffels.
Hij was evenwel zeer lang en mager. Zijn gelaat getuigde in diepe groeven, niet van ouderdom, maar van uitspatting. Zijn scherpe trekken, de kleine, iemand doorborende, cynische oogen, die sterk ontwikkelde kin, die breede, aan de hoeken neergetrokken mond, dat alles bijeengenomen maakte geen aangenamen indruk. Hij was integendeel het type van een gierigaard, wiens gedachten altijd loeren op het bijeenschrapen van geld, zonder er zich over te bekommeren hoe het verkregen werd.
—Ik hoop—zeide hij eindelijk,—dat het u bij mij zal bevallen en gij veel goeds van mij schrijven zult.
—Dat zal ik zeker. Gij hebt mij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen, dat ik alle reden heb om u dankbaar te zijn.
—Ik zou u nog heel anders ontvangen hebben en u ook beter hebben laten verzorgen, maar mijn vrouw is van huis, en ik kan mij niet bewegen. Ik heb aan beide beenen veel te lijden van de Nikris. Die heb ik in den oorlog opgedaan.
—Gij waart dus militair? Officier?
—Ik had een veel hoogeren en beteren rang. Ik was Asker zagredschiji (leverancier van het leger), en heb voor de kleeding en voeding van des Sultans helden gezorgd.
Aha, hij was dus de aannemer van het leger geweest! Onwillekeurig dacht ik aan de arme, half naakte en uitgehongerde soldaten, wier lijden deze leveranciers zoo rijk had gemaakt.
—Dan hadt gij een zeer gewichtig ambt en genoot gij wel het vertrouwen van den Grooten Heer!
—Ja, dat is zoo!—zei hij trotsch. De leverancier is eigenlijk de man die de veldslagen wint; hij leidt de strijders tot de overwinning. Zonder hem is er geen moed, geen dapperheid, maar slechts honger, ellende en ziekte. Het vaderland heeft veel, zeer veel aan mij te danken.
—Zal ik dat ook in mijn boek vermelden?
—Ja, ik bid u, doe dat. Hebt gij over ons land en over de onderdanen van onzen Sultan veel goeds te schrijven?
—Zeer veel,—antwoordde ik kortaf, want ik bemerkte dat hij op het onderwerp wilde overgaan, dat voor hem het gewichtigste was.
—Misschien ook wel veel wat niet te prijzen is?
—Ook dat; er zijn overal goede en slechte menschen.
—Hebt gij van dat laatste soort er veel bij ons aangetroffen?
—Ja, vooral in den laatsten tijd en vooral in deze streken.
Hij schoof heen en weer. Op dit thema had hij willen komen.
—Dan zullen de lezers van het boek dat allemaal te weten komen.... Ik zou dat boek wel eens willen hebben.
—Dat zoudt gij toch niet kunnen lezen, want het is niet in uw taal geschreven.
—Maar dan kondt gij er mij toch wel een en ander uit vertellen.
—Misschien later, als ik eerst wat geslapen heb.
—Dan zal ik u wijzen, waar gij overnachten zult. Maar zoudt gij mij er niet eerst wat van willen vertellen?
—Ik ben werkelijk zeer moe; maar om u te toonen dat ik voor mijn gastheer wil doen wat ik kan, zal ik door mijn metgezel Halef Omar een kort verhaal laten doen van wat wij in den laatsten tijd hebben doorgemaakt.
Dat Halef vertellen mocht, was hem zeer naar den zin, maar het stak hem dat Murad Habulam, onze gastheer, hem van uit de hoogte aanzag en half gebiedend zeide:—Dat hij beginne, ik hoor.—Ik wist wat er komen zou.
—Veroorloof mij u eerst te zeggen wie zoo goed zal zijn tot u te spreken, zoo begon hij. Ik ben Hadschi Halef Omar Ben Hadschi Abul Abbas Ibn Hadschi Dawuhd al Gossarah. Mijn beroemde stam rijdt de beste Hassi-Ferdschahn merries der woestijn, en de krijgers mijner Ferkah dooden den leeuw met hun lans. De overgrootvader van mijn overgrootvader reed met den Profeet in den slag en de stamvader van dezen held heeft met Abram, den vader van Isaac watermeloenen gegeten. Is uw stamboom even zuiver en oud?
—De rij mijner voorvaderen is niet minder groot,—antwoordde Habulam wel eenigszins verlegen.
—Dat is gelukkig voor u, want niet hij is een man van beteekenis, die fijne pijpen heeft en kopjes, maar die wijzen kan op een reeks van roemrijke voorouders. In het Paradijs wachten helden, wier geliefde nakomeling ik ben, op mijn komst. Niet een ieder vereer ik met mijn verhalen, maar omdat mijn vriend en Heer, de Hadschi Effendi Kara Ben Nemsi Emir het wenscht, daarom zal ik verhalen, maar verlang ook dat gij met opmerkzaamheid mij aanhooren zult.
Dat alles kwam er zoo rustig uit, alsof hij er zelf bij was geweest toen de veronderstelde stamvader met Abram zijn watermeloenen at! Hij deed alsof hij onzen gastheer een groote genade bewees met hem wel zijn verhaal te willen doen.
Nu gaf hij in goedgekozen woorden een kort verslag van hetgeen ons in de laatste dagen overkomen was. Geen jurist had het beter kunnen doen dan mijn Halef. Geen syllabe kwam hem over de lippen, die den ex-leverancier kon doen vermoeden dat wij wisten wat vleesch wij aan hem in de kuip hadden. Ik had inwendig plezier in den tact, waarmede hij zijn rol speelde, en knikte hem goedkeurend toe, nadat hij het verhaal had gedaan en mij vragend aankeek om te weten of ik over hem tevreden was.
Murad Habulam deed, alsof hij een en al verwondering was. Hij legde zijn pijp weg, wat voor een Muzelman iets buitengewoons is, sloeg de handen in elkaar en riep:
—O Allah, Allah, zend toch uw wrekers op aarde, opdat zij die boosdoeners, wier misdaden ten hemel schreien, door het vuur van uw toorn verdelgen! Moet ik gelooven, wat ik hoorde? Neen, ’t is niet te gelooven!
Hij bleef als in verwondering verzonken, nam zijn rozenkrans en liet de paarlen door zijn magere vingers glijden, alsof hij bad. Eindelijk hief hij plotseling het hoofd op, zag mij onderzoekend aan en vroeg:
—Effendi, bevestigt gij de woorden van dezen Hadschi?
—Woord voor woord.
—Men heeft u dus bijna elken dag trachten te dooden?
—Zoo is het.
—Gij zijt dus die moordenaars zoo gelukkig ontkomen? Gij moet wel bizondere lievelingen van Allah zijn!
—Volgens die redeneering waren dan die moordenaars, lievelingen van Allah, indien hun plannen gelukt waren?
—Neen, maar uw dood stond dan in het boek des levens geschreven, en wat daar staat, kan zelfs Allah niet veranderen. Dat is Kismet.
—Welnu, dan wil ik hopen, dat het het Kismet zij van deze schurken, om nog hier op aarde hun welverdiende straf te moeten ontvangen.
—Dat hebt gij in uw hand gehad, maar gij hebt hen gespaard.
—Ik wilde hun rechter niet zijn.
—Vertelt gij dat nu allemaal in uw boek? Van den Shoet, van de Aladschy’s, van Manach el Barscha, Barud el Amasat, en van den ouden Mubarek?
—Ik noem ze allemaal.
—Dat is voor hen een verschrikkelijke straf. En gelooft gij dat gij hen nog weer ontmoeten zult?
—Zeer zeker, want zij vervolgen mij. Hier in uw huis ben ik mooi veilig en dat dank ik u en den goeden Afrit, mijn gids. Maar morgen, als wij verder trekken, dan zullen die boosdoeners ons weer overvallen.
—Gij zult mijn huis toch de schande niet aandoen van er maar een enkelen nacht te blijven.
—Ik zal er over denken. Overigens is het naar uw overtuiging, van eeuwigheid af in het boek des levens geschreven, hoelang ik in uw huis vertoeven zal. Niet een van ons kan daar verandering in brengen. Ja, zelfs Allah kan dat niet.
—Dat is zoo. Maar ik hoop dat het licht uwer oogen mij nog langen tijd zal bestralen. Ik voel mij zeer eenzaam en verlaten hier in mijn huis, en gij zult mij opvroolijken en mij het lijden mijner voeten doen vergeten, indien gij heel lang bij mij blijft.
—Ook mij zou het aangenaam zijn, wanneer ik nog lang van uw gezelschap zou kunnen genieten. Gij moet vele en groote reizen ondernomen hebben?
—Wie heeft dat gezegd?
—De kleermaker.
Ik zag aan zijn gezicht, dat de kleermaker mij dat voorgelogen had. Toch antwoordde hij:
—Ja, toen ik nog goed ter been was, heb ik de steden en dorpen van vele landen bereisd.
—En straks hebt gij gezegd, dat gij zelfs geen berg zoudt willen bestijgen om de zon te zien opgaan!
—Nu niet, om mijn beenen,—zeide hij om zich te verdedigen.
—Waarom, als gij podagra hebt, laat gij uw voeten bloot ofschoon gij uw beenen omwikkelt?
Ik zag hem, bij die vraag, scherp aan. Hij werd verlegen. Zou hij om de een of andere reden podagra voorwenden en niet hebben?
—Omdat ik de ziekte in mijn beenen heb en niet in de voeten, beweerde hij.
—Gij hebt dus geen pijn in uw grooten teen?
—Neen.
—En die is ook niet gezwollen?
—Die is gezond.
—Hoe staat het ’s avonds met de koorts?
—Ik heb nog nooit koorts gehad.
De man verried zich, want als die kenteekenen zich bij hem niet voordeden, had hij ook het podagra niet. Hij wist in geen enkel opzicht, welke verschijnselen met podagra gepaard gingen. Ik wist nu, wat ik aan hem had. Om het gesprek ook nog op de bibliotheek te brengen, die mijn gastheer, volgens Afrit had, vroeg ik hem:
—In uw lijden en in uw eenzaamheid zult gij wel veel afleiding en verpoozing vinden bij de vele boeken, die in uw bezit zijn.
—Boeken?—vroeg hij verwonderd.
—Ja, gij zijt een zeer geleerd man en gij bezit een menigte handschriften, waarom gij te benijden zijt.
—Wie zegt dat?
—Ook de kleermaker.
Blijkbaar had onze gids ook dit verzonnen om mij daarmee te zekerder in de val te lokken. Habulam begreep dit, en zeide daarom:
—Heer, mijn bibliotheek is bij lange na niet van zooveel beteekenis als gij wel denkt. Voor mij is die voldoende, maar voor een man als gij is ze onbeduidend.
—Toch hoop ik die bij gelegenheid te mogen zien.
—Met alle genoegen, maar nu niet. Gij zijt vermoeid, ik zal u uw vertrekken laten wijzen.
—Waar zijn die?
—Niet hier in huis, want daar zoudt gij te veel rumoer hooren, om rustig te kunnen slapen. Ik heb daarom voor u de Kulle jaschly Anaja in orde laten brengen; daar zijt gij vrij en met elkaar.
—Zoo als gij het schikt, is het mij goed. Maar waarom heet dat gebouw de toren van de oude moeder?
—Dat weet ik zelf niet. Men zegt, een oude vrouw is na haar dood, meermalen weergekomen en stond dan ’s avonds in lijkwa op de zoldering, om van daaraf haar kinderen te zegenen. Gelooft gij aan spoken?
—Neen.
—Dan zult gij voor de oude vrouw ook wel niet bang zijn?
—Geen oogenblik! Maar komt zij tegenwoordig nog wel eens te voorschijn?
—De menschen zeggen van ja en gaan daarom ’s nachts nooit naar den toren.
Waarom zeide hij mij dat? Als het in den toren niet pluis was, moest dat voor mij een reden zijn om in den toren niet te willen overnachten. Misschien ook wilde iemand ons verraderlijk, als spook gekleed, besluipen, en van zijn misdaad de oude vrouw de schuld geven,—een zeer kinderachtige gedachte, die alleen in het hoofd van zulke domme menschen kon opkomen.
—Wij zullen heel graag eens een spook zien, om het te vragen, hoe het er in het doodenrijk uitziet,—verzekerde ik hem.
—Zoudt gij daar den moed toe hebben?
—Zeker.
—Maar gij zoudt van een slechte reis kunnen komen. Hij, die met een geest spreekt, kan er het leven bij inschieten.
—Dat geloof ik niet. Allah zal geen verdoemde veroorloven, de ellende der hel te verlaten, om op aarde voor pleizier wat te gaan wandelen. En goede geesten behoeft men niet te vreezen. De als spook verkleeden gaan wij eenvoudig te lijf. Wees nu zoo goed ons naar den toren te laten brengen.
—Gij zult door een deel van den tuin moeten gaan, en ik denk dat gij dien met groot genoegen zult zien. Hij kost mij veel geld en is zoo prachtig als het park der gelukzaligen achter den ingang van het eerste Paradijs.
—Dan spijt het mij dat ik van uw aanbod geen gebruik kan maken, want het is mij onmogelijk door de lanen te wandelen.
—Dat behoeft u niet te beletten den tuin te zien. Gij behoeft niet te loopen, gij kunt rijden. Mijn vrouw is ook slecht ter been. Daarom heb ik voor haar een wandelstoel laten maken, waarop zij zich laat rijden. Zij is op het oogenblik niet thuis, en gij kunt dus gebruik maken van haar stoel.
—Dat is voor mij een heerlijke uitkomst.
—Ik zal den stoel terstond laten halen. Humun zal u rijden en u verder bedienen.
Die knaap moest ons ook in het oog houden, zoodat wij niets zouden kunnen doen, zonder dat het opgemerkt werd. Daarom antwoordde ik:
—Ik mag u van de hulp van uw lijfknecht niet berooven en ben gewoon mij door mijn metgezellen te laten ondersteunen.
—Dat kan ik niet toelaten. Zij zijn even goed mijn gasten als gij, en het zou strijden met de wetten der gastvrijheid, indien ik hen eenig werk liet doen. Verzet u dus niet tegen wat ik voorstelde. Humun heeft in last om alles te doen wat gij hem opdraagt en altijd bij u te zijn.
Altijd bij ons zijn! Dat wilde zeggen, wij waren onder zijn toezicht gesteld. Hoe zou ik van dien man af komen?
Hij bracht den stoel, ik zette mij er in en nam afscheid van onzen gastheer. Humun reed mij naar buiten en mijn metgezellen volgden.
Wij kwamen, door de breede gang van het hoofdgebouw, allereerst op een binnenplaats, die als algemeene mestvaalt scheen gebruikt te worden. Aan twee kanten stonden lage zadelvormige gebouwen die met stroo waren gevuld. De vierde zijde was bezet met stallingen, waartusschen een doorgang naar den tuin.
Deze zoogenaamde tuin was inderdaad een grasveld, waarop een menigte schelven stonden. Daarop volgden dan eenige bedden met groenten, waartusschen enkele bloemen. En dat moest ’de lusthof der gelukzaligen’ verbeelden! Als de Profeet dien aangelegd had, ten genoegen van zijn geloovigen, dan moest hij van hun smaak eene armzalige voorstelling gehad hebben.
Toen wij die bedden voorbij waren, stonden wij weer voor een grasveld, dat grooter was dan het vorige. Ook hier waren vele mijten van hooi en allerlei graansoorten. Eindelijk zagen wij den ’toren der oude moeder’.
Het was een rond, zeer oud gebouw, vrij hoog opgetrokken, en vier ramen over elkaar. In de ramen waren, zooals gewoonlijk, geen vensters. De deur stond open.
De benedenverdieping bestond uit eene enkele ruimte, waarin een vrij gebrekkige trap, die naar de bovenverdieping leidde. Ik zag dat er matten langs den muur waren gelegd, met matrassen er op, en eenige kussens. In het midden dier ruimte lag op een laag onderstel, een plank die voor tafel moest dienen. Meer ameublement was er niet.
—Dit verblijf is ter uwer beschikking, Heer,—zeide Humun, nadat hij mij binnen gebracht had.
—Zijn hier dikwijls gasten?
—Neen. Deze kamer is de beste die wij hebben, en mijn gebieder wil u daarmee toonen, hoezeer hij uw komst op prijs stelt.
—Zijn er nog vertrekken boven ons?
—Nog twee verdiepingen, en daarop volgt het terras voor het vergezicht; maar zij zijn ongemeubeld, omdat er nooit iemand logeert.
De muur van ons vertrek zag er uit, alsof kleine aardbevingen de steenen van tijd tot tijd in de voegen deden verschuiven.
De muren waren niet gekalkt; ook was er geen schoorsteen. Het was een hok, meer niet.
Onderweg was ik op een gedachte gekomen, hoe ik Humun weg kon krijgen. Wij waren een arbeider tegengekomen, die afzichtelijke leepoogen had. Daardoor had ik mij onwillekeurig herinnerd, dat bijna alle Oosterlingen aan den “boozen blik” gelooven. De Italianen noemen dat “Jettatura”.
Wanneer iemand, die den “boozen blik” heeft, bij toeval een ander scherp fixeert, verdenkt men hem al gauw een Jettatore te zijn. Zoo iemand wordt dan door een ieder gemeden.
Om kinderen tegen den boozen blik te beschermen, bindt men ze een rood lintje om den hals of hangt ze een rood kraaltje om, dat den vorm van een hand heeft.
Volwassenen kennen maar één middel, om zoo’n boozen blik af te weren. Dat doen zij, door hun hand, met uitgespreide vingers, tegen het booze oog op te heffen. Die dat doet en dan terstond wegloopt, ontkomt aan de doodelijke gevolgen der Jettatura.
—Dit vertrek is mij goed genoeg, alleen zou ik, voor van avond, een lamp willen hebben.
—Ik zal die meebrengen, tegelijk met het avondeten. Verlangt u ook nog iets?
—Ja, water. Meer hebben wij voor het oogenblik niet noodig.
—Ik ga het terstond halen, en hoop dat gij met mijn prompte bediening tevreden zult zijn. Zulke Heeren als gij, moeten vlug geholpen worden. Ik heb gehoord wat gij mijn meester verteld hebt. Van mijn hoogachting en toewijding kunt gij verzekerd zijn. Ik heb inwendig gebeefd, toen ik hoorde in wat gevaren gij geweest zijt. Allah heeft u in zijn bizondere bescherming genomen, anders waart gij al lang verloren geweest.
—Ja, Allah heeft er ons altijd uit geholpen. Hij heeft mij een bizondere kracht geschonken die mij altijd behoedt, zoodat geen vijand mij kan overwinnen.
Zijn nieuwsgierigheid was terstond opgewekt.
—Wat is dat, Heer?—vroeg hij gluiperig.
—Iets in mijn oogen.
—Iets in uw oogen! Hoezoo?
—Kijk mij eens flink met opgeslagen oogen aan.
Hij deed het.
—Welnu, bemerkt gij nog niets?
—Neen, Effendi.
—Is er niets in mijn oogen dat u opvalt?
—Volstrekt niets.
—Dat is juist het bizondere, dat men niets aan mij zien kan, en toch behoef ik mijn vijanden maar aan te zien, dan zijn ze verloren.
—Wat gebeurt ze dan, Heer?
—Dan gelukt hun nooit meer iets, hun leven lang. Hij, dien ik aankijk, is aldoor en in alles ongelukkig, namelijk als ik wil. De blik van mijn oog volgt hem tot in den dood. Zijn leven behoort mij voortaan toe; ik behoef slechts aan hem te denken en hem iets kwaads toe te wenschen, dan overkomt het hem ook.
—Heer, is dat waar?—vroeg hij haastig en verschrikt.—Hebt gij misschien den Kem Bakysch in uw oogen?
—Ja, ik heb den boozen blik, maar gebruik dien alleen tegen die mij kwaad willen doen.
—Allah zij mij genadig! Ik wil niets meer met u te maken hebben. Allah, w’ Allah!
Hij strekte alle tien zijn vingers tegen mij uit, maakte rechtsom keert, en liep in allerijl weg. Mijn vrienden barstten in een onbedaarlijk gelach los.
—Dat hebt gij mooi gedaan, Sihdi,—viel Halef in. Die man laat zich niet weer zien, hij heeft een kwaad geweten. Wij krijgen nu gelukkig een ander om ons te bedienen.
—Ja, en wel hoogstwaarschijnlijk hem, dien ik wensch, namelijk Janik, de aanstaande man van dat jonge Christen-meisje.
—Waarom denkt gij dat?
—Omdat Humun hem alles kwaads toewenscht om Anka. Hij zag hem liefst dood gaan, en zal het nu wel zóó inrichten, dat Habulam onze verzorging aan zijn gehaten medeminnaar opdraagt. Maar help mij nu eerst op mijn matras en ga dan op verkenning uit. Wij moeten weten, hoe het er in dezen toren uitziet.
Toen ik het mij op mijn matras gemakkelijk gemaakt had, klommen de drie anderen naar boven, maar kwamen al spoedig terug. Halef berichtte:
—Ik geloof niet, dat hier eenig kwaad tegen ons ondernomen kan worden. De beide vertrekken boven ons, zijn volkomen zoo als dit.
—Zijn er blinden aan de ramen, zoo als hier?
—Ja, en ze kunnen met sterke houten sluitboomen vast gemaakt worden.
—Wij kunnen er dus voor zorgen, dat van nacht niemand ons besluipt, zonder leven te maken. En hoe is het heelemaal boven?
—Daar is een rondom open ruimte, door een ballustrade omgeven en gedekt door een dak, dat op vier steenen pilaren rust.
—Dat heb ik van buiten af ook gezien. In allen geval is daar de oude op gekomen om haar kinderen te zegenen.
—Maar dat zal zij nu wel niet meer kunnen, want de vroegere opening is dichtgemetseld,—verzekerde Halef.
—Dat dichtmetselen moet toch zijn reden hebben. Hoe komt men dan nu op dat terras om van het mooie vergezicht te genieten? Daar het rondom open is, kan het niet anders of er moet regen op vallen, waar blijft dat water? Loopt dat de trap af, in de vertrekken er onder en hier? Naar buiten kan het niet. De ballustrade belet dat. Er moet dus een afwatering zijn.
—Ja, die is er. De trap-opening op het terras wordt gesloten met een deksel dat men er afnemen kan. De dekselrand en die van de trapopening zijn van gom-elastiek voorzien en sluiten waterdicht. De vloer van het terras glooit van uit het midden naar den muur, en daarin is een gaatje waardoor het water afloopen kan.
—Hm! Die open terraskamer komt mij gevaarlijk voor. Men kan er van buiten af op en zoo bij ons komen.
—Daarvoor is het terras te hoog.
—Toch niet. Deze kamer is zoo laag, dat ik rechtop staande met mijn hoofd tegen de zoldering stoot. Wanneer de twee boven ons liggende vertrekken van dezelfde hoogte zijn, dan is de bedoelde vloer hoogstens zeven en een halven meter hoog. Reken ik nu nog een meter voor de balustrade, dan is de heele hoogte acht meter vijftig.
—Men zou een Merdiwan (een ladder) daarvoor noodig hebben, maar die zullen ze hier wel bij de hand hebben.
—Dat zou ik wel denken. Maar het trapluik kan toch wel goed gesloten worden?
—Neen.
—Het is dus zoo duidelijk als tweemaal twee vier, dat de weg naar hier voor onze vijanden, die natuurlijk een ladder hebben, open ligt. Of zijn de lagere zolderingen soms te sluiten?
—Neen.
—Ook dat niet! Wij kunnen dus op een mogelijk bezoek rekenen, dat wel eens slecht voor ons kon afloopen. Ik moet zelf den toestand opnemen. Osko, kunt gij mij op uw schouders naar boven dragen?
—Ja, Heer, ga er gerust op zitten, ik zal bukken.
Ik ging als te paard op zijn schouders zitten en hij droeg mij naar boven.
Iedere verdieping in den toren was juist als ons vertrek. In de vloeren waren openingen, waardoor de trap liep. Deze openingen hadden geen sluiting, behalve die onder het dak, waarvoor het sterke zware deksel diende, dat men, door de gummi-banden, waterdicht afsluiten kon. De gording, onder het dak, was anderhalve meter hoog, zoodat tusschen de zuilen, waarop het dak rustte, een opening was, waardoor men prachtige vergezichten had over velden en rijen van vruchtboomen.
Bovendien liep er, boven langs den toren, een balkon. Het was gevaarlijk zich daar buiten op te begeven, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom die toegang dichtgemetseld was.
Hier school voor ons het gevaar. Met een ladder kon men naar boven komen en drie trappen afgaande, was men in ons vertrek. Wilden wij dat verhinderen, dan moesten wij die dak-afsluiting zoodanig van binnen verzekeren, dat zij van buiten niet kon geopend worden.
Het vergezicht was echter in een droevig waas gehuld. Reeds gedurende het laatste uur van onzen rit hadden wij wolken zien drijven, die nu den ganschen horizon dekten en aldoor zich uitspreidden.
Nauwlijks waren wij in de voor ons bestemde kamer terug, of er kwam een flinke sterkgebouwde jongeman bij ons, met twee vaten drinken wasch-water. Met zijn open en vriendelijken blik keek hij ons onderzoekend aan.
—Sallam!—klonk zijn heldere stem. Mijn Heer zendt mij om u water te brengen, Effendi! Het eten zal weldra klaar zijn.
—Waarom komt Humun niet?
—Zijn heer heeft hem noodig.
—En hij heeft ons juist het tegendeel gezegd!
—De beenen begonnen pijn te doen, toen had hij zijn knecht noodig.
—Dus komt gij ons bedienen?
—Ja Heer, tenzij u het anders wenscht.
—Ik zie u liever hier dan Humun. Gij zijt Janik, de aanstaande man van Anka?
—Ja Heer. Gij hebt haar veel gegeven. Zij heeft het geld nageteld, toen zij thuiskwam. Zij zendt het u terug, want gij moet u vergist hebben. Zóó veel hebt gij haar zeker niet willen geven.
Hij reikte mij het geld toe.
—Ik neem er niets van terug, want ik wist hoeveel ik haar gaf. Het is voor Anka.
—Maar dat is toch te veel, Heer!
—Neen. Misschien krijgt gij ook wel zooveel, als ik over u tevreden ben!
—Ik verlang geen Bakschisch, Heer. Wel ben ik arm, maar ik zal u gaarne bedienen, ook zonder fooi. Anka heeft mij gezegd dat gij ook van ons geloof zijt en bovendien den Heiligen Vader in Rome gezien hebt. Daarom doe ik gaarne alles waarmee ik u van dienst kan zijn.
—Gij zijt een brave jongen, en als ik u met iets kan helpen, doe ik dat gaarne. Is er soms iets, dat gij wenscht?
—Het eenige, dat ik wensch, is zoo spoedig mogelijk Anka mijn vrouw te kunnen noemen.
—Zorg dan dat gij zoo spoedig mogelijk de duizend piasters bijeen hebt.
—Aha, Anka heeft gebabbeld! Maar wat dat betreft, ik heb mijn duizend piasters al haast bijeen. Anka is echter met de hare nog lang zoo ver niet.
—Hoeveel ontbreken er nog aan uw spaarpot.
—Nog twee honderd.
—Hoe lang moet dat duren, voor gij die bijeen hebt?
—Nu, daar zal ik nog wel twee jaren voor noodig hebben. Ik moet geduld hebben. Stelen mag ik niet, en Habulam geeft maar heel weinig loon.
—Wat zoudt gij zeggen, als ik u die twee honderd piasters gaf?
—Maar, Heer, dat kunt gij toch niet meenen!
—Met iemand, die het zoo ernstig meent als gij, spreek ik ook in ernst. Ik wil u dat geld geven, en dan kunt gij uw Anka helpen sparen. Kom hier, daar is het.
Het waren ongeveer vierentwintig gulden. Ik gaf ze hem gaarne, want hij was een eerlijke oprechte jongen, en ook was het niet mijn geld, dat ik gaf. Hij was ontzettend blij; alleen kon hij niet begrijpen, dat een vreemde hem, zonder dat hij er iets voor doen zou, zooveel geld gaf. De eigenlijke reden zei ik hem natuurlijk niet. Mijn doel had ik echter bereikt, want ik had in Janik iemand gewonnen, dien ik volkomen kon vertrouwen en ons met al wat hij kon, zou bijstaan.
Hij gaf een ieder van ons de hand, met de verzekering, dat hij alles zou doen om onze tevredenheid te verdienen.
Ik begon hem nu voorzichtig over zijn heer uit te hooren, en ik kwam het navolgende te weten:
Habulam was de broeder van Manach el Barscha, den wegens verduistering voortvluchtigen ontvanger der belasting. Daarom was mij het gezicht van Habulam zoo bekend voorgekomen, want hij geleek sprekend op zijn broer. Manach kwam dikwijls bij zijn broer, en verschool zich, omdat hij hier te bekend was, alsdan in de groote koornschelf, die het dichtst bij onzen toren stond. Deze schuilplaats moest voor de knechten een geheim blijven, maar dezen kenden dat reeds lang. Natuurlijk zwegen zij er over. Ook had Habulam aan Janik gelast, om zooveel mogelijk bij ons te blijven en hem alles over te brengen wat wij onder elkaar mochten praten.
—Als hij er naar vraagt,—zeide ik,—zeg hem dan dat gij ons niet verstaat, want dat wij in een vreemde taal spreken, die gij niet kent.
—Dat zal wel het best zijn. Nu moet ik echter weg, want het eten zal klaar zijn.
Toen Janik ging, liet hij, zooals ik hem gezegd had, de deur openstaan, opdat ik de gevaarlijke koornschelf op mijn gemak zou kunnen bezien. Deze was van een tamelijken omvang, en juist tegenover ons; ook merkte ik onderaan een plek op, die iets afweek van de omgeving. Daar was ongetwijfeld de ingang. Boven uit den top van het trechtervormige dak stak een stok, waarin zich een stroowisch bevond, die misschien wel dienen moest om geheime teekens te geven.
Janik kwam al spoedig terug, met een groote mand. Hij zette het eten op tafel. Het bestond uit maïsbrood, koud vleesch en een warme verleidelijk riekende ommelet (Jumurta jemeki).
—Heer,—zeide hij,—Anka heeft mij toegefluisterd, dat gij u voor de Jumurta jemeki in acht moest nemen.
—Heeft zij iets opgemerkt dat haar verdacht leek?
—Onze Heer heeft zelf er alles voor klaargemaakt, maar Anka eerst weggestuurd. Ze heeft echter door een kiertje gekeken en gezien dat hij het peperhuis met Sytschan zehiri (rottekruid) uit zijn zak haalde.
—En was hij nu ook nog in de keuken?
—Ja, hij vroeg mij, waarover gij gesproken hadt, en ik antwoordde zooals gij mij gezegd hadt. Toen gelastte hij mij, erg vriendelijk tegen u te zijn en zooveel mogelijk met u te praten, opdat gij mij zoudt moeten antwoorden en misschien lust zou krijgen een gesprek met mij aan te knoopen. Hij heeft mij vijf piasters (60 cts.) fooi beloofd, voor als ik alles goed deed.
—Hebt ge soms lust om uw ziel voor vijf piasters aan den duivel te verkoopen?
—Voor geen duizend! Maar Anka laat u zeggen, dat gij zonder zorg van het vleesch en het brood kunt eten.
—Dan zullen wij haar raad opvolgen. De Jumurta jemeki zal ik terstond de musschen eens laten proeven.
Wat keurige kamer wij hadden, blijkt uit het feit dat ons vertrek tot toevluchtsoord en onderdak van eenige musschen diende. Er waren enkele steenen uit de muren gevallen en in de daardoor ontstaan zijnde gaten bevonden zich de nesten van die brutale proletariërs, die niet eens zooveel gevoel, voor wat gebruikelijk was, bezaten, dat ze behoorlijke nesten maakten.
Die vroolijke musschen schenen voor ons in ’t geheel niet bang te zijn, want zij vlogen onophoudelijk in en uit, en zaten, van uit hun nest, zoo onbeschaamd mogelijk, te kijken.
Ik gooide eenige stukken van de ommelet in een hoek, en de vogels vlogen er op af, om er duchtig om te kibbelen. Of ze het eten hadden zien binnendragen, weet ik niet, maar wel zag ik dat nagenoeg alle tafelschuimers present waren. Het was buiten al mooi donker geworden, en een gerommel van uit de verte verkondigde ons de nadering van onweer.
—Breng ons een lamp,—zeide ik tot Janik,—en maak van die gelegenheid gebruik, om aan uw meester te zeggen, dat wij alle luiken dicht zullen maken!
—Waarom?
—Ja, dat zal hij wel vragen. Zeg hem, dat wij de spokende oude moeder het binnenkomen willen beletten.
Toen hij zich verwijderd had, klommen mijn vrienden vlug naar boven om de luiken ter dege te sluiten. Nauwelijks was dit gedaan of Janik kwam terug met een steenen lamp, waarin zóó weinig olie was dat ze binnen het uur moest uitgaan.
—Waarom brengt gij ons zoo weinig olie?—vroeg ik.
—Mijn Heer zei, gij zoudt wel spoedig gaan slapen. Maar Anka is ook niet dom! Zij heeft mij tersluiks dit fleschje meegegeven.
Hij haalde het fleschje uit zijn zak. Er was olie genoeg in, en hij gaf het mij.
—Dat is niet enkel gierigheid,—zeide ik. Onze gastheer Wil ons in ’t donker laten zitten; dan is men hulpeloos.
Een angstig gepiep en gesjilp deed mij naar de musschen kijken. Zij zaten met opgestoken veeren in hun nest, en het was duidelijk dat zij pijn hadden. Een vladderde uit zijn nest en viel op den grond, waar hij nog een paar malen met zijn vleugels sloeg en zich daarna niet meer bewoog. Hij was dood.
—Zoo gauw!—zeide Halef. Die schoft moet een geduchte portie vergift in de ommelet gedaan hebben!
—Er is ook heel wat voor noodig om vier sterke mannen met rottekruid te vergiftigen. Met ons zou het zeker niet zoo gauw gedaan geweest zijn, als met een musch. Dat mensch is niet alleen duivels slecht, maar ook verbazend dom. Hij moet gedacht hebben dat wij even gauw zouden bezwijken als die vogels, en dus geen tijd meer zouden hebben om ons te wreken.
Er lagen nu reeds meer vogels dood op den grond. De arme diertjes gingen mij wel aan het hart, maar ik had ze moeten opofferen om zekerheid te krijgen.
—Wat zult gij nu met de ommelet doen, Sihdi?—vroeg Halef. Zullen wij naar Habulam gaan en hem met zweepslagen dwingen zijn eigen ommelet op te eten?
—Het eerste gedeelte van uw voorstel neem ik aan, maar het laatste niet. Wij gaan terstond naar hem toe en nemen de ommelet mee, netjes gegarneerd met de doode vogels.
—Heer, doe dat niet,—bad Janik,—want dan loopt het slecht met mij af, omdat hij zal denken dat ik u gewaarschuwd heb.
—Daarin zullen wij hem te vlug af zijn. Wij zullen doen, alsof gij van ons een stuk hadt gekregen en opgegeten, zoodat gij nu van de pijn ligt te krimpen. Kunt gij dat veinzen en u goed houden, als hij soms komt kijken?
—Ik denk wel van ja.
—Laat dan de rest maar aan mij over. Kunt ge mij ook zeggen, waar wij Habulam zullen vinden?
—In zijn kabinet achter de ontvangkamer (Selamluk), waar gij met hem gezeten hebt. Gij ziet de deur terstond. Is hij niet daar, dan is hij in de keuken; want Anka vertelde mij, dat hij er bij wilde zijn als het avondeten voor u werd klaargemaakt (het Achscham).
—En waar is de keuken?
—Links van de plaatsdeur. Men heeft er u voorbij gereden. Pas echter op, dat hij u niet ziet aankomen, want dan schuilt hij weg.
Hij ging, en ook wij maakten ons op, ik natuurlijk in mijn wandelwagen. Halef bedong voor zich de pret, de ommelet te dragen, en hij hield die toegedekt onder een slip van zijn kaftan. Maar wij gingen niet over de binnenplaats. Wij liepen er om heen, om niet te gauw opgemerkt te worden.
Eerst zochten wij onzen gastheer in zijn particulier vertrek. Omdat de vloer met matten belegd was, kon men ons moeilijk hooren aankomen terwijl wij nog in de ontvangkamer waren. Osko deed de aangeduide deur open en trad naar binnen.
—Wat wilt gij?—hoorde ik Habulam verschrikt vragen.
Op hetzelfde oogenblik schoof Omar mij naar binnen. Toen Habulam mij zag, spreidde hij zijn tien vingers voor mij uit, en riep in doodelijken schrik:
—Hasa, si amahu Allah,—God beware mij, God behoede mij! Ga weg, ga weg! Gij hebt den boozen blik!
—Alleen voor mijn vijanden, maar niet voor u!—antwoordde ik.
—Neen, ik durf mij niet door u laten aankijken!
—Maak u niet bezorgd! Zoolang gij vriendelijk jegens mij gezind zijt, kunnen mijn oogen u geen kwaad doen.
—Dat geloof ik niet! Er uit, er uit!
Sidderend van angst had hij zich afgewend, om mij niet te moeten aankijken, en hield zijn handen naar de deur gestrekt.
—Murad Habulam,—zeide ik op strengen toon,—wat bezielt u? Behandelt men zijn gast ooit op zulk een manier? Ik zeg u dat mijn blik u volstrekt geen kwaad zal doen, en ik ga niet weg, voor ik met u besproken heb, wat mij tot u doet komen. Keer u dus gerust naar mij toe en kijk mij aan.
—Kunt gij mij bij Allah verzekeren, dat uw blik mij geen kwaad zal doen, ook al valt die op mij?
—Ik geef u die verzekering.
—Dan wil ik het wagen. Maar ik zeg u, dat mijn vinnigste vervloeking u zal treffen, als gij mij onheil aanbrengt.
—Die vervloeking zal mij niet treffen, want mijn oog zal slechts in vriendschap op u gericht zijn en u dus niet schaden.
Nu wendde hij zich naar mij toe. Maar de uitdrukking van zijn gelaat getuigde van zoo grooten angst, dat ik er mij ten zeerste in verheugde.
—Wat wilt gij van mij?—vroeg hij.
—Ik zou een kleine opheldering van u willen hebben, maar eerst u een vriendelijk verzoek willen doen. Het gebruik brengt mee, dat de gastheer het brood met zijn gasten deelt. Gij hebt dan niet kunnen doen, omdat het podagra u verhinderde, naar mij toe....
Ik zweeg plotseling, alsof ik eerst nu op zijn beenen lette. Inderdaad had ik terstond bij mijn komst bemerkt, dat de dikke omslagen verdwenen waren.
Hij stond recht overeind. De wijde broekspijpen hingen hem in breede plooien om de knieën, en de schrikbewegingen, die hij gemaakt had, waren zoo vlug en heftig geweest, dat er bij hem van eenige pijnlijke aandoening in de beenen geen sprake meer kon zijn. Daarom ging ik na een oogenblik van verbazing, aldus voort:
—Wat zie ik! Heeft Allah een wonder gedaan? Is uw krankheid geweken?
Hij was met zijn zoogenaamde wonderbare genezing, zóó verlegen, dat ik hem slechts eenige onverstaanbare woorden hoorde stamelen.
—En nu hadt gij nog wel angst voor mogelijk kwaad, dat mijn oog u doen zou?—ging ik voort.—Mijn blik brengt, aan die mij goed gezind zijn, niets dan geluk. Ik ben daarvan zóó overtuigd, dat ik uw plotselinge genezing uitsluitend aan mijn oog en aan mijn vriendschap voor u toeschrijf. Wee echter dengene, die kwaad tegen mij in den zin heeft! Mijn blik is voor hem een onuitputtelijke bron van allerlei rampen! Al ben ik op honderden mijlen van hem verwijderd, dan is een enkele gedachte aan hem genoeg, om al het kwade, dat ik hem toewensen, over hem te doen komen.
Daarmede had ik hem overvloedige stof voor een uitvlucht gegeven. Hij maakte daar terstond gebruik van, zeggende:
—Ja, Effendi, alleen daar kan het door gekomen zijn. Sedert jaren lijd ik aan die Nikris. Nauwlijks waart gij weg of ik bemerkte een onbeschrijfelijk gevoel in mijn beenen. Ik beproefde te loopen, en zie, het gelukte! Nog nooit in mijn leven heb ik mij zoo gezond en sterk gevoeld, als nu. Dat kan alleen uw blik hebben gedaan.
—Pas dan op, dat het ook zoo blijft! De verandering uwer gezindheid brengt ook verandering in uw welstand mee. Gij zoudt er dan slechter aan toe zijn dan ooit.
—Effendi, waarom zou ik van gezindheid jegens u veranderen? Gij hebt mij niet alleen geen kwaad gedaan, maar genezing aangebracht. Gij zijt mijn vriend en ik de uwe.
—Zoo is het en daarom heeft het mij zoo gespeten dat ik onzen maaltijd niet met u heb kunnen deelen. Gij zult echter van ons niet zeggen, dat wij de wetten der beleefdheid en der vriendschap niet kennen. Daarom komen wij om het lekkerste van onzen maaltijd hier te brengen, en u te verzoeken daarvan, in onze tegenwoordigheid te willen genieten. Wij willen toezien en ons van harte verblijden, als gij die heerlijke spijs ter onzer eere opeet. Hadschi Halef Omar, geef ze hier!
Halef nam de slip van zijn kaftan, van de ommelet weg, ging naar Habulam toe en bood hem die aan, met de woorden: Heer, neem deze spijs der gastvrijheid, en schenk ons het genot u die te zien eten, en zelfs te mogen toezien, hoe die u smaakt!
Er lagen zes doode musschen bovenop. Habulam keek verlegen van den een naar den ander en vroeg:
—Wat moet dat? Waarom zijn die vogels op de Jumurta jemeki?
—Ik gaf ze er van te eten, en ze zijn terstond gestorven van het genot dier heerlijke spijs. Nu zijn zij paradijs-vogeltjes geworden en vermeien zich in de tuinen van den Profeet, om met nachtegaalklanken den lof te zingen uwer voortreffelijke kookkunst.
Hij strekte de hand niet uit naar de ommelet, hij was zoo bleek geworden als een doek en stotterde:
—Effendi, ik begrijp u niet. Hoe kunnen musschen van een ommelet sterven?
—Dat is het juist, wat ik u vragen wilde; daarom ben ik hier gekomen.
—Hoe kan ik dat zeggen?
—Wel, niemand beter dan juist gij. Hebt gij de ommelet niet zelf klaargemaakt?
—Ik? Hoe komt gij op die gedachte, dat ik zelf haar zou hebben gebakken?
—Ik dacht dat uw groote vriendschap voor mij u er toe gedreven had om dien lekkeren schotel zelf te bereiden.
—Zoo iets kan niet in mij opkomen. Ik ben geen kok (Aschdschy). Ik zou alles bederven.
—Zeg ons dan, wie dat zoo handig gedaan heeft.
—Anka, de dienstmeid heeft het gedaan.
—Zoo toon haar dit gebak en doe er haar van eten. Dit is geen Uemr taami (brood des levens), maar Oelum jemeki (spijs des doods). Over die er van eet, komen de schaduwen der ontbinding.
—Heer, uw woorden doen mij beven!
—Als ik het kwade oog niet had, zoudt gij op dit oogenblik nog angstiger zijn. Dan lagen onze lijken in den toren, en onze geesten kwamen ’s nachts, met de oude vrouw, spoken om den lichtzinnige te verontrusten, die den dood in het brood des levens heeft gemengd. Gelukkig is mijn blik zoo scherp, dat hij door alles heen ziet. Niets ontgaat mij, kwaad noch goed. En al laat ik het al niet merken, toch lees ik in ieder menschen hart, en weet wat daarin omgaat. Zoo heb ik ook terstond het rottekruit opgemerkt en, om het u te bewijzen, de vogelen des hemels er van gegeven, die terstond dood neergevallen zijn.
—Allah! Is dat waar?
—Ik zeg het, en dan is het zoo.
—Maar hoe is dat dan gebeurd?
—Ik zou denken, gij moest dat weten.
—Ik weet er niets van. En hoe zoo iets kan gebeurd zijn, begrijp ik nog minder. In mijn keuken is ook geen vergif!
—Maar ratten zijn er toch immers wel?
—In huis zijn er zelfs veel.
—Dus is er ook vergif om ze te dooden?
—Ja, ik heb het uit Uskub laten komen.
—En waar bewaart gij het?
—Hier in mijn eigen kamer. Het ligt op de plank aan den muur. Alleen ik kan er bij.
Ik keek waar hij wees. Daar stonden allerlei kistjes en doosjes. Een peperhuis zag ik niet. Misschien had hij het nog in zijn zak; daarom zeide ik:
—Als gij u het gebeurde niet kunt verklaren, zoo wil ik mijn oog laten werken en daarmee zie ik alles dat verborgen is. Welnu, ik zie Anka, het meisje is in de keuken en ik zie er u ook. Gij stuurt haar weg. Terwijl zij weg is, neemt gij het peperhuis met Sytschan zehiri uit uw zak en gij schudt er een gedeelte van in het meel van de ommelet.
Verschrikt deed hij een stap achteruit.
—Effendi!—riep hij uit.
—Is ’t niet zoo?
—Neen, gij ziet mij toch niet voor een giftmenger aan!
—Heb ik dat gezegd? Gij hebt u misschien wel vergist, en het rottekruid voor suiker aangezien.
—Neen, neen! Uw oog bedriegt u. Ik ben in ’t geheel niet in de keuken geweest.
—Maar ik zie u er toch, en mijn oog liegt niet.
—Neen, gij vergist u. Het moet een ander geweest zijn!
—Ik vergis mij niet. Voel eens in uw kaftan. Daar zit het vergif nog in.
Onwillekeurig stak hij zijn rechterhand in den zak, maar trok zijn hand terstond terug, uitroepende:
—Maar wat wilt gij dan toch, Effendi? Waarom moet ik vergif in mijn zak hebben?
—Om het voor de ratten te gebruiken.
—Maar ik heb geen vergif!
—Voel maar eens in uw rechterzak; daar is het peperhuis, ik zie het!
Hij voelde er in, haalde zijn hand er leeg weer uit, en verzekerde:
—Er is niets in.
—Murad Habulam, laat alles waar zijn, nu liegt gij.
—Neen, Effendi!
—Hadschi Halef, haal het peperhuis uit zijn zak!
Halef ging naar hem toe en stak zijn hand uit. Habulam trad toornig achteruit en zei:
—Heer, wat begint gij? Denkt gij dat ik een schurk ben, waarmee men doen kan wat men wil! Niemand heeft het recht om mijn zakken te doorzoeken, en dat nog wel in mijn eigen huis!
Waarschuwend hief Halef den vinger op.
—Murad Habulam, verzet u niet! Als gij mijn Effendi boos maakt, dan werpt hij u terstond den boozen blik toe en geef ik geen duit meer voor uw leven. Denk er om!
Hij greep, zonder daarin verhinderd te worden, in Habulams zak en haalde er het peperhuis uit.
—Welnu, Habulam,—zeide ik,—wie heeft gelijk?
—Gij, Effendi,—stamelde hij. Maar, bij Allah! ik weet niet hoe dit peperhuis in mijn zak gekomen is. Dat moet de een of ander gedaan hebben om mij in het verderf te storten.
—Zoudt gij mij willen verplichten dat te gelooven?
—Dat moet gij gelooven, want ik zweer het u bij den baard van den Profeet. Dat kan niemand anders gedaan hebben dan Janik, want hij is in de keuken geweest.
—Die heeft het zeker niet gedaan.
—Gij kent hem niet. Hij is door en door slecht, en altijd erop uit om te doen wat gemeen is. Waarom heeft hij u op mij afgestuurd? Is hij niet bij u om u te bedienen? Weet hij niet, dat ik u allerminst verwachtte? Waarom heeft hij u niet verhinderd om naar mij toe te komen?
—Omdat hij het niet kon. Om door hem niet gehinderd te worden, zond ik hem naar den stal, en toen zijn we terstond stil weggeslopen.
—En toch is alleen hij het geweest!
—Gij verdenkt hem ten onrechte. Hij at van de ommelet, waarvan wij hem een stuk gaven. Zou hij dat gedaan hebben, als hij er het vergif in had gedaan?
—Wat? Heeft hij er van gegeten, hij?
—Vraagt het hem zelf. Ziet gij niet, dat er een stuk van de ommelet af is?
Dit stuk hadden wij er af gesneden en verstopt.
—O Allah! Maar dan gaat hij dood!
—Helaas!
—En dat is uw schuld, want gij hebt er hem van gegeven!
—Neen, gij zijt de schuldige. Waarom hebt gij ons die vergiftige spijs gezonden? Mij kunt gij niet wat wijs maken. Ik wil u nog niet terstond straffen, maar u tijd geven tot berouw. Maar pas op, dat gij niet nog verder kwaad tegen ons verzint. Eigenlijk moest ik uw huis terstond verlaten, maar dan bleef de ellende bij u achter en zoudt gij vergaan. Daarom wil ik uit barmhartigheid nog tot morgen bij u blijven, opdat gij u beteren moogt. Nu laten wij u alleen. Denk eens na, hoe onbezonnen gij gehandeld hebt en nog verder handelen wilt!
Hij antwoordde geen syllabe, en wij verwijderden ons. Ik had opgepast, mij niet al te duidelijk uit te drukken. Hij behoefde nog niet te weten hoe en wat wij over hem dachten. Toen wij in den tuin kwamen, volgden donder en bliksemflitsen elkaar onmiddellijk op. Het onweer brak los en wij haastten ons, om den toren te bereiken, waar Janik op ons wachtte.
Tengevolge van het onweer en ook door de invallende schemering, was het tamelijk duister geworden. Halef wilde de lamp opsteken, maar dat liet ik niet toe. De deur werd aangezet, maar niet heelemaal dicht gedaan, zoodat ik, vanwaar ik zat, door een kier in den tuin kon zien en de schelf in het oog houden.
Ofschoon het niet waarschijnlijk was dat ik iets zou zien, te minder omdat men wel met de grootste omzichtigheid te werk zou gaan, trof ik het toch bizonder gelukkig. Een verblindende bliksemstraal had, ondenkbaar kort, de duisternis onderbroken, maar dat moment was voldoende om mij te doen zien dat er menschen waren bij de koornschelf. Twee van hen waren in gebukte houding bezig, den ingang te verwijden, door er eenige schooven uit te trekken.
Wie waren die menschen? Ongetwijfeld de door ons verwachten, die onopgemerkt hun schuilplaats hadden kunnen bereiken, omdat de stortregen alle huisgenooten naar binnen had gejaagd. Ik besloot ze te beluisteren.
Allereerst droeg ik Janik op, bij de niet geheel gesloten deur uit te zien, wanneer het voor mij geschikte oogenblik zou gekomen zijn. Het gedurig lichten gaf hem daartoe genoegzame gelegenheid. Zoodra hij mij kwam zeggen dat hij niemand meer zag en de ingang tot de koornschelf weer dichtgestopt was, liet ik mij door hem en Osko er heen dragen. Nadat zij zich oogenblikkelijk weer verwijderd hadden, beproefde ik mij tusschen de heen en weer gevlijde garven in te dringen. Dat was moeilijk genoeg, omdat de garven door hun eigen gewicht elkaar drukten en ik mij niet door het minste geritsel verraden mocht.
De kletterende regen, het loeien van den storm en het bijna aanhoudend gerommel van het onweer waren mij in dit opzicht van goeden dienst. Ik schoof mij, natuurlijk het hoofd vooruit, verder en verder tusschen de garven in. De halmen van de rogge waren niet in verwarde bundels saamgevoegd, maar languit gebost, zoodat ze van meer dan manslengte waren. Daardoor was dan ook de buitenste rand van de schelf dikker dan ik lang was en ik kon daarin verdwijnen, zonder dat van buiten mijn voeten of van binnen mijn hoofd kon worden gezien.
Langzaam en geruischloos schoof ik vooruit, tot ik bij een plek kwam, van waar uit ik, gedekt door een gordijn van aren, het innerlijke van de uit koren gemaakte schuilplaats overzien kon.
Zooals ik daar lag, moest ik dubbel voorzichtig zijn. Indien ik, door beweging of geluid mijn aanwezigheid verried, had ik, ingepakt als ik was, mij niet kunnen verdedigen. Iedere op mij afgevuurde kogel moest me treffen. Bij de ontdekking kon ik mij alleen redden door mijn vijanden voor te zijn. Daarom had ik dan ook mijn beide revolvers in mijn handen, tot schieten gereed. Alle andere wapens had ik achtergelaten in den toren, want hun verlies zou onherstelbaar zijn.
De kringvormige grondvlakte, van de ruimte vóór mij, zal ongeveer tien meter omtrek gehad hebben. De koornmuren waren ongeveer 2,80 dik; de ledige ruimte had dus een middellijn van stijf vier meter en kon zeer goed een twaalftal personen bergen. Janik had de ruimte kleiner geschat. Midden in stond een sterke hooge paal, die het dak droeg, dat van stroo was. Rondom lagen bundels van rogge, om tot zitting te dienen, en aan den paal hing een brandende lantaarn, die de anders donkere ruimte verlichtte. De ingang was met eenige minder stijf gebonden halmen dichtgemaakt, welke sluiting gemakkelijk uitgetrokken en weer ingebracht kon worden, iets dat aan den buitenkant niet, maar van binnen zeer goed te zien was.
Waartoe had Murad Habulam dezen schuilhoek gemaakt? Soms alleen om zijn broer Manach el Barscha te verbergen? Dan had hij met een kleinere ruimte kunnen volstaan. Ook waren er in zijn huis plekjes genoeg om een enkelen man te verstoppen. En dan kwam de ex-ontvanger immers altijd te paard! Ook daarvoor moest een geheime stalling zijn!
Neen, deze koornschelf was ontwijfelbaar voor grootere samenkomsten bestemd; ze moest dienen voor geheime samenkomsten, en het vermoeden lag voor de hand, dat de aanhangers van den Shoet hier bijeen kwamen.
Was dat werkelijk het geval, dan ook stond het vast, dat Murad Habulam een hoofdman van deze rooverbende was. Hij, die podagra veinsde te hebben, was zoo goed ter been, dat hij door dit verschrikkelijke weer hierheen kon loopen. Hij zat recht tegen mij over. Aan zijn beide zijden zaten zijn broeder Manach el Barscha en Barud el Amasat. Naast den laatste zat de oude Mubarek, die zijn arm in een draagband droeg. Bij den ingang stond Humun, de lijfknecht, en tegenover hem de Miridiet, de broeder van den overleden slager van Sbiganzy. Hij was dus toch gekomen, zooals ik wel gedacht had.
Aan den kant waar ik mij verscholen had, zaten drie personen, namelijk de beide Aladschy’s, en Suef, de spion. Ik kon ze niet zien, omdat zij beneden de hoogte waarop ik lag, zaten; maar ik hoorde ze, en kende hun stem.
Dat waren dus de personen, tegen wier vijandschap wij ons te verweren hadden. Hun kleeren dropen van den regen en er kleefde zooveel koornveegsel aan, dat zij nauwelijks te kennen waren.
De eerste, dien ik hoorde, was de Miridiet. Hij maakte de voor mij weinig belangrijke opmerking:
—Wij hadden onze paarden niet in het struikhout moeten onderbrengen, want met dat onweer zijn we niet zeker dat zij rustig blijven.
—Gij kunt zonder zorg zijn, want mijn knechten passen er goed op,—antwoordde Habulam.
De paarden stonden dus ergens in het bosch, en wel onder toezicht van eenige knechten van den gastheer. Dit bevestigde mijn vermoeden, dat Habulam nog meer vertrouwelingen had, dan Humun.
De oude Mubarek had de windsels van zijn arm afgedaan en liet er door Barud el Amasat het verband afnemen. Habulam gaf hem een potje met zalf, dat van te voren bij hem moest besteld zijn. Op den grond stond een kruik met water, waarmee de wond eerst uitgewasschen werd.
Ik zag dat mijn schot van eergisteren de spieren van zijn bovenarm geraakt had. De kogel van gisteren had ook zijn elleboogsknokkel vermorzeld.
Beide wonden moesten hem erge pijn doen, vooral de laatst genoemde, te meer daar van een goed verband geen sprake was. In het allergunstigste geval hield hij voor altijd een stijven arm; maar waarschijnlijker was het, dat zijn arm afgezet zou moeten worden. Als de gewonde niet spoedig goed verpleegd werd, dan kwam er onvermijdelijk koud-vuur bij.
Nadat de gekwetste deelen uitgewasschen waren, liet hij die, met een linnen doek, waarop de zalf was gestreken, zwachtelen en daarna verbinden. De oude vertrok daarbij geen spier. Hij moest zeer sterke zenuwen hebben, anders had hij de pijn niet kunnen doorstaan.
—Allah, Allah, wat heeft die vreemde u toegetakeld!—zeide Habulam. Die arm wordt nooit weer wat hij geweest is.
—Neen, ik ben Kötrüm (vleugellam) geworden,—zei de oude knersetandend. Daarvoor zal hij tien dooden sterven. Is hij dan zóó gemakkelijk in den strik geloopen?
—Zoo gemakkelijk als een kraai, voor wien men in den winter, in een peperhuis, een stuk vleesch neerlegt. Zoo’n domme vogel steekt er zijn kop in, om er het vleesch uit te halen, en daar het papier met Oska (vogellijm) bestreken is, blijft hem dat aan den kop kleven en wordt hij, als een blinde, zonder eenige moeite gevangen. Zoo’n peperhuis hebben wij dezen vreemdeling opgezet en hem gesnapt. Mijn broer noemde hem slim. Hij heeft het tegendeel bewezen!
—Neen, slim is hij niet, maar de Scheïtan staat hem bij. Dáár zit zijn kracht!
—De Satan....? Neen. De Kem bakysch!
—Allah, w’ Allah!—riep Murabek, opspringende van schrik. Is dat werkelijk waar?
—Hij heeft het mijn knecht Humun gezegd en hem gewaarschuwd. Maar wat het ergste is, hij heeft niet maar den gewonen boozen blik, maar den Kem bakysch jyraka doghru (den boozen blik die in de verte werkt). Hij behoeft zich iemand maar voor den geest te halen en in gedachte aan te zien, dan komt over dien mensch al het kwaad dat hij hem toewenscht.
—Allah zij ons genadig! Neen, niet de duivel, maar zijn booze oog maakt hem onoverwinlijk. Die met hem zal vechten, moet hem aanzien en is dan verloren. Men kan dus geen gewonen strijd van man tegen man tegen hem opnemen, men moet hem van achteren aanvallen en zoo dooden; er vooral voor zorgende dat zijn oog niet op ons valt.
—Dus komt er van ons mooie plan niets?—vroeg Murad Habulam.
—Neen, tenzij iemand van ons den moed heeft om als Chajjal (spook) op te treden. Maar ik raad dat niemand aan, want dan zou het oog van den vreemde toch op hem rusten en hem verderven. Wie was daarvoor aangewezen?
—Humun.
—Neen, neen!—riep de knecht in doodelijken angst. Ik was het eerst wel van plan, maar nu denk ik er niet meer over om voor den geest van de oude moeder te spelen. Ik heb mijn leven veel te lief.
—Misschien laat er zich een ander voor vinden?—zeide Habulam. Toen echter niemand op die vraag inging, vervolgde hij:
—Niemand dus. Welnu, dan moeten wij wat anders verzinnen. Wij zijn nu toch bijeen en kunnen overleggen.
—Lang behoeven wij er niet over te praten,—zeide Barud el Amasat. Wij allen, wij willen dat deze menschen zullen sterven. Wij moeten hen dooden zonder dat de Duitscher ons kan aanzien en daarvoor is het noodig hem en zijn mannen in den slaap te overvallen.
—Volkomen juist!—was ook Manach el Barscha van oordeel. Wij wachten, tot zij slapen, en overvallen ze dan, verondersteld altijd dat het rottekruid van mijn broer het werk al niet voor ons heeft gedaan.
—Rottekruid?—vroeg Mubarek. Hebben ze dat dan werkelijk ingenomen?
—Ja. Ik sprak dat met Habulam af, toen ik kwam zeggen dat zij op komst waren. Hij zou het hun in een ommelet mengen en die hebben zij, naar ik geloof, nu al binnen.
—Nu, dan zijn ze voor de haaien, als hij ten minste niet te weinig genomen heeft.
—O, drie handen vol heb ik er in gedaan—zeide Habulam. Dat is genoeg om tien menschen te vergiftigen. Maar het heeft die schepsels geen kwaad gedaan!
—Hoe, in ’t geheel niet?
—Eenvoudig, omdat zij er niet van gegeten hebben. Die kerel met den boozen blik, heeft het terstond gezien dat de eierkoek vergiftigd was.
—Dat is toch onmogelijk!
—Onmogelijk? Wat zou dien Giaur onmogelijk zijn! Verbeeld u, hij kwam met zijn drie makkers in mijn kamer, om mij den ommelet te brengen. Met allerlei vertoon van vriendschap kwam hij me zeggen, dat de beste spijs den gastheer toekwam en hij wilde dat ik er van zou eten.
—O wee!
—En dan wilde hij nog bovendien, dat ik er in zijn tegenwoordigheid van zou eten. Hij had er de doode musschen boven op gelegd, waarop hij eerst de proef had genomen.
—O Allah! De zaak was dus verraden!
—Natuurlijk. Bij ongeluk heeft ook Janik er van gegeten en die zal er wel van doodgaan.
—Aan dien kerel is niets verloren!—viel Humun verachtelijk uit.
—Omdat gij hem haat? Maar gij moest bedenken, in wat verdenking ik er door kom! Ik kan tengevolge daarvan als giftmenger aangeklaagd worden.
En nu vertelde hij aan zijn verwonderde genooten, al wat er voorgevallen was. Daarna zeide hij:—De ommelet en de musschen heb ik terstond laten vernietigen; wie kan, mag mij nu bewijzen dat ik mijn gasten inderdaad vergif heb voorgezet.
—De dood van Janik zal het bewijzen.
—O neen! Wie weet wat hij gegeten heeft? Ik houd vol dat ik zelf den eierkoek opgegeten heb. Ik heb er niets van gekregen.
—Zullen de vreemden van avond nog weer eten?
—Ik denk van wel. Tenminste moet ik hun een avondeten aanbieden, ditmaal zonder vergif; want ik mag het niet nogmaals wagen om van giftmenging beschuldigd te worden. Neen, van avond zal ik, voor hen, zoo rijk laten opdisschen als maar denkbaar is.
—Daar zult gij verstandig aan doen. Dat zal ze in de war brengen en doen denken, dat zij zich toch misschien hebben vergist. Hoe minder achterdocht, hoe gemakkelijker ons werk. Laat dus zoo keurig mogelijk voor hen opdienen. Gij kunt het best doen, want wat het kost, is maar een kleinigheid, vergeleken bij het ontzaglijke voordeel dat gij trekt uit onze broederschap.
—Ik, ontzaglijk voordeel? Gij spreekt, alsof ik millioenen door u verdiend had. Het voordeel, dat ik door u heb, weegt in geen geval op tegen het gevaar van uw agent te zijn.
—Oho!
—Neem nu maar alleen dit geval! Als wij deze vreemdelingen dooden en het wordt bekend, dan kan ik mijn testament wel maken. Met al den invloed, dien ik heb, zou ik, in dat geval, mijn leven toch niet kunnen redden. Gij gaat er van door en laat u niet snappen. Gij hebt geen vaste woning, noch vast eigendom. Wilde ik mij door de vlucht redden, dan zou ik alles verliezen, wat ik bezit.
—Leg het dan maar slim aan!—bromde de oude Mubarek. Er mag geen spoor van die vervloekte kerels overblijven.
—Natuurlijk! Ze moeten in stukjes gehakt en in den grooten vischvijver van Habulam gegooid worden, tot spijs voor de snoeken,—stelde een ander voor.
—En dan mag ik de snoeken opeten, dank je wel,—zei Hambulam, met den grootsten afschuw.
—Noodig is het niet. Gij kunt de visch ook verkoopen. Maar wij moeten ons haasten, want voor het dag wordt, moet alles in alle stilte afgeloopen zijn en in geen geval mogen wij schieten.
Nu gingen zij breedvoerig overleggen, hoe zij ons het best zouden overvallen en dan of wurgen of doodslaan.
Eindelijk waren zij het er over eens, met behulp van de aanwezige ladder buiten langs, op den toren te klimmen, het luik van de trap-opening weg te nemen en dan, de trap af, naar omlaag te gaan, tot in het vertrek waar wij, zooals zij veronderstelden, zouden liggen te slapen.
—Maar misschien houden die kerels de wacht,—zei er een.
—Dat geloof ik niet,—antwoordde Habulam. Waarom zouden zij dat doen? Zij hebben sluitbouten op de deuren en vensters, en daar zij niet vermoeden dat iemand van boven af in den toren komt, zullen zij zich te veilig achten om nog bovendien wacht te houden. Overigens kunnen wij voor alle zekerheid nog eerst onderzoeken of zij slapen.
—Op wat manier?
—Door aan het raam te luisteren. Maar ik twijfel niet of zij zullen wel slapen; als het rondom donker is, blijft men niet lang wakker.
—Maar gij hebt ze toch een lamp meegegeven?
—Ja, maar met zoo weinig olie, dat ze lang voor middernacht uit moet zijn.
De oude schurk vermoedde niet, dat Janik ons voldoende van olie had voorzien.
—Kraken de treden niet?—vroeg Barud el Amasat.
—Neen, want ze zijn van steen; sommige mogen wat los liggen, maar leven maken ze niet.
—Het zou een mooie geschiedenis zijn, als wij, met treden en al, de trap kwamen afstormen!
—Daar behoeven wij niet bang voor te zijn. Maar voor alle zekerheid nemen wij een lantaarn mee, om op de trap te kunnen zien.
—Ja, dan waren wij vrij zeker dat... de kerels ons zouden zien!
—Toch niet. Er zijn verscheidene verdiepingen, zoodat het licht niet kan doordringen tot waar zij zijn. Als wij bij het benedenste vertrek gekomen zijn, laten wij de lantaarn staan, en halen die eerst terug als de kerels dood zijn.
—Dan is het goed. Toch is ’t geen gemakkelijk werkje. In de kamer bij de slapenden hebben wij geen licht, en we mogen geen leven maken. Hoe licht stoot men zich in donker niet!
—Bah! Hoe zwaartillend! Ik zie er geen zwarigheid in, als wij elkaar maar begrijpen en de rollen goed verdeelen. Dan is ’t in een ommezien gedaan.
—Wat meent ge met ’rollen verdeelen’?
—Ik meen, dat een ieder van ons dient te weten wien hij pakken moet. Wij mogen elkaar niet in den weg staan. Voor dien Duitschen giaur zijn in allen gevalle twee man noodig.
—Ik en mijn broeder nemen hem voor onze rekening,—zeide een der Aladschy’s.
—Goed. Naar onze persoonlijke kracht moeten wij de rollen verdeelen. Voor ieder van hen kiezen wij den juisten man. Na de beide Aladschy’s is de Miridiet zeker de sterkste. Hij neme dus hem voor zijn rekening, die zich Osko noemt.
—Neen,—viel Barud el Amasat in; dezen Osko vraag ik voor mij alleen. Ik ben het, dien hij vervolgt, op mij wil hij zich wreken, en daarom zal hij in mijn handen sterven.
—Op u wil hij zich wreken? Waarom?
—Omdat ik eenigen tijd geleden, zijn dochter ontvoerd en als slavin verkocht heb. Aan wien, dat gaat u niet aan.
—Dat is een grap, die niet iedere vader grappig vindt.
—Hij zit mij sedert dien tijd dan ook aldoor op de hielen.
—Wat is hij voor een mensch? Een Serviër?
—Neen, een Montenegrijn. Vroeger waren wij groote vrienden.
—Dan heeft hij u zeker beleedigd, en hebt gij, om u te wreken, zijn dochter geroofd?
—Neen, hij had mij niets gedaan, maar hij had een verbazend mooie dochter, met name Senitza. Een vermogend man zag en begeerde haar. Zij wees hem echter af. Toen wendde hij zich tot mij en bood mij een zeer belangrijke som. Wat zoudt gij in mijn plaats hebben gedaan?
—Het geld hebben verdiend,—zei Murad Habulam en lachte.
—Zoo dacht ik er ook over! Ik ontvoerde haar, wat gemakkelijk genoeg was, want zij vertrouwde mij als haar vaders vriend, en ik heb haar geleverd. Hij voor wien ik dat deed, nam haar mee naar Egypte, waar zij kort daarop hem weer ontvoerd is.1
—Door wien?
—Dat raadt gij nooit. Door hem die van alles de schuld is, door den schurk, die zich Kara Ben Nemsi noemt.
—Door dien Duitscher?
—Ja.
—Allah verdoeme hem.
—Wij willen hopen dat uw wensch nog heden vervuld wordt. Deze Senitza had namelijk een andere lief, den zoon van een schatrijken groothandelaar uit Stambul. Hij heet Isla en trof in Egypte den Duitscher aan. Deze heeft uitgevonden, waar Senitza verborgen was, haar ontvoerd en aan Isla gegeven, die haar mee nam naar Stambul en daar trouwde. Ik zou wel eens willen weten, hoe die Duitscher haar op het spoor is gekomen.
—Wel, door zijn boozen blik!—beweerde Habulam. Hij ziet en ontdekt alles. Maar heeft degeen, aan wien Senitza ontvoerd is, zich niet gewroken?
—Dat wilde bij wel, maar kwam er niet toe; want de duivel beschermt den Duitscher. Ja, hem of aan een der zijnen gelukte het zelfs, om later mijn vriend te vermoorden. En nu zitten zij met Osko mij achterna. De oude Montenegrijn zou natuurlijk niets liever willen, dan zich op mij wreken.
—Dat moet hem betaald gezet worden!
—Zoo denk ik er ook over, en daarom neem ik hem voor mij. De Miridiet mag dengene inpikken, die zich Omar noemt.
De Miridiet had tot nu toe met de armen over de borst geslagen, zonder iets te zeggen of eenig teeken van goed- of afkeuring te geven, op zijn plaats gestaan. Maar nu wees hij die opdracht af en zei met beslistheid:
—Ik wil van daag met dien Omar niets te maken hebben.
—Niet?—vroeg Habulam verwonderd. Hebt gij voor u dan een ander uitgekozen? Misschien dengene, dien wij Hadschi Halef noemen? Ik had u voor moediger gehouden, dan gij u nu toont.
De oogen van den Miridiet fonkelden van toorn, maar toch vroeg hij op bedaarden toon:
—Gij meent dus, dat het mij aan moed ontbreekt?
—Ja. Gij zoekt voor u den kleinste uit, van al onze vijanden!
—Wie heeft dat gezegd? Ik misschien?
—Wel, dat ligt toch voor de hand.
—Gij moogt denken, wat u belieft. Misschien wel, dat ik in ’t geheel niet durf, nu ik u rondweg zeg, dat ik niet een van deze mannen voor mijn rekening nemen wil.
Deze besliste weigering van den Miridiet wekte aller verwondering.
—Wilt gij daarmee soms zeggen, dat gij in ’t geheel geen partij wilt trekken tegen onze vijanden,—vroeg Habulam terstond.
—Ja, dat heb ik willen zeggen.
—Dat zou ontrouw zijn jegens ons, en daarom hoop ik dat gij het uit gekheid zegt.
—Wat ik zeide, was in allen ernst gezegd.
Er volgde nu een oogenblik van algemeene stilte, onderwijl aller oog strak op hem gevestigd was. Daarna nam Barud el Amasat het woord:
—Als gij dat werkelijk meent, dan was het beter, zoo wij u nooit hadden gekend. Die niet met ons is, die is tegen ons. Wij zouden, als gij bij uw besluit blijft, u als onzen vijand moeten beschouwen.
De Miridiet antwoordde, terwijl hij het hoofd schudde:
—Ik ben uw vijand niet. Ik zal u in uw voornemen niet belemmeren, maar u ook niet bijstaan.
—Van morgen vroeg hebt gij anders gesproken.
—Ik ben sedert dien van gevoelen veranderd.
—Gij beschouwt dus deze menschen niet meer als onze gemeenschappelijke vijanden?
—O ja; want zij hebben mijn broeder gedood. Maar er is tusschen hen en mij een Mutareke (wapenstilstand) gesloten.
—Een Mutareke! Zijt gij dol! Hoe klopt dat met de woorden, die gij hebt gesproken bij uw komst onder ons?
—Ik geloof niet dat ik daarmee nu in tegenspraak ben.
—Volkomen in tegenspraak. Dezen morgen zijt gij van ons gegaan met het vaste voornemen, om die vreemdelingen, ten minste dien Kara Ben Nemsi, te zullen dooden. Het was ons dus al een groote teleurstelling, toen gij ons straks kwaamt zeggen, dat het u niet gelukt was uw plan ten uitvoer te brengen. En nu komt gij ons verrassen met de mededeeling dat gij een wapenstilstand hebt gesloten. Wij dachten dat hij u ontsnapt was, maar zooals wij nu hooren, hebt gij met hem zelfs gesproken.
—Dat heb ik zeer zeker gedaan.
—En gij hebt werkelijk een Barysch scharti (vredesverdrag) met hem gesloten?
—Slechts een tijdelijk.
Hoe kalmer de Miridiet antwoordde, des te opgewondener werd Barud el Amasat. Deze stond op van zijn plaats, ging op den Miridiet toe, zeggende:
—Dat was u niet geoorloofd!
—Waarom niet? Wie zou daar iets tegen kunnen hebben?
—Wij, natuurlijk wij! Gij zijt onze bondgenoot en hebt geen recht en ook geen verlof, om zonder onze toestemming zoo iets te doen. Uw verdrag is van nul en geener waarde, omdat het zonder en tegen ons gesloten is. Neem dat ad notam!
De wenkbrauwen van den Miridiet fronsten. Zijn oogen fonkelden. Toch beheerschte hij zich en antwoordde zoo bedaard als te voren:
—Gij acht u dus gerechtigd om mij te bevelen?
—Ja. Wij zijn eedgenooten, en niemand van ons mag iets tegen den wil van de anderen doen. Daarom zeg ik u, dat gij zeer onbezonnen en onnadenkend gehandeld hebt!
—Bin scheitanlar, duizend duivels!—riep de Miridiet uit, nu in heftigen toorn ontstoken. Gij waagt het mij te gebieden, gij, dien ik in ’t geheel niet ken, van wien ik zelfs niet eens weet, wie hij is, van waar hij komt en den ingang naar de hel zal vinden! Nog een zoo’n beleediging, en mijn kogel zendt u in de diepte, waar de Baba bozulmanun (de vader des verderfs) huist. Ik ben een Miridiet, een zoon van den beroemdsten en dappersten stam der Arnauten, en duld van u geen beleedigend woord. Treedt gij met zulke woorden tegen mij op, dan staat gij aan den rand van uw graf. Een greep van mijn hand en gij stort er in!
—Oho! Ook ik ben gewapend!—antwoordde Barud el Amasat, de hand op den greep van zijn pistool leggende.
—Halt!—riep de oude Mubarek. Zullen vrienden in twist elkander verderven? Barud el Amasat, het is best, dat gij voor onze zaak ijvert, maar gij moogt het niet in beleedigende bewoordingen doen. Ga weer zitten! De Miridiet zal mij open en rond zeggen, hoe en waarom hij met dien man een verdrag heeft gesloten.
Barud zette zich, maar verborg zijn ontevredenheid niet. De Miridiet zei:
—Ik heb den Duitscher mijn Czakan gegeven.
—Allah! Dat is een heilig verbond dat niet verbroken mag worden. Voor hoe langen tijd hebt gij hem uw Czakan gegeven?
—Tot hij mij dien teruggeven zal.
—Dat is dus voor altijd?
—Als hij dat zoo wil, kan ik er niets aan doen.
—Ik kan u daarover geen verwijt doen, want ik ken de reden niet, die u daartoe bewoog. Met een man, met wien men in bloedwraak leeft, sluit men zoo’n verdrag niet, tenzij om zeer gewichtige redenen. Gij moet dus jegens dezen Duitscher, dien Allah verdoeme, wel groote verplichtingen hebben.
—Ik ben hem alles verplicht, namelijk het leven. Ik was volkomen in zijn macht, toch doodde hij mij niet, ofschoon ik het hem had willen doen.
—Vertel ons, hoe het zich toegedragen heeft!
De Miridiet gaf een verhaal van zijn mislukten aanslag en deed dat zóó naar waarheid, dat hij mijn edelmoedigheid in het gunstigste licht deed uitkomen. Hij eindigde aldus:
—Gij ziet dus dat ik niet lichtzinnig gehandeld heb. Kerem silahdan daha kuwwetli dir. (Edelmoedigheid is sterker dan elk wapen). Ik heb om dit spreekwoord tot nog toe de schouders opgehaald, maar nu ben ik het er volkomen mee eens. Mijn broeder is zelf de oorzaak van zijn dood. Toch trachtte ik hem te wreken, en trok tegen den Duitscher zóó vijandig op, dat hij, om zijn leven te redden mij het mijne wel ontnemen moest, en... hij heeft het niet willen nemen, geen haar van mijn hoofd gekrenkt, ofschoon ik volkomen in zijn macht was. Kan kani itschun! (Bloed voor bloed) zoo luidt de wet der bloedwraak; maar de Koran gebiedt: Adschyma adschymaji itschun, (meedoogen tegenover meedoogen), wie moet gehoorzaamd worden, de Koran van den Profeet of de spreuk van zondige menschen? Staat er niet in de heilige boeken geschreven: Schukri nimet geuge doghru geutuur. (Dankbaarheid opent den hemel)? De Duitscher heeft mij de grootste weldadigheid bewezen, die zich laat denken. Indien ik nu trachtte hem te vermoorden, zou ik voor eeuwig Allah’s toorn op mij laden. Daarom heb ik hem mijn Czakan gegeven. Wanneer nu daarom mijn hand niet tegen hem is, dan moet gij daaruit niet afleiden dat ze tegen u zal zijn. Doe wat gij wilt! Ik zal u daarin niet tegenwerken; maar verlangt niet van mij dat ik mijn weldoener zal helpen vermoorden.
Hij had hoog ernstig en met grooten nadruk gesproken. Zijn woorden werkten zoo tamelijk uit, wat hij wilde. De anderen keken elkaar, zonder iets te zeggen, aan. Zij konden hem geen ongelijk geven, en toch was hun de weigering, om aan den aanslag op ons mee te doen, hoogst onaangenaam.
—Scheitan bu Nemscheji derile satchile jut, de duivel verslinde dien Duitscher met huid en haar!—viel eindelijk de oude Mubarek uit. Het is alsof alles dien kerel moet gelukken en meeloopen. Ik had zoo vast op u gerekend. Ik erken dat gij eenigen grond hadt voor uw goedhartigheid; maar gij moogt niet te ver gaan. Als hij u niet heeft willen dooden, begrijp ik dat gij er bezwaar in hebt het hem nu te doen. Maar waarom wilt gij nu ook de anderen sparen? Tegenover hen zijt gij tot geen dankbaarheid verplicht. De Aladschy’s hebben hem nu voor hun rekening genomen, neem gij nu dien Omar. Ik zie niet in, waarom gij dat niet zoudt doen.
—Toch heb ik ook daar reden voor. Wat de Duitscher doet, doet hij niet alleen, maar in overeenstemming met de anderen. Mijn dank geldt niet alleen hem, maar ook zijn vrienden. En al had ik aan hem alleen verplichting, dan zou ik mij toch niet aan die vrienden willen vergrijpen, omdat ik hem daarmee verdriet zou doen. Ik ben gekomen, om u te zeggen, dat ik mij met deze zaak in ’t geheel niet inlaten kan. Ik heb mij voorgenomen, daar niet aan mee te doen en blijf bij dat voornemen.
—Bedenk, wat daarvan de gevolgen zullen zijn!
—Daar heb ik mij niet over te bekommeren.
—Toch wel! Of is het u onverschillig, of gij onze vriendschap verbeurt?
—Bedoelt gij me daarmee te dreigen? Dan hadt gij beter gezwegen. Ik heb den Duitscher mijn Czakan gegeven en daarmee mijn Yrza mebni (woord van eer), en dat zal ik houden. Die mij dat wil beletten, krijgt het met mij te kwaad. Wilt gij uw vriendschap in vijandschap doen verkeeren, doe het in Allah’s naam, maar geloof niet, dat ik bang voor u ben. Ik wil en zal volkomen buiten dezen aanslag blijven, maar ook alleen zoo lang gij mij met rust laat. Dat is alles wat ik u te zeggen heb. Ik heb het gezegd en ga.
Hij wendde zich naar den uitgang.
—Halt!—riep Habulam,—wees verstandig en blijf!
—Ik ben verstandig, maar mijn blijven heeft geen reden, geen doel.
—Maar met dit weer kunt ge toch niet weggaan.
—Wat geef ik om wat regen.
—Maar met dit vreeselijk onweer kunt ge toch niet naar Sbiganzy rijden.
Scherp waarnemend keek hij den Miridiet aan. Deze begreep hem en antwoordde.
—Wees niet bezorgd. Ik zal niet trouweloos tegen u handelen. Wanneer gij bang zijt dat ik toch hier zal blijven, en in ’t geheim met deze mannen zal spreken om ze te waarschuwen, vergist gij u. Ik ga naar ginds, in ’t houtgewas, naar mijn paard, en rijd terstond weg. Ik heb gezegd, dat ik niet tegen u zou zijn of optreden, en mijn woord houd ik.
Hij bukte om de garven, die den toegang vormden, weg te trekken. De aanwezigen zagen dat hij zich niet liet terughouden, daarom zeide de oude Mubarek:
—Als gij inderdaad wilt gaan, zweer ons dan eerst bij den baard van den Profeet, dat gij u met de vreemden niet inlaten zult.
De Miridiet antwoordde met een toornige handbeweging.
—Deze vraag is een beleediging. Ik heb u mijn woord gegeven, en dat moest u genoeg zijn. Zijt gij soms gewoon het uwe niet te houden? Maar ik wil in vrede van u scheiden en zweer het u bij den baard van den Profeet. Zijt gij nu tevreden?
—Ja; maar bedenk goed, hoe wij u straffen indien het u mocht invallen ons toch te bedriegen. Wij laten niet met ons spelen.
Dat werd op een toon gezegd, dreigender dan de trots van den Miridiet kon verdragen. Weder omkeerende liep hij dreigend op den oude toe, en zeide:
—Waagt gij het, mij dat te zeggen, gij wiens denken en doen een voortdurende leugen is! Wie zijt gij? De oude Mubarek, de Heilige! Is dat niet een leugen? Gij waart ook Busra, de kreupele. Was ook dat geen bedrog? Waar zijt gij vandaan, en wat is uw werkelijke naam? Niemand weet het, niemand die hem kent. Als een ramp zijt gij over dit land gekomen, als een Taan (pest) waar Allah alle geloovigen tegen behoede! Tusschen de vervallen muren der ruïne hebt gij u genesteld, als een Sukutan (dolle kervel), als Bengi (een giftplant), en den ganschen omtrek hebt gij tot een vervloeking gemaakt. Ik zelf wil en kan mij niet beroemen op wat ik ben, maar bij u wil ik niet vergeleken worden, veel minder door u worden beleedigd. Als gij meent een macht te bezitten, die anderen hebben te vreezen, dan mogen zwakkelingen dat gelooven, ik vrees u niet. Het kost mij, of wie van ons, maar een enkel woord, en gij zijt verloren. Ik zal dat woord niet uitspreken, tenzij gij er mij toe dwingt. Maar voor ik u op die manier verraad, gebruik ik liever een ander woord, een woord, dat men niet hoort, maar ziet en voelt. En als gij wilt weten, wat dat woord is, zie, ik heb het in mijn hand!
Hij trok zijn mes uit zijn gordel en zwaaide het boven Mubarek’s hoofd.
—Allah! wilt gij mij doorsteken—riep deze verschrikt uit.
—Nu niet en later ook niet, als gij er mij niet toe dwingt. Vergeet nu mijn waarschuwing niet! Ik ga, goeden nacht!
Hij stak het mes weer bij zich, verwijderde de garven en kroop door de opening naar buiten. Op een wenk van Habulam volgde Humun, de knecht, hem voorzichtig na. Toen deze eenige oogenblikken later terugkwam, berichtte hij, dat de Miridiet zich inderdaad verwijderd had.
—Hem heeft Allah het verstand ontnomen!—morde Barud el Amusat. Op hem valt niet te rekenen.
—Neen, nu niet meer,—was ook Mubarek van oordeel. Maar hij heeft mij gedreigd. Ik zal zorgen dat hij geen kwaad meer zal kunnen doen.
—Wilt gij hem doen sterven?—vroeg Manach el Barscha.
—Wat ik zal doen, weet ik nog niet. Maar wij hebben hier weer een bewijs te meer voor de noodzakelijkheid om dezen Duitscher op te ruimen. Ook zijn makkers moeten sterven. Maar nu is het de vraag, wie Omar zal dooden.
—Ik neem hem voor mijn rekening,—zeide Humun, de knecht.
—Goed! Dan blijft nog de kleine Hadschi over. Tot mijn spijt kan ik hem niet helpen, gewond als ik ben.
—Laat mij het dan doen,—stelde Manach el Barscha voor.—Het zal mij een genot zijn hem het licht uit te blazen. Hij is klein en schijnbaar niet sterk, maar het tegendeel is waar. Die dwerg heeft den moed van een panther en is zoo vlug als een Atmadscha (sperwer). Ook hebben wij gehoord, dat hij sterk genoeg is om zijn man te staan. Als ik hem voor mij vraag, moet gij niet denken dat het mij aan moed ontbreekt. En wat het uur voor den aanslag betreft, ik stel voor op dit punt geen beslissing, te nemen, maar het van de omstandigheden te laten afhangen. Laten we van tijd tot tijd gaan luisteren. Zoodra het ons blijkt dat zij zijn gaan slapen, gaan wij aan den gang.
—Zoo denk ik er ook over,—zeide Habulam. Ik heb nog een en ander te doen en ga dus weg. Humun gaat natuurlijk met mij; ik zal hem van tijd tot tijd naar u zenden, om te vragen of wij beginnen kunnen.
Hij stond op, om weg te gaan.
—Wacht nog een oogenblik!—verzocht Mubarek. Ik wilde u nog over iets anders spreken.
Dit deed mij besluiten om mijn schuilplaats ook te verlaten. Als mijn gastheer zich verwijderd had, zou het voor mij moeilijker zijn om mij ongezien te verwijderen. Het was te verwachten dat de anderen zich stil zouden houden en in dat geval moesten zij mij in het stroo hooren ritselen. Voor het oogenblik redeneerden zij nog zoo luid, dat niemand mijn langzaam en voorzichtig achteruit schuiven hooren kon. Het gelukte. Maar hoe nu in den toren te komen. De afstand was wel niet groot, maar ik had niets om op te steunen. Daar werd de deur geopend, en Osko keek naar buiten, wat hij alle twee of drie minuten gedaan had. Mij bemerkende, kwam hij, nam mij op zijn rug en droeg mij naar binnen. Daar zette hij mij op de plek waar ik had gezeten, zoodat ik ook nu door de aanstaande deur naar buiten kon zien. Ik verzocht die nog wat verder open te laten.
—Waarom dat?—vroeg Omar. Het regent in.
—Toch niet veel. De wind komt van den anderen kant. Onze gastheer moet naar binnen kunnen zien en weten dat wij bij elkaar zitten. Janik mag zoo gaan staan, dat hij niet te zien is.
Janik ging achter de deur staan, en toen vertelde ik, wat ik gezien en gehoord had. Daarbij zorgde ik, dat men aan mijn houding en gebaren niet kon zien, over wat belangrijk onderwerp het gesprek liep. Als Habulam en Humun ons nu bespiedden, moesten zij denken dat wij over de meest onverschillige dingen spraken.
Mijn verhaal had zóó lang geduurd, dat ik er vrij zeker van kon zijn, dat Murad Habulam in zijn slot terug was. Daarom liet ik de deur weer dicht doen.
Van al mijn toehoorders was Halef de grimmigst gestemde.
—Heer,—zeide hij,—ik zou die schurken in hun schuilplaats terstond willen opzoeken en ieder van hen een kogel door den kop jagen. Dan waren wij voor goed van ze af en konden rustig verder trekken.
—Wilt gij dan moordenaars-werk doen?
—Moorden? Hoe komt gij op die gedachte! Die galgebrokken zijn roofdieren. Ik zou ze zonder eenig gewetensbezwaar neerschieten, juist zooals ik dat een stinkenden hyena of jakhals zou doen.
—Wij zijn niet geroepen om hen te straffen!
—Oho! Zij staan ons naar het leven. Wij bevinden ons tegenover hen in een toestand van noodweer.
—Dat is ontegenzeggelijk waar; maar wij kunnen hun aanslagen wel verijdelen, zonder hen te dooden.
—Maar dan zijn we niet van ze af, en zij blijven ons vervolgen.
—Als wij zoo goed oppassen als tot nu toe, kunnen zij ons niets doen.
—Moeten wij ons dan altijd plagen met de gedachte aan die schurken? Hebben wij eenig genot van ons reizen en trekken? Kunnen wij op onze reis aldus eenige kennis opdoen? Wij doorreizen dit land als mieren, die over den weg gaan en ieder oogenblik op moeten passen niet doodgetrapt te worden. Ik dank voor zoo’n genoegen! Laten wij dus deze jakhalzen in menschengedaante doodschieten waar en wanneer wij ze vinden!
—Ik weet heel goed,—antwoordde ik,—in wat toestand wij ons bevinden. Nemen wij die mannen gevangen en brengen wij ze voor de rechtbank, dan worden wij uitgelachen. Eigenen wij ons het strafrecht toe, dan handelen wij tegen wat mijn geloof gebiedt en tegen de wet der menschelijkheid. Wij moeten dus geen van beide doen, en liever beproeven, ons tegen die vijanden te verweren, zonder een misdaad, met betrekking tot hen, te begaan.
—Maar hen doodende begaan wij geen misdaad!
—In mijn oogen wel. Als ik mij verweren kan, zonder mijn vijand te dooden, dan is het strafbaar indien ik hem het leven beneem. Met list bereikt men veelal even veel als met geweld.
—Hoe zult gij dit dan nu doen?
—Ik laat ze boven op den toren klimmen, en zorg er voor, dat ze er niet weer af kunnen.
—Dat is niet slecht bedacht. Maar als zij er op zullen kunnen komen, dan zal het hun ook niet onmogelijk zijn, er langs denzelfden weg weer af te komen.
—Ook als wij, zoodra zij boven zijn, de ladder wegnemen?
—Hm! Dan komen zij de trap af.
—Wanneer zij dat deden, zouden zij verraden, dat zij kwaad tegen ons in den zin hadden. Maar dat daargelaten, wij kunnen dien weg voor hen afsluiten. We hebben niets anders noodig, dan een hamer en een grooten spijker, waarmee wij het luik in den vloer vastmaken.
Janik bood aan het benoodigde te halen, alsook een groote ijzeren kram.
—Dat is opperbest,—verzekerde ik. Een kram is onverbeterlijk voor ons doel. Wij nagelen de bovenste tree vast aan het luik, zoodat dit naar boven niet opgetrokken kan worden. Dan kunnen die mannen de trap niet afkomen, en daar wij de ladder wegnemen, zitten zij op het terras gevangen, waar zij in den regen kunnen blijven staan, tot het dag wordt. Dat zal hun ondernemingslust wel wat afkoelen.
—Sihdi—bekende Halef,—uw plan verzoent mij met uw goedmoedigheid van daar straks. Het is toch een prettig iets, te weten dat die schurken den ganschen nacht, op dat terras moeten blijven staan. Zitten kunnen zij niet, daar het van alle kanten kan inregenen. Op de terras-étage moet wel veel water staan, want die Kat (bovenste verdieping) is lantaarngewijze gebouwd en in den berm is geen aflaat.
—Toch wel,—viel Janik in.—Er is een gat in den bermmuur.
—Kunnen we dat niet dicht maken?
—Heel gemakkelijk. Er is genoeg Uestipu (werk) voorhanden.
—Prachtig! Daar maken wij het gat mee dicht. Ah, die moordenaars zullen voor hun straf in het water overnachten en jicht, rheumatiek, podagra en alle gevolgen van kouvatterij oploopen. Ik gaf wat als wij hen tot aan de schouders in het water konden zetten en—
Hij sprong op en liep haastig heen en weer. Hij was op een idee gekomen. Hij bleef voor onzen knecht staan, legde zijn hand op diens schouder en zei:
—Janik, gij voortreffelijkste aller trouwe knechten! Voor u klopt mijn hart, maar het zou tot een fontein worden van onuitsprekelijken dank, indien gij hadt, wat ik noodig heb.
—Welnu wat is dat?—vroeg de aangesprokene.
—Ik heb nu een ding noodig, dat hier wel niet zal zijn. Want niet waar, hier is geen Tulumba (brandspuit) voorhanden?
—Een groote niet, maar in plaats daarvan hebben wij een Boutan fyschkyrmaju (tuinbesproeier), een die op twee wielen loopt.
—Mensch! Man! Vriend! Broeder! Wat een prachtige kerel zijt gij! Ik had het voor onmogelijk gehouden, dat hier zoo’n ding zou zijn!
—Verleden jaar heeft onze Heer er zoo een uit Uskub laten komen omdat de koornschelf telkens in brand gestoken werd. Die tweewieler staat in den tuin altijd klaar.
—Hoeveel water gaat er in?
—Iets meer dan in een groote badkuip, die hier Kurna heet.
—Groot genoeg voor mijn doel; maar wat heb ik aan zoo’n prachtige Bostan fyschkyrmaju, als er het allernoodigste aan ontbreekt.
—Wat zou dat dan zijn?
—Een Kyrba (slang), liefst een lange. Zoo een is er wel niet?
De kleine Hadschi was een en al opgewondenheid. Hij stelde zijn vragen op zulk een gewichtigen toon, alsof het om het heil der wereld te doen was.
—O, een Kyrba hebben wij, niet maar om op reis het water in mee te nemen, maar een Akar su getirdschi (wateraanbrenger), zooals tot blussching van brand gebruikt wordt. De vraag is maar, hoe lang gij die wenscht.
—Zóó lang, dat wij er boven op den toren mee kunnen komen.
—Zoo lang is onze slang wel. Ja, nog wel iets langer.
—Man, ik moet u in mijn armen drukken! Kom aan mijn hart, gij zijt de vreugde mijns levens, de zon op mijn weg! Er is dus een spuit en ook een slang. Dat is verrukkelijk! Een slang, zoo lang als ik noodig heb! Wie had kunnen denken, dat zoo’n instrument in Kilissely zou te vinden zijn!
—Dat is toch verklaarbaar genoeg. Zonder deze slang zou de spuit ons weinig helpen, daar wij het water op verren afstand zouden moeten halen.
—Uit den vischvijver ginds?
—Neen, dat zou al te ver zijn. Wij hebben juist achter den toren, tegen den muur aan, een groote Su delikai (waterbak), die altijd vol is. Daar plaatsen wij de spuit en brengen de slang tot waar de brand is.
—Een waterbak, een Su deliki; waaruit men de spuit vullen kan! Is hij diep? Is hij groot? Is er nu veel water in?
—Ik weet niet, waarvoor gij water wilt hebben, maar ik geloof dat het u nog al zal meevallen.
—Gelooft gij dat werkelijk? Dat kan niet beter! Uw woorden zijn als de druppelen van den dauw op den verdorrenden akker. Wat gij zegt is meer dan honderd piasters waard, en als ik ooit een Bin kire bin sahibi (een millionnair) geworden ben, geef ik er u duizend. Gij weet dus niet, waartoe ik dat water gebruiken wil?
—Neen.
—Gij vermoedt het ook niet?
—Neen.
—Dan moge Allah uw hersens behoeden, want ze zijn aan een uitgedroogde regenbak gelijk. Let op, mijn Sihdi heeft terstond geraden wat ik voornemens was. Niet waar, Heer?
Daar deze vraag tot mij gericht was, knikte ik toestemmend.
—En wat zegt gij er van, Sihdi?
Zijn oogen fonkelden van intense pret. Hij was verrukt bij de gedachte, dat hij onzen vijanden een kool kon stoven. Daarom was hij ook vrijwel ontnuchterd toen ik hem op ernstigen toon antwoordde:
—Kinderwerk, Tschodschukluk, en anders niet.
—Sihdi, dat moogt gij niet zeggen. Die schurken klimmen op den toren om ons te vermoorden. Gij wilt er voor zorgen, dat zij er niet af kunnen komen, maar den ganschen nacht er op moeten blijven. Mij goed, maar dan wil ik zorgen dat zij het daar boven ook niet al te gezellig hebben. Wij pompen hun bovenvertrek vol water. Hun kamer is wel is waar rondom open, maar de bermmuur is toch zoo hoog dat hij een man tot aan de borst reikt, en laat ik hen ook zoo hoog in het water staan. Of hebt gij medelijden met hen? Vindt gij het jammer, indien deze moordenaars een verkoudheid oploopen en wat Disch aghrysty (kiespijn) krijgen?
—Neen, dat niet. Ik gun ze, dat zij den nacht zoo onaangenaam als maar kan, doorbrengen, maar ik kan uw voornemen toch niet goedkeuren.
—Maar gestraft moeten zij toch worden!
—Dat is zoo. Maar gij loopt den kans, ons en uzelf daardoor in gevaar te brengen.
—Neen, Sihdi. Wij nemen onze maatregelen zoodanig, dat niemand er iets van bemerken kan. Wat zegt gij er van, Osko, Omar?
De beide genoemden waren het met hem eens. Alle drie hielden zóó lang bij mij aan, dat ik tegen wil en dank ja zeide.
Janik ging en kwam, na eenige oogenblikken, terug met de slangen en touw. De anderen klommen nu met hem in den toren, en weldra hoorde ik, ondanks den tegen de luiken kletterenden regen, luide hamerslagen. Janik had den hamer en de kram in zijn zak meegenomen, en toen zij de slang vastgemaakt hadden, spijkerden zij het luik zoo goed dicht, dat het bovenop niet los te krijgen was.
Teruggekomen, zeide Halef, op den toon der hoogste zelftevredenheid:
—Dat hebben wij eens goed opgeknapt, Sihdi. Gij zelf hadt het niet beter kunnen doen.
—Wel, en hoe hebt gij de slang vastgemaakt?
Boven aan den buiten kant van den toren hangt ze naar omlaag, zoodat wij hier beneden er de spuit maar aan hebben te schroeven.
—En als zij de ladder opzetten, zien zij de slang.
—Janik zegt, dat zij zeker de ladder aan den anderen kant opzetten, omdat hen daar geen boomen in den weg staan. De monding van de slang is naar hun vertrek gericht, maar zoo, dat het water aan de binnenzijde, langs den muur afloopt zonder geruisch te maken. Zij zouden in een donkeren hoek moeten zoeken, om de instrooming te vinden. Ook zijn de luiken van de andere vertrekken goed gegrendeld, en ik wilde dat de badgasten nu maar kwamen.
—Dat zal nog lang genoeg duren, want Habulam sprak er van, dat hij ons nog een keurig avondeten zou zenden.
—Wil ik het gaan halen?—vroeg Janik.
—Ja, doe dat. Hoe eer wij eten, des te korter hebben wij te wachten. Maar doe alsof gij werkelijk van den eierkoek gegeten hadt en nog altijd snijdingen voelt. Tracht ook Anka te spreken te krijgen; misschien heeft zij u iets te zeggen.
Hij ging, en wij wachtten in alle stilte, daar wij niets bijzonders meer te bespreken hadden, op zijn terugkomst. Halef zat op zijn matras, zich van tijd tot tijd van plezier in de handen wrijvende en daarbij onbegrijpelijke geluiden makende. Hij verkneukelde zich aldoor in de gedachte aan de badkuur, waarop hij onze vijanden zou onthalen.
Toen Janik terug kwam, was hij niet alleen. Hij bracht ons avondeten, en daar hij alleen het niet dragen kon, hielp Humun hem daarbij. Deze kwam echter niet binnen; hij bleef buiten staan tot Janik hem zijn vracht afgenomen had, en ging toen in allerijl weg.
Het eten was uitstekend. Eerst werd ons een schotel Balyk tschorbaju (vischsoep) voorgezet, zoo als men ze in Weenen of Praag niet beter krijgt. In plaats van lepels kregen wij kopjes, waarmee wij opschepten en aten. Daarna kregen wij een reusachtigen opgevulden kapoen, een Iblig doldoeri, en daarbij een menging van meel, vijgen, en gestooten noten er in. Het derde gerecht bestond uit een Oghlak kebabi (lamsvleesch), dat zeer goed smaakte, ofschoon menigeen het liever niet eet. Daarbij kregen wij een vetten pillaw met rozijnen en geweekte amandelen. Het dessert bestond uit vruchten en zoetigheden, waarvan wij niets gebruikten. Ook bleef er van het vooreten meer den de helft over. Vóór wij er trouwens van hadden gebruikt, wisten wij van Anka, dat wij gerust konden zijn, want dat zij alles zelf had klaargemaakt.
—Maar uw Heer is immers thuis?
—Ja. Hij zit op zijn divan en rookt en kijkt aldoor voor zich. Hij liet mij roepen en vroeg, wat mij scheelde. Ik trok namelijk een allerdroevigst gezicht. Ik antwoordde dat ik een kweepeer gegeten had, die stellig onrijp was geweest, want dat ik een verscheurende pijn in mijn ingewanden had.
—Dat was heel verstandig geantwoord. Nu denkt hij misschien, dat gij niets vermoedt van zijn giftmengerij, en zal het daarom ook niet noodig achten om u iets voor te liegen.
—Nu, voor mij gelogen heeft hij trouwens niet. Zijn ontzettenden haat tegen u heeft hij zonder omwegen en in de bitterste bewoordingen uitgesproken. Hij wilde alles van mij weten, wat gij doet en zegt. Ik vertelde hem, dat gij een pijn aan uw voet hebt, waardoor gij niet kunt loopen. Ook waart gij, zoo zeide ik, te vermoeid om niet spoedig te gaan slapen. Toen gelastte hij mij, terstond na het eten uw slaapplaats in orde te brengen en daarna moest ik ook gaan slapen. Hoe eer gij u ter ruste begaaft, hoe vroeger gij zoudt opstaan, zoo meende hij, en dan moest ik bij de hand zijn om u te bedienen.
—Nog al slim van hem! Waar slaapt gij gewoonlijk?
—Met Humun en de andere bedienden in één vertrek.
—Dat is lastig, want dat belet u om onopgemerkt weg te gaan, en wij hebben u toch noodig.
—O, wat dat betreft, Effendi, kunt gij zonder zorg zijn. Niemand wil van heden af, meer met mij in één vertrek slapen, en Humun heeft op bevel van onzen Heer, mij een slaapplaats op de vliering aangewezen. Maar als gij het verlangt, dan doe ik, alsof ik ga slapen en kom dan op den toren. Die is dan wel gegrendeld, maar dat hindert niet, ik klop en gij doet open.
—Maar niet zoo als gewoonlijk. Klop aan het luik dat achter is, eerst eens, dan twee en daarna driemaal. Zoo weten wij dat gij het zijt en doen open. Zeg aan uw Anka, dat ook zij zoo kloppen moet. Men kan nooit weten wat er, gedurende uw afwezigheid, bij Habulam voorvallen kan. Laat zij opletten en ons, indien noodig, komen waarschuwen.
Janik bracht nu het eten weg en voorzag ons daarna van nog enkele dekens. Toen hij weg was, deden wij het licht uit. Deur en luiken waren wel gesloten en gegrendeld, maar er waren zooveel kieren, dat men van buiten zeer goed zien kon, dat het licht uit was.
Na ruim twee uren kwam Janik terug. Hij klopte zooals wij hadden afgesproken, en wij lieten hem in.
—Ik kom zoo laat,—zei hij fluisterend,—omdat ik op de gedachte kwam, Habulam eens te beluisteren. Hij gaf aan alle bedienden last om te gaan slapen; daarna sloop hij met Humun naar de koornschelf. Ze zijn er alle twee daar juist ingekropen.
—Wij weten dus, waar wij nu aan toe zijn. Men zal meenen, dat wij slapen, en wij kunnen de bestijging van den toren spoedig verwachten.
—Dat moeten wij zien,—zeide Halef en hij ging, door de anderen gevolgd, fluks de trappen op.
Het regende nog altijd, ja, het kletterde zoo hard, dat men het loopen buiten in ’t geheel niet kon hooren.
Ik zat nu alleen in het onderste vertrek en wachtte. Na een poos kwamen de vier mannen terug, en Halef berichtte:
—Sihdi, ze zijn boven. De laatste is nu al halverwege. Zij zijn met hun zevenen.
—Er waren negen personen in de koornschelf bijeen. De Miridiet is weg. Mubarek zal terug gebleven zijn, omdat hij gewond is.
—Dat klopt. Nu zullen wij terstond de ladder wegnemen en de spuit halen.
—Slaat dekens om, anders wordt gij tot op uw hemd toe nat.
Zij deden dat in allerijl en schoven den grendel van de deur weg, om naar buiten te gaan. Ik richtte mij aan den muur op en deed het achterluik open. Buiten was het donker; maar toch merkte ik, ondanks de duisternis en den geweldigen regen, al spoedig de vier mannen, die zeer dicht bij het raam druk bezig waren. Ook hoorde ik het regelmatige geknars van den slinger der spuit, die aan de slang vastgeschroefd was. Mijn makkers pompten, met alle kracht, water naar boven. De waterbak was juist voor mijn raam. Van tijd tot tijd hoorde ik Halef heel zacht commando’s geven. Ondanks den regen was de kleine Halef volkomen in zijn element.
Boven bleef echter alles stil. Dat het pompen aldaar water deed stroomen, was zeker. Waarschijnlijk begrepen de schurken niet, waar het van daan kwam, maar zij pasten wel op, hun tegenwoordigheid niet te verraden. Maar zij deden wat ze konden, om het luik op het terras open te krijgen. Habulam toch had gezegd, dat hij ten overvloede een boor zou medenemen. De mogelijkheid bleef, dat het hun gelukte de kram los te boren. In dat geval kwamen zij naar beneden, en ik maakte mij gereed, hen met mijn revolver te ontvangen. Maar hoe scherp ik ook luisterde, ik hoorde op de trap geenerlei geluid. Halef had het luik goed dicht getimmerd!
Er verliep heel wat tijd, wel een vol uur. Toen kwam mijn viertal bij mij terug.
—We zijn klaar, Sihdi!—berichtte hij. Wij hebben met inspanning van alle krachten gepompt. Maar nu zijn wij door en door nat. Mogen wij het licht aansteken?
—Ja; het is beter, licht op te hebben.
Hij stak de lamp aan en deed er olie in. Toen gingen zij naar boven, in het vertrek beneden dat, waar onze vijanden in het water stonden. Daar openden zij een luik, en toen hoorde ik Halef’s stem:
—Allam, sallam wer, tschelebilerim. Allah zij met u, mijne Heeren! Wildet gij bij deze stikkende hitte, daar boven wat frissche lucht happen? Hoe bevalt u het heerlijk vergezicht? Onze Effendi laat u vragen, of hij soms zijn Duurbuun (verrekijker) zal zenden, opdat gij den regen te beter zoudt kunnen zien?
Ik luisterde, maar hoorde geen antwoord. De bespotten schenen zich stil te houden.
—Waarom neemt gij, bij nachttijd, daar boven een bad?—vroeg Halef verder.—Is dat hier in deze streek zoo het gebruik? Het zou mij zeer spijten, wanneer het water daarvoor niet warm genoeg was. Maar men mag menschen die zich baden, niet beluisteren; daarom zullen wij zoo beleefd zijn ons te verwijderen. Ik wil hopen, dat gij tegen den morgen gereed zult zijn, dan zal ik, uw onderdanige dienaar, mij veroorloven naar den toestand uwer gezondheid te komen vragen.
Hij kwam met de anderen beneden en lachte zeggende:
—Sihdi, ze zijn prachtig in de val geloopen, en niet een durft een woord te zeggen. Ik meende, dat ik ze hoorde klappertanden. Nu zouden wij gerust kunnen gaan slapen, want niemand zou ons kunnen storen.
—Ja, gaat rustig slapen,—zeide Janik,—want gij moet moede zijn van het rijden. Ik heb nog de minste behoefte aan slaap. Ik zal waken en u roepen als het noodig mocht zijn. Maar wij hebben niets te vreezen. Die mannen kunnen niet naar beneden komen. Hoogstens zou het kunnen gebeuren dat het water naar beneden kwam siepelen. Maar ook dat zou geen gevaar opleveren.
Hij had gelijk. En daar wij ons op hem konden verlaten, legden wij ons, om te gaan slapen.
Notes
1 Deze belangrijke ontvoering vindt men uitvoerig beschreven in Karl May’s Reisavonturen; Kara Ben Nemsi, bladz. 63—124.